Geflikker.
Haar moeder stapte de herberg uit, de grijze vlecht over een schouder. Marin Alveren was een slanke vrouw, nog steeds knap en de beste kokkin van Tweewater. Egwene kon haar vader horen lachen in de gelagkamer, waar hij met de andere leden van de dorpsraad zat. ‘Ben je nog steeds buiten, kind?’ zei haar moeder zacht, plagend en vermaakt. ‘Je bent nu toch al lang genoeg getrouwd om te weten dat je je man niet moet laten merken dat je smachtend op hem wacht.’ Hoofdschuddend lachte ze. ‘Te laat. Daar komt hij al aan.’ Egwene draaide zich snel om en haar ogen schoten langs de spelen de kinderen op de Brink. De balken van de lage Wagenbrug roffelden toen Gawein eroverheen galoppeerde en vlak voor haar uit het zadel zwaaide. Lang en statig in zijn rode jas met goudborduursel had hij dezelfde rossige gouden krullen als zijn zus en prachtige donkerblauwe ogen. Hij was natuurlijk niet zo knap als zijn halfbroer, maar haar hart klopte sneller dan bij Galad – Bij Galad? Waarvoor dan? – en ze moest haar handen tegen haar maag drukken in een vergeefse poging de reusachtige vlinders tot rust te brengen. ‘Heb je me gemist?’ zei hij glimlachend.
‘Een beetje.’
Waarom dacht ik aan Galad? Net alsof ik hem zojuist heb gezien.
‘Zo af en toe, als ik toch niks had te doen. Heb jij mij gemist?’
Bij wijze van antwoord tilde hij haar op en gaf haar een kus. Ze ging er bijna helemaal in op tot hij haar weer terugzette op haar wankele benen. De banieren waren verdwenen.
Welke banieren?
‘Hier is hij,’ zei haar moeder, die met een klein, dik ingepakt kind aan kwam lopen. ‘Je zoon. Een knappe jongen. Hij huilt nooit.’ Gawein lachte toen hij het kind overnam en hem omhooghield. ‘Hij heeft jouw ogen, Egwene. Hij zal op een goede dag veel indruk op de meisjes maken.’
Egwene schoof van hem weg en schudde haar hoofd. Er waren écht banieren geweest: een rode adelaar en een rode wolvenkop. Ze had écht Galad gezien. In de Witte Toren. ‘Neeeee!’ Ze vluchtte weg en sprong uit Tel’aran’rhiod in haar eigen lichaam. Ze bleef lang genoeg bij bewustzijn om zich af te vragen hoe het kon dat ze zich zo dwaas in haar eigen dromerijen had laten vangen en toen bevond ze zich weer in haar eigen veilige droom. Gawein ga loppeerde over de Wagenbrug en zwaaide uit het zadel...
Moghedien kwam achter een huis met een rieten dak vandaan en vroeg zich vergeefs af waar dit dorpje zich bevond. Het was niet het soort plek waar ze banieren had verwacht. Ze had niet gedacht dat het meisje binnen Tel’aran’rhiod zo sterk was dat ze aan het weefsel had kunnen ontkomen. Zelfs Lanfir kon met al haar praatjes haar kundigheden hier niet verbeteren. Maar toch... Het meisje was wel van belang, omdat ze met Elayne Trakand had gepraat, die haar naar Nynaeve Almaeren kon leiden. Ze had dat kind alleen in de val willen lokken, omdat ze Tel’aran’rhiod voor zichzelf wilde hebben. Ie dereen die de Wereld der Dromen vrijelijk kon betreden, moest ver dwijnen. Het was al erg genoeg dat ze hem met Lanfir moest delen. Nee, Nynaeve Almaeren. De vrouw die ze wilde laten smeken om haar, de Uitverkorene, te mogen dienen. Ze wilde haar in de echte wereld te pakken krijgen, wellicht aan de Grote Heer vragen om dat meisje onsterfelijkheid te verlenen, zodat Nynaeve het eeuwig kon berouwen zich tegen Moghedien verzet te hebben. Dus zij en die Elayne waren met Birgitte plannetjes aan het smeden? Dat was er nog een die ze moest zien te strikken. Birgitte had, vele eeuwen geleden, in de Eeuw der Legenden niet eens geweten wie Moghedien was, toen ze haar prachtige slimme plan om Lews Therin te vangen had doorkruist. Maar Moghedien had haar wel gekend. Birgitte – ze heette toen Teadra – was echter gestorven voor ze haar had kunnen pakken. Dood was geen straf, geen einde, niet als het inhield dat je hier verder leefde.
