Выбрать главу

‘Denk je dan dat we een groot krijgsheer nodig zullen hebben?’ vroeg Sheriam kalm.

Nuhel en Arinvar keken elkaar niet aan, maar Siuan had toch het gevoel dat ze een blik hadden uitgewisseld. ‘Het is uw beslissing, Sheriam,’ antwoordde Arinvar even kalm, ‘die van u en de andere zusters, maar als u van plan bent naar de Toren terug te keren, kunnen we hem gebruiken. Als u hier wilt blijven tot Elaida u komt halen, dan niet.’ Mijrelle keek Nuhel vragend aan, en hij knikte. ‘Het lijkt of je gelijk hebt, Siuan,’ merkte Anaiya zuur op. ‘We kunnen de gaidins niet voor de gek houden.’

‘De vraag is of hij bereid is ons te dienen,’ merkte Carlinya op. Morvrin beaamde dit en voegde eraan toe: ‘We moeten ervoor zorgen dat hij onze zaak zodanig opvat dat hij ons wil dienen. Het doet ons geen goed als, nog voor we zijn begonnen, bekend wordt dat we zo’n bekende man gevangen hebben genomen of gedood.’

‘Ja,’ gaf Beonin toe. ‘En we moeten hem een beloning geven die hem stevig aan ons bindt.’

Sheriam keek de mannen aan. ‘Wanneer heer Brin het dorp binnen rijdt, zeg dan niets tegen hem, maar breng hem hierheen.’ Zodra de deur zich achter de zwaardhanden sloot, kreeg ze die strenge blik op haar gezicht die Siuan herkende. Met diezelfde heldere, groene ogen knikten de knieën van de Novices al voor ze iets had gezegd. ‘Zo. Nu vertellen jullie ons nauwkeurig waarom Garet Brin hier is.’ . Ze hadden geen keus. Als ze ook maar op de kleinste leugen werden betrapt, zouden ze achter alles een vraagteken plaatsen. Siuan haal de diep adem. ‘We zochten onderdak voor de nacht in een schuur in Korense Bronnen, in Andor. Garet Brin is daar de landheer en...’

28

In de val

Een zwaardhand in een grijsgroene jas liep op Brin af zodra hij met Trekker langs de eerste stenen huizen van het dorp reed. Brin zou al na twee passen hebben gezien dat hij een zwaardhand was, ook zon der de Aes Sedai-gezichten die hem in de straten aankeken. Wat deden zoveel Aes Sedai hier, zo dicht bij Amadicia? De geruchten in de dorpen waar hij langs was gekomen, vertelden dat Ailron, en dus de Witmantels, deze oever van de Eldar op wilde eisen. De Aes Sedai konden zich goed verdedigen, maar als Nial een legioen over de rivier stuurde, zou een groot aantal van deze vrouwen sterven. Deze plaats werd nog geen twee maanden geleden door bos overwoekerd, tenzij hij niet meer kon zien hoelang een boomstronk aan de lucht was blootgesteld. Waar was Mara in verzeild geraakt? Hij wist zeker dat hij haar hier zou vinden; de dorpelingen herinnerden zich de drie knappe, jonge reizigsters, vooral doordat een van hen de weg had gevraagd naar een dorp dat sinds de Witmantel-oorlog verlaten was.

De zwaardhand, een grote man met een breed gezicht, aan zijn baard te zien een Illianer, plantte zich midden op straat voor Brins vosruin en maakte een buiging. ‘Heer Brin? Ik ben Nuhel Dromand. Als u met me mee wilt komen, zouden enkelen hier graag met u willen spreken.’

Brin stapte langzaam van het paard af, trok zijn handschoenen uit en stopte ze onder zijn zwaardriem, terwijl hij het dorp bekeek. De eenvoudige lichtbruine jas die hij aan had, was voor dit soort reizen niet veel beter dan de grijze zijden waarin hij was vertrokken en die hij had weggegeven. Aes Sedai, zwaardhanden en anderen hielden hem zwijgend in het oog, maar zelfs mensen die dienaren moesten zijn, keken niet verbaasd. En Dromand wist wie hij was. Zijn gezicht was niet onbekend, maar hij vermoedde dat er meer achter zat. Als Mara... als de vrouwen faktoors waren van de Aes Sedai, verander de dat niets aan de eed die ze hadden gezworen. ‘Gaat u voor, gaidin Nuhel.’ Als deze wijze van aanspreken Nuhel verraste, liet hij het niet merken.

Het gebouw waar Dromand hem heen voerde — wat vroeger een her berg was geweest – zag eruit als het hoofdkwartier tijdens een veld tocht. Er heerste veel haastige drukte. Als de Aes Sedai tenminste ooit een veldtocht hadden geleid. Hij zag Serenla al voor zij hem in de gaten kreeg. Ze zat in een hoekje bij een man; waarschijnlijk die Da lijn. Toen haar ogen op hem vielen, viel haar kin haast op tafel en ze gluurde naar hem vanuit haar ooghoeken alsof ze het niet kon geloven. Dalijn leek met open ogen te slapen en staarde in de leegte. Het leek of geen enkele Aes Sedai of zwaardhand hem opmerkte, ter wijl Dromand hem verder leidde, maar Brin had zijn landgoed en alle landerijen erom willen verwedden dat ieder van hen tienmaal zo veel had gezien als alle toekijkende knechten buiten. Hij had om moeten draaien en wegrijden, zodra hij had beseft wie er in dit dorp huisden.

