Min vond de eerste aanblik al vreemd, maar toen ze eens goed keek, viel ze bijna uit het zadel. De jongere vrouwen, die bezig waren dekens uit te schudden uit een venster of haastig een bericht rond brachten, droegen eenvoudige wollen kleren, maar geen enkel dorp, hoe groot of klein ook, telde zoveel vrouwen in rijkleding van zijde of fijne wol, in iedere snit en stijl. Rond die vrouwen en rond de meeste mannen dreven aura’s en visioenen, veranderend en flikke rend. De meeste mensen hadden bijna nooit een visioen, maar Aes Sedai en zwaardhanden waren zelden zonder. De kinderen moesten van de bedienden van de Toren zijn. Er bestonden weinig getrouw de Aes Sedai, maar voor zover Min hen kende, zouden ze zich alle moeite getroosten hun dienaren met hun gezin mee te nemen uit elke plaats waarvan ze het idee hadden die te moeten ontvluchten. Siuan had haar bijeenkomst gevonden.
Er hing een griezelige stilte toen ze het dorp inreden. Niemand sprak een woord. Aes Sedai stonden roerloos toe te kijken, net als de jongere vrouwen en meisjes die de Novices en Aanvaarden moesten zijn. Mannen die kort ervoor als lenige wolven bezig waren, stonden verstard stil, met een hand onder het riet of in een deuropening, waar hun wapens ongetwijfeld waren neergelegd. De kinderen verdwenen, haastig weggeleid door volwassenen die de dienaren moesten zijn. Onder al die starende ogen wilden de haartjes achter in Mins nek rechtop gaan staan.
Leane leek verontrust en keek opzij naar de mensen langs wie ze reden, maar Siuans gezicht bleef kalm en gelijkmoedig, terwijl ze hen rechtstreeks naar de grootste herberg leidde, het gebouw met het on leesbare uithangbord. Ze klom van Bela af en bond haar vast aan de ijzeren ring van een stenen paal die nog maar pas leek te zijn neer gezet. Terwijl ze Leane bijstond om Logain uit het zadel te helpen Siuan stak nooit één hand uit om Logain op of af te laten stappen merkte Min dat haar ogen alle kanten op schoten. Iedereen bleef staren, niemand bewoog, ik had niet verwacht dat ik als een lang ver loren dochter zou worden begroet,’ mompelde ze tegen de andere vrouw, ‘maar waarom zegt niemand op z’n minst hallo?’
Voor Leane had kunnen antwoorden – als ze dat had willen doen zei Siuan: ‘Nou, hou niet op met roeien als je de kust in zicht hebt. Breng hem naar binnen.’ Ze verdween naar binnen, terwijl Min en Leane Logain nog aan het helpen waren. Hij liep gewillig mee, maar toen ze hem niet verder duwden, zette hij nog slechts een stap en bleef staan.
Nooit eerder had Min zo’n gelagkamer gezien. De brede haarden brandden natuurlijk niet en vertoonden gaten op plaatsen waar stenen waren verdwenen. Het gepleisterde plafond zag er zwart en ver rot uit, met zulke grote gaten dat het rietwerk erboven zichtbaar was. Niet bij elkaar passende tafels in alle soorten en maten stonden op een eeuwenoude vloer die door verschillende meisjes werd aangeveegd. Vrouwen met leeftijdloze gezichten bekeken papieren, gaven bevelen aan zwaardhanden, van wie er enkelen hun kleurverander de mantels droegen, of aan andere vrouwen, van wie sommigen Aan vaarden of Novices moesten zijn. Anderen waren daarvoor te oud, zowat de helft had grijs haar, dat duidelijk hun leeftijd toonde. Er waren ook mannen die geen zwaardhand waren. De meesten ver trokken met een papier, leverden een brief af of schonken wijn in voor de Aes Sedai. De drukte gaf een indruk van tevredenheid dat er iets werd gedaan. Aura’s en beelden dreven door het vertrek en omhulden hoofden. Het waren er zoveel dat Min probeerde ze te negeren voor ze haar overweldigden. Het was niet gemakkelijk, maar het was een kunstje dat ze had moeten leren als ze in het gezelschap was van meerdere Aes Sedai.
Vier Aes Sedai gleden naar voren om de nieuwkomers te begroeten, ondanks hun rijrok een en al keurige en koele waardigheid. Hun ver trouwde gezichten gaven Min de indruk weer thuis te komen nadat ze verdwaald was geweest.
Sheriams licht schuinstaande groene ogen keken Min onmiddellijk strak aan. Zilveren en blauwe stralen flitsten rond haar vuurrode haar in een zacht gouden licht. Min wist niet wat het betekende. Enigszins gezet in haar donkerblauwe zijden kleding was Sheriam op dit ogenblik een en al strengheid, ik zou veel blijer zijn om jou hier te zien, kind, als ik wist hoe je ons hier hebt ontdekt en waar je het dolgedraaide idee vandaan hebt om hem mee te nemen.’ Een hand vol zwaardhanden kwam aanslenteren, de handen op het gevest, de ogen scherp op Logain gericht, die hen geheel niet leek te zien. Min snakte naar adem. Waarom vroegen ze dat aan haar? ‘Mijn dol gedraai...’ Ze kreeg niet de kans meer te zeggen. ‘Het zou veel beter zijn,’ onderbrak de bleke Carlinya haar ijzig, ‘als hij, zoals de geruchten zeiden, was gestorven.’ Het was niet het ijzigevan kwaadheid maar het kille van nuchter denken. Ze was van de Witte Ajah. Haar ivoorkleurige gewaad zag er verfomfaaid uit. Min zag kort een beeld van een raaf naast haar donkere haren zweven, meer een tekening van de vogel dan de raaf zelf. Ze meende dat het een tatoeage was, maar wist niet wat het betekende. Ze keek alleen naar gezichten en probeerde niets anders te zien. ‘Hij ziet er in ieder geval bijna dood uit,’ vervolgde Carlinya, die amper adem haalde. ‘Wat je ook hebt bedacht, je inspanning is voor niets geweest. Maar ook ik zou willen weten hoe je in Salidar bent beland.’ Siuan en Leane bleven gewoon staan, keken elkaar besmuikt lachend aan, terwijl de ondervraging doorging. Niemand keurde het tweetal een blik waardig.
Mijrelle, donker en mooi, in groene zijde met op het lijfje borduur werk van schuine gouden strepen, haar gezicht volmaakt ovaal, toon de meestal een alles wetende glimlach die het bij tijden op kon nemen tegen Leanes nieuwste kunstjes. Er was echter geen glimlach te zien toen ze Min meteen na de Witte zuster aansprak. ‘Doe je mond open, Min. Sta daar niet als een uilskuiken.’ Ze was heetgebakerd, daar stond ze om bekend, zelfs onder de Groene zusters. ‘Je moet het ons zeggen,’ voegde Anaiya er vriendelijker aan toe. In haar stem zat echter iets van uitputting. Ze had onopvallende, moe derlijke trekken, ondanks de gladde Aes Sedai-huid, en streek langs haar grijze rok, waardoor ze op een moeder leek die probeerde niet meteen het rietje te pakken. ‘We zullen een plekje voor jou en die andere twee meisjes vinden, maar je moet ons vertellen hoe je ons hebt gevonden.’
Min kwam over de schok heen en deed haar mond dicht. Natuur lijk. Die andere twee meisjes. Ze was zo aan hun uiterlijk gewend geraakt dat ze er niet meer aan dacht hoe sterk ze waren veranderd. Ze betwijfelde of een van de andere vrouwen hen nog had gezien na dat ze naar de kerker onder de Witte Toren waren gesleept. Leane leek in lachen uit te barsten en Siuan schudde slechts vol afkeer haar hoofd over deze Aes Sedai.
‘Ik ben niet degene met wie jullie willen praten,’ zei Min tegen Sheriam. Die ‘twee andere meisjes’ mochten nu die Aes Sedai-ogen wel op zich gericht krijgen. ‘Vraag het Siuan of anders aan Leane.’ Ze staarden haar aan of ze gek was, totdat ze met haar hoofd naar de twee vrouwen wees.