‘Ik moet terug,’ zei Elayne. ‘Nynaeve staat erop dat als een van ons Tel’aran’rhiod betreedt de ander voortdurend wakker blijft, maar met haar hoofdpijn moet ze echt een kop van haar eigen kruiden thee drinken en gaan slapen. Ik snap niet waarom ze daar zo aan vasthoudt. Degene die waakt, kan niets doen om te helpen en we weten nu allebei genoeg om hier volmaakt veilig te zijn.’ Haar groene gewaad ging heel even flikkerend over in Birgittes witte jas en ruim vallende gele broek, waarna het weer groen werd. ‘Ze zei dat ik het je niet mocht vertellen, maar ze denkt dat Moghedien ons probeert te vinden. Haar en mij.’
Egwene hield de overduidelijke vraag voor zich. Hoogstwaarschijn lijk had Birgitte het aan hen verteld. Waarom wilde Elayne dat geheim houden? Omdat ze het heeft beloofd. Elayne heeft haar hele leven nog geen enkele belofte gebroken.
‘Zeg haar dat ze voorzich tig moet zijn.’ Er bestond weinig kans op dat Nynaeve rustig bleef afwachten, als ze meende dat ze door een Verzaker werd achtervolgd. Ze zou bedenken dat ze de vrouw al eenmaal had verslagen en ze had altijd meer moed gehad dan gezond verstand. ‘Een Verzaker mag je niet al te lichtvaardig opvatten. En de Seanchanen evenmin, zelfs zogenaamde dierenoppassers. Zeg haar dat maar.’
‘Maar jij luistert volgens mij ook niet als ik je zeg voorzichtig te zijn.’ Ze keek Elayne geschrokken aan. ‘Ik ben altijd voorzichtig. Dat weet je.’
‘Natuurlijk.’ Het laatste dat Egwene van de vervagende vrouw op ving, was een zeer geamuseerde glimlach.
Zelf ging Egwene nog niet terug. Als Nynaeve zich niet meer kon herinneren waar de Blauwe zusters zich verzamelden, kon zij het miscchien hier ontdekken. Het was nauwelijks een nieuw idee. Dit was niet het eerste tochtje naar de Toren na haar laatste ontmoeting met Nynaeve. Ze schiep voor zichzelf een evenbeeld van Enaila’s gezicht, met vuurrood haar tot op de schouders, en een kleed van een Aanvaarde met de kleurige band aan de zoom; daarna vormde ze het beeld van Elaida’s werkkamer, met de rijk bewerkte meubels. Het vertrek zag er net zo uit als de vorige keer, hoewel er bij ieder bezoek minder krukken met houtsnijwerk in de vorm van ranken in een halve kring voor de brede schrijftafel stonden. Nog steeds hingen dezelfde schilderijen boven de haard. Egwene stapte recht op de tafel af en schoof de troonachtige stoel met het ingelegde ivoor in de vorm van de Vlam van Tar Valon opzij, zodat ze bij het gelakte brievenkistje kon komen. Ze deed het deksel, dat versierd was met vechtende haviken tussen wolken, open en begon zo snel mogelijk de perkamenten velletjes na te kijken. Desondanks losten sommige half gelezen op of veranderden. Het viel niet te zeggen wat belangrijk was of wat weinig betekenis had.
De meeste papieren vermeldden mislukkingen. Er was nog geen nieuws over waar de heer van Bashere zijn leger heen leidde en er klonk ergernis en zorg in de woorden door. De naam prikkelde iets in haar geheugen, maar ze had weinig tijd, onderdrukte het en greep een ander vel. Niemand wist waar Rhand was, meldde een wanhopig verslag dat een en al paniek uitstraalde. Het was goed dat ze dat wist; alleen dit nieuws was het tochtje al waard. Er was ruim een maand verstreken sinds de laatste berichten over Tanchico waren binnengekomen van een onbekende bron van de Ajah, en andere faktoors in Tarabon zwegen eveneens. De schrijver gaf de schuld aan de wanorde; geruchten dat iemand Tanchico had veroverd, konden niet bevestigd worden, maar de schrijver dacht dat Rhand zelf erbij betrokken was. Als Elaida duizenden roeden verder op de verkeerde plaats zocht, was dat zelfs nog beter. Een verward bericht zei dat een Rode zuster in Caemlin beweerde dat Morgase was gezien op een openbare ontvangst aan het hof, maar verschillende faktoors van de Ajah zeiden dat de koningin zich al dagen afgezonderd had. Strijd in de Grenslanden, mogelijk kleine opstandjes in Shienar en Arafel. Het perkament was al verdwenen voor ze aan de oorzaken toekwam. Pedron Nial riep de Witmantels naar Amadicia terug, mogelijk om naar Altara op te trekken. Het was maar goed dat Elayne en Nynaeve er nog maar drie dagen zouden blijven.
Het volgende schrijven ging over Elayne en Nynaeve. Eerst maakte de schrijfster bezwaar tegen een straf voor de faktoor die hen had laten ontsnappen – Elaida had dat met dikke krassen doorgestreept en ernaast ‘Stel een voorbeeld!’ geschreven – en toen, net toen de vrouw nauwgezet de speurtocht naar het stel in Amadicia ging beschrijven, werd het ene blaadje een handvol papieren met berekeningen. Die waren blijkbaar van bouwers en metselaars, bedoeld voor de bouw van een eigen onderkomen voor de Amyrlin Zetel op het terrein van de Witte Toren. Meer een paleis eigenlijk, aan het aantal vellen te zien.
Ze liet de papieren vallen en die verdwenen al voor ze wanordelijk op de schrijftafel hadden kunnen neerdwarrelen. Het lakkistje was weer dicht. Ze kon de rest van haar leven hier blijven lezen, wist ze er zouden steeds andere papieren in het kistje zitten; ze zouden voortdurend veranderen. Hoe vluchtiger iets in de echte wereld was – een brief, een kledingstuk, een kom die regelmatig werd verplaatst – des te ijler de weerspiegeling in Tel’aran’rhiod. Ze kon hier niet te lang blijven. Je rustte amper uit als je in de Wereld der Dromen sliep. Ze haastte zich naar de voorkamer en stond op het punt de nette stapel rollen en papieren, waarvan sommige met zegels, van de schrijftafel van de Hoedster te pakken, toen het vertrek leek te flikkeren Voor ze tijd had om te overwegen wat dat inhield, ging de deur open en stapte Galad glimlachend naar binnen. Zijn jas van blauwe brokaatzijde viel volmaakt om hem heen, de strakke broek verried de vorm van zijn dijen.
Ze haalde diep adem en haar maag fladderde. Her was niet eerlijk dat een man zo’n knap gezicht had.
Hij stapte met een twinkeling in zijn donkere ogen op haar af er streelde haar wang. ‘Wil je met me in de Watertuin gaan wandelen? vroeg hij teder.
‘Als jullie willen tortelen,’ zei een ferme vrouwenstem, ‘doe het dan niet hier.’
Egwene draaide zich snel om en staarde met grote ogen naar Leane die, met de stola van de Hoedster om haar schouders, achter de tafel zat en een hartelijke glimlach toonde op haar lichtbruine gezicht De deur naar het werkvertrek van de Amyrlin stond open en daar stond Siuan naast haar eenvoudige, glanzende schrijftafel een lange brief te lezen, de gestreepte stola van haar ambt om zich heen geslagen. Dit was waanzin.
Ze vluchtte weg zonder zich bewust een beeld te vormen en snakkend naar adem merkte ze verrast dat ze op de Brink in Emondsveld stond, tussen de huizen met de rieten daken en bij de bruisende Wijnvloed, die uit de rotsen op het grote grasveld opsprong. Vlak naast de snel breder wordende stroom stond haar vaders kleine herberg, op een fundament van gemetselde stenen dat de witgekalkte, uitstekende hogere verdieping droeg. ‘Dit is het enige huis met dakpannen in heel Tweewater,’ had Bran Alveren haar vaak verteld. Vlak naast de grote stenen fontein bij Herberg De Wijnbron verrees een enorme, brede eik die nog veel ouder was dan de herberg, hoewel sommigen zeiden dat er al meer dan tweeduizend jaar een uitspanning aan de Wijnvloed had gestaan. Dwaas.
Nadat ze Nynaeve zo’n stevige waarschuwing had gegeven over dromen in Tel’aran’rhiod, had ze zich bijna in een droom van haarzelf laten vangen. Hoewel het vreemd was dat Galad er was geweest. Soms droomde ze nog van hem. Ze werd rood. Ze hield niet echt van hem, mocht hem zelfs niet zozeer, maar hij was knap, en in haar dromen was hij veel meer de man geweest die ze zich zou heb ben gewenst. Ze droomde veel vaker over zijn broer Gawein, maar dat was al even dwaas. Wat Elayne ook beweerde, hij had haar nooit iets van zijn gevoelens laten blijken.
Het kwam allemaal door dat stomme boek met die verhalen over de liefde. Zodra ze morgenochtend wakker werd, zou ze het aan Aviendha teruggeven. En haar vertellen dat Aviendha dat boek volgens haar helemaal niet om de veldslagen en zo las. Toch aarzelde ze met weggaan. Thuis. Emondsveld. De plek waar ze zich voor het laatst echt veilig had gevoeld. Er was ruim anderhalf jaar verstreken sinds ze het dorp voor het laatst had gezien, maar alles leek nog precies hetzelfde. Nee, toch niet alles. Op de Brink stonden twee hoge palen met grote banieren, een met een rode adelaar en een met een even rode wolvenkop. Had Perijn er iets mee te maken? Ze kon het zich niet voorstellen. Maar Rhand had gezegd dat hij naar huis was gegaan, en ze had meerdere keren over hem en wolven gedroomd. Nou, ze had hier lang genoeg niets staan doen. Het werd tijd...