Leane keek haar zo woest aan dat een snelstromende beek kon bevriezen, maar Min staarde rustig terug. Ze had met Leane nooit het soort problemen gehad als met Siuan – nou ja, niet zoveel in ieder geval – en die paar problemen waren na hun vertrek uit de Toren veel minder geworden. Ze kwamen nog maar weinig voor nu ze over mannen spraken. Hoe kon je overdonderd worden door een vrouw die je met dodelijke ernst had verteld dat er honderdzeven verschil lende kussen waren en drieënnegentig manieren om het gezicht van een man aan te raken? Leane leek echt in dit soort dingen te geloven.
Min had dat van die zoen eigenlijk niet als spot bedoeld. Sinds de dag dat hij uit zijn dekens moest worden getrokken, had Leane hem zachte woordjes toegefluisterd en hem zulke glimlachjes geschonken dat de stoom wel uit zijn oren moest fluiten. Voor die tijd was hij al tijd de eerste die opstond om de anderen op te jagen. Min wist niet eens of Leane wel iets voor de man voelde – ze vond het moeilijk dat echt te geloven – of dat ze enkel wilde voorkomen dat de man het opgaf en stierf, en dus niet meer voor Siuans plannen gebruikt kon worden.
Logain was voor Leane geen reden om anderen niet uit te dagen. Zij en Siuan hadden blijkbaar afgesproken dat Siuan de vrouwen zou aanpakken, en Leane de mannen. Zo was het na Lugard steeds gegaan. Haar glimlachjes en wulpse blikken hadden hen tweemaal kamers bezorgd waar de herbergier aanvankelijk nee had verkocht, plus een lagere rekening die twee keer en daarna in drie andere herbergen. Bovendien hadden ze voor twee nachten een schuur opgeleverd, toen ze meenden onder de struiken te moeten slapen. Ze had er ook voor gezorgd dat het viertal door een boerenvrouw met een riek was weggejaagd en dat een andere boerin een ontbijtbord met pap naar hun hoofd had geslingerd. Leane had dat als enige heel grappig gevonden. De laatste paar dagen reageerde Logain echter niet meer zo als andere mannen die Leane iets langer aankeken. Hij reageerde nergens meer op, niet op haar, niet op iets anders. Siuan stuurde Bela stijf terug, met de ellebogen naar buiten, en voortdurend de indruk gevend dat ze er het volgende ogenblik af zou vallen. Zij voelde ook niets van de hitte. ‘Heb je vandaag een visioen van hem gehad?’ Ze keek amper naar de man. ‘Nog steeds hetzelfde,’ zei Min geduldig. Net als Leane weigerde Siuan haar te geloven of het van haar aan te nemen, hoe vaak ze het ook zei. Als ze de aura niet meer had gezien na die eerste keer in Tar Valon, had het er niets toe gedaan. Als Logain op de weg had gelegen, een doodskreet in zijn keel, zou ze alles wat ze had en nog meer op een wonderbaarlijk herstel durven verwedden. Het onverwacht verschijnen van een Aes Sedai die hem zou helen. Iets. Wat ze zag was altijd waar. Het gebeurde altijd. Ze wist het op dezelfde manier als ze had geweten dat ze wanhopig verliefd op Rhand Altor zou worden toen ze voor het eerst de beelden bij hem zag; en net zo wist ze dat ze hem met twee andere vrouwen zou moeten delen. Logain was voorbestemd voor roem, waar weinig mannen van durfden dromen.
‘Sla die toon niet tegen me aan,’ zei Siuan en haar blauwe ogen werden scherp. ‘Het is al erg genoeg dat we deze grote harige karper met een lepeltje moeten voeden zonder dat jij zo narrig wordt als een vis vogel in de winter. Met hem moet ik geduld hebben, meisje, maar als jij ook nog moeilijk gaat doen, zul je het heel gauw berouwen. Begrijp je me?’
‘Ja, Mara.’ Je had er iets van hoon in kunnen leggen, dacht ze kwaad. Je hoeft niet zo mak te zijn als een schaap. Je hebt het Leane ook midden in het gezicht gezegd. De Domani-vrouw had voorgesteld dat ze het besprokene zou oefenen op een hoefsmid in het vorige dorp. Een lange knappe man met sterke handen en een trage glimlach, maar toch... ik zal proberen niet narrig te doen.’ Het ergste was dat ze het heel oprecht wilde zeggen. Siuan speelde dat altijd klaar. Min kon zich in de verste verten niet voorstellen dat ze met Siuan besprak hoe ze naar een man moest glimlachen. Siuan zou een man recht in de ogen kijken, hem zeggen wat hij had te doen en erop rekenen dat het prompt werd uitgevoerd. Op dezelfde manier als ze met ieder ander deed. Was dat niet het geval, zoals nu bij Logain, dan kwam dat alleen omdat haar zaak niet belangrijk genoeg was om door te drukken.
‘Het is niet ver meer, wel?’ zei Leane bruusk. Haar andere stem bewaarde ze voor de mannen, ik vind dat hij er niet goed uitziet en als we nog een lange nacht onderweg zijn... Als hij ook maar iets minder meegaand is dan vanmorgen, weet ik niet eens of we hem wel in het zadel kunnen hijsen.’
‘Niet zo ver meet; als mijn laatste aanwijzingen kloppen.’ Siuan klonk geërgerd. Ze had in het dorp waar ze twee dagen geleden doorheen waren gereden, navraag gedaan – zonder dat Min het natuurlijk mocht horen, en Logain had er geen enkele belangstelling voor maar ze wilde er niet aan terugdenken. Min kon niet begrijpen waar om. Siuan kon toch nauwelijks verwachten dat Elaida hen achter volgde.