Heel oplettend luisterde hij naar de zwaardhand die de zes zittende Aes Sedai voorstelde – alleen een dwaas was zorgeloos in het gezel schap van Aes Sedai. Hij maakte een buiging, maar zijn gedachten waren bij de twee jonge vrouwen die bij de muur van de pas schoon gemaakte haard stonden en er gekasteid uitzagen. De glimlach die de slanke Domani-kattenkop hem gaf, was voor de verandering meer beverig dan verlokkend. Mara was eveneens bevreesd – bang tot in haar botten, zou hij zeggen – maar haar blauwe ogen keken hem uit dagend aan. Dat meisje had de moed van een leeuwin. ‘Het doet ons genoegen u hier te mogen begroeten, heer Brin,’ zei de Aes Sedai met het vlammendrode haar. Ze was een tikkeltje gezet en haar ogen stonden iets schuin, maar ze was zo knap dat iedere man nogmaals zou kijken ondanks de Grote Serpent-ring aan haar rechterhand. ‘Wilt u ons zeggen wat u hierheen voert?’

‘Natuurlijk, Sheriam Sedai.’ Nuhel bleef naast hem staan, maar als hier één vrouw was die wegens hem de bescherming van een oude krijgsman nodig had, kon Brin zich niet voorstellen wie. Hij wist zeker dat ze het verhaal al kenden en al pratend werd dat door de gezichten voor hem bevestigd. Aes Sedai lieten nooit iets merken wat niet mocht worden gezien, maar minstens een van hen zou met haar ogen hebben geknipperd toen hij over de gezworen eden vertelde, tenzij ze het verhaal al van tevoren hadden gehoord. ‘Een afschuwelijk verhaal, heer Brin.’ Dat zei de vrouw die Anaiya heette. Ondanks haar leeftijdloze gezicht leek ze eerder op een blije, welgestelde boerenvrouw dan op een Aes Sedai. ‘Ja, ik ben verbaasd dat u hen, eedbreeksters, zo ver bent gevolgd.’ Mara’s lichte huid kleurde vuurrood. ‘Niettemin een zware eed, een die niet behoort te worden gebroken.’

‘Helaas,’ merkte Sheriam op, ‘kunnen wij voorlopig nog niet toe staan dat u ze meeneemt.’

Dus ze waren faktoors van de Aes Sedai. ‘Een zware eed die niet mag worden gebroken en toch bent u van plan hen te beletten die na te komen?’

‘Zij zullen hem nakomen,’ zei Mijrelle met een blik op het tweetal bij de haard, waardoor ze beiden nog rechter gingen staan, ‘en u mag ervan verzekerd zijn dat zij reeds betreuren te zijn gevlucht in plaats van zich aan hun eed te houden.’ Ditmaal werd Amena rood; Mara leek bereid rots stuk te bijten. ‘Maar we kunnen het nog niet toe staan.’ Geen enkele Ajah was genoemd, maar hij dacht dat de donkere knappe vrouw van de Groene was, terwijl de stevige vrouw met het ronde gezicht die als Morvrin was voorgesteld, waarschijnlijk een Bruine was. Misschien vanwege de glimlach die Mijrelle aan Dromand had geschonken toen die hem naar binnen bracht. En vanwegehet feit dat Morvrin ergens anders aan leek te denken. ‘Om u de waarheid te zeggen: ze hebben niet gezegd wanneer ze wilden dienen en ze zijn van nut voor ons.’

Dit was dwaas; hij kon zich beter verontschuldigen dat hij hen had lastig gevallen en afscheid nemen. En dat was ook dwaas. Voor Dromand hem op straat had aangesproken, had hij al geweten dat hij Salidar waarschijnlijk niet levend zou verlaten. Er waren waar schijnlijk wel vijftig zwaardhanden in het bos waar hij zijn mannen had achtergelaten, zo niet honderd. Joni en de anderen zouden fel weerstand bieden, maar hij had hen niet dit hele eind meegenomen om te sterven. Niettemin, zelfs al was hij een dwaas geweest door zich door een stel ogen in de val te laten lokken, dan kon hij de laatste span er ook nog wel bij pakken. ‘Brandstichting, diefstal en mis handeling, Aes Sedai. Dat waren de misdaden. Zij zijn berecht, ver oordeeld en hebben een eed afgelegd. Ik heb er echter geen bezwaar tegen hier te blijven tot u met ze klaar bent. Mara kan mijn lijfeigene zijn, wanneer u haar niet nodig hebt. Ik zal de tijd die ze voor mij werkt, bijhouden en die van haar dienst aftrekken.’ Mara wilde al boos iets terugzeggen, maar zes paar ogen draaiden zich tegelijk naar haar toe, alsof de vrouwen hadden geweten dat ze iets wilde opmerken. Ze bewoog haar schouders, sloot meteen haar mond en keek hem toen woest aan, de vuisten gebald in haar zij. Hij was blij dat ze geen mes bij zich had.