Mijrelle leek op het punt te staan in lachen uit te barsten. ‘U kunt beter de andere kiezen, heer Brin. Als ik zie hoe zij naar u kijkt, zult u zich met haar veel meer... verwant voelen.’
Hij verwachtte min of meer een vuurrode blos bij Amena, maar die bleef uit. Ze keek hem... waarderend aan. Ze wisselde zelfs een glim lachje met Mijrelle uit. Nou ja, ze was per slot van rekening een Do mani en wellicht aanzienlijk meer dan tijdens hun laatste ontmoeting.
Carlinya, kil genoeg om de anderen warm te laten lijken, boog zich naar voren. Hij vertrouwde haar niet erg, evenmin als Beonin met haar grote ogen. Hij wist niet zeker waarom. Als hij zich hier in het Spel der Huizen bevond, zou hij echter zeggen dat beide vrouwen roken naar eerzucht. Misschien was hij daar inderdaad in terechtge komen.
‘U dient zich ervan bewust te zijn,’ zei Carlinya koel, ‘dat de vrouw die u als Mara kent in werkelijkheid Siuan Sanche is, de vroegere Amyrlin Zetel. Amena is Leane Sharif, de voormalige Hoedster van de Kronieken.’
Hij kon alleen nog voorkomen dat zijn mond als die van een boe renkinkel openviel. Nu hij het wist, kon hij het in Mara’s... Siuans gezicht zien. Een gezicht dat hem had doen inbinden, verzacht door de jeugd. Hij zei alleen: ‘Hoe?’ Het was het enige dat hij kon zeggen.
‘Er zijn dingen die niet alleen een man beter niet kan weten,’ antwoordde Sheriam koeltjes, ‘maar ook de meeste vrouwen.’ Mara – nee, hij kon net zo goed onder haar eigen naam aan haar denken – Siuan was gesust. Hij wist het. Het moest iets met sussen hebben te maken. Als die Domani met haar slanke hals de Hoedster was geweest, durfde hij er wat om te verwedden dat zij ook was gesust. Maar als je in aanwezigheid van Aes Sedai over sussen ging praten, bestond er grote kans dat je ontdekte hoe hard ze waren. Als ze bovendien geheimzinnig tegen je gingen doen, zouden Aes Sedai op de vraag of de hemel blauw was, nog geen rechtstreeks antwoord geven.
Die Aes Sedai, ze waren goed. Ze hadden hem in slaap gewiegd en hard toegeslagen toen hij niet meer op zijn hoede was. Hij had het ontmoedigende gevoel dat hij wist waarom ze hem meegaand maak ten. Hij zou graag willen horen of hij gelijk had. ‘Dat verandert niets aan de eed die ze hebben afgelegd. Ook als zij nog de Amyrlin en Hoedster waren geweest, kunnen ze door elke wet aan die eed worden