Zij hoopte zelf ook dat het niet meer zo lang zou duren. Het was vervelend niet te weten hoe ver ze naar het zuiden waren getrokken, nadat ze de hoofdweg naar Jehanna hadden verlaten. De meeste dor pelingen kenden wel de stadjes in de buurt, maar hadden slechts een vaag besef hoe hun dorp lag ten opzichte van al het andere. Toen ze de Manetherendrelle overstaken en in Altara belandden, vlak voor Siuan hen van de drukke weg af leidde, had de grijze oude pontbaas om de een of andere reden een gehavende landkaart bekeken, een kaart waarop zelfs de Mistbergen stonden. Tenzij ze het verkeerd schatte, zouden ze over niet al te veel spannen een tweede brede rivier bereiken. Ofwel de Boern, wat betekende dat ze in Geldan waren, waar de Profeet en zijn gepeupel zich bevonden, ofwel de Eldar, met aan de andere kant Amadicia en de Witmantels. Ze verwachtte dat het Geldan zou worden, Profeet of geen Profeet, maar zelfs het feit dat ze daar zo vlakbij waren, was een verrassing. Alleen een dwaas zou denken dat hij een grote groep Aes Sedai veel dichter bij Amadicia zou vinden dan waar ze moesten zijn, en Siuan Sanche was dat zeker niet. Of ze nu in Geldan of in Altara waren, Amadicia lag niet veel spannen verder.
‘Het stillen krijgt nu lichamelijke gevolgen,’ mompelde Siuan. ‘Als hij het nu nog maar enkele dagen uithoudt-...’ Min hield haar mond stijf dicht. Wanneer de vrouw niet wilde luisteren, had het geen zin iets te zeggen.
Hoofdschuddend spoorde Siuan Bela aan weer voorop te rijden, de teugels vastklemmend alsof ze dacht dat de merrie elk ogenblik wil de bokken en Leane mat zich weer haar zijdezachte stem aan om Logain wat aan te moedigen. Misschien voelde ze wel wat voor hem; het was geen vreemdere keus dan Min had gemaakt. Beboste heuvels doemden op en verdwenen zonder dat er iets ver anderde aan het soort bomen, struiken, doorns en planten. De varens die de vroegere weg aangaven, strekten zich pijlrecht voor hen uit. Leane had verteld dat de grond op de plaats waar de weg was geweest anders was, alsof Min dat had moeten weten. Eekhoorns met pluimoortjes kwetterden soms tegen hen vanaf een tak en zo nu en dan zong een vogel. Min had geen enkel idee wat voor soort vogels het waren. Baerlon was vergeleken met Caemlin, Illian of Tyr dan wel geen stad, maar Min voelde zich een stadsvrouw. Een vogel was een vogel. En het kon haar geen zier schelen in wat voor soort grond varens groeiden.
Haar twijfel leefde weer op. Dat was haar na Korense Bronnen meer malen overkomen, maar in die dagen was het gemakkelijker geweest haar aarzeling te onderdrukken. Na Lugard waren de twijfels vaker naar boven geborreld en ze merkte dat ze over Siuan nadacht op een manier waar ze vroeger nooit de moed voor zou hebben gehad. Niet dat ze zou proberen om Siuan erover aan te spreken, natuurlijk niet; ze voelde zich ellendig dat ze het toegaf, zelfs tegenover zichzelf. Maar misschien wist Siuan niét waar ze heen gingen. Ze kon liegen omdat het sussen haar binding met de Drie Geloften had verbroken. Misschien hoopte ze alleen dat ze, als ze bleef zoeken, een of ander spoor zou ontdekken van wat ze wanhopig graag wilde vinden. Op een simpeler wijze, maar zeker merkwaardig, was Leane begonnen haar eigen leven op te bouwen, los van de zorgen over macht, de Ene Kracht en Rhand. Niet dat ze die geheel links liet liggen, maar voor Siuan bestond er volgens Min niets anders. De Witte Toren en de Herrezen Draak vormden de bouwstenen van haar leven en die zou ze vast blijven houden, zelfs als ze tegen zichzelf moest liegen. Het bos ging zo abrupt over in een dorp dat Min verrast rondstaar de. De bomen – ze herkende zoetgombomen, eiken en naaldstruiken – groeiden tot op vijftig pas van de rietgedekte huizen die van ronde rivierstenen waren gebouwd. Het dorp leek een deel van de lage heuvels te zijn en ze wilde er wat om verwedden dat het nog kort geleden door het bos was overwoekerd. Er stonden nog veel kleine boomgroepjes tussen de huizen en langs de muren, en hier en daar zag ze afgezaagde knoesten vlak voor een huis. De straten waren bedekt met nieuwe grond en vertoonden nog niet het platgetreden op pervlak dat na tientallen jaren door honderden voeten ontstaat. Mannen in hemdsmouwen legden nieuwe rieten daken aan op drie grote stenen vierkanten die vroeger herbergen moesten zijn geweest – één bezat nog een deel van het vergane, verweerde bord boven de deur – maar nergens was iets van oud riet te zien. Vergeleken met de mannen waren er veel te veel vrouwen en gezien het aantal vrouwen veel te weinig kinderen op straat. De geuren van middageten waren het enige gewone aan de plek.