Nynaeve Almaeren, Elayne Trakand en Birgitte. Ze zou die drie vinden en aan hen allen een eind maken. Vanuit de schaduwen, zodat ze het pas zouden merken als het te laat was. Alledrie, niemand uit gezonderd.
Ze verdween en de banieren wapperden in de bries van Tel’aran’rhiod.
26
Sallie Daera
De blauwe en gouden aura van grootheid flikkerde zenuwachtig rond Logains hoofd, hoewel hij in elkaar gezakt in het zadel zat. Min begreep niet waarom de aura de laatste tijd vaker verscheen. Hij nam niet eens de moeite zijn ogen van de planten voor zijn zwarte hengst op te slaan en te kijken naar de lage beboste heuvels die overal rond hen heen oprezen.
De andere twee vrouwen reden een stukje voor hen uit. Siuan als al tijd even onhandig op de ruigharige Bela. Leane stuurde haar grijze merrie statig, meer met de knieën dan met de leidsels. Slechts een on natuurlijk rechte rij varens die door de afgevallen bladeren om hoogstaken, gaf aan dat hier ooit een weg had gelegen. De verdor de varens vormden een fijn kantwerk en de vergane bladeren ritselden en kraakten onder de paardenhoeven. Dicht verstrengelde takken boden een beetje schaduw tegen de middagzon, maar het was nauwelijks koel te noemen. Het zweet liep van Mins gezicht, ondanks het briesje dat ze zo nu en dan in de rug voelde.
Vijftien dagen waren ze onderweg naar het zuidwesten, slechts geleid door Siuans diepe overtuiging dat ze precies wist waar ze heen gingen. Uiteraard vertelde ze niet waarheen dat was. Siuan en Leane hielden hun lippen even ferm op elkaar als dichtgeklapte beren klemmen. Min betwijfelde zelfs of Leane het wel wist. Vijftien dagen, terwijl ze steeds minder stadjes en dorpjes tegenkwamen, tot er uiteindelijk geen meer opdoemde. Elke dag hingen Logains schouders lager en elke dag verscheen de aura vaker. Aanvankelijk was hij gaan mopperen dat ze achter Jak in de nevel aanjoegen, maar Siuan had de leiding zonder verzet weer overgenomen, terwijl hij zich steeds meer in zichzelf keerde. De laatste zes dagen leek hij de kracht niet meer te hebben om zich te bekommeren om hun reisdoel en de vraag of ze er ooit wel zouden komen. Siuan en Leane spraken nu zachtjes met elkaar. Het enige dat Min opving, was wat gemompel dat net zo goed de wind in het gebladerte had kunnen zijn. Als ze probeer de dichterbij te komen, zouden ze tegen haar zeggen dat ze een oog je op Logain moest houden, of haar zo strak aankijken dat alleen een stekeblinde dwaas zijn neus in hun overleg zou steken. Dat hadden beide vrouwen vaak genoeg gedaan. Van tijd tot tijd echter draai de Leane zich in het zadel om, zodat ze naar Logain kon kijken. Ten slotte liet Leane Maanbloem de pas inhouden tot ze naast Logains zwarte hengst reed. Ze leek geen last te hebben van de hitte; haar koperbruine gezicht glom niet eens van het zweet. Min stuur de Wilderoos opzij om haar ruimte te geven.
‘Het duurt niet zo lang meer,’ zei Leane zwoel. Hij bleef naar het on kruid voor zijn paard kijken. Ze leunde opzij en hield zich voor even wicht aan zijn arm vast. Drukte zich feitelijk tegen hem aan. ‘Nog een klein stukje, Dalijn. Dan zul je je wraak krijgen.’ Zijn ogen staarden dof naar de varens.
‘Een dooie zou nog beter luisteren,’ merkte Min op en meende het ook. Ze had alles wat Leane deed in gedachten gehouden en er iedere avond met haar over gepraat, hoewel ze de reden geheim pro beerde te houden. Ze zou nooit in staat zijn zich als Leane te gedragen – niet tot ik zoveel wijn in me heb dat ik niet eens meer kan nadenken – maar enkele nuttige aanwijzingen konden handig zijn. ‘En als je hem eens een zoen gaf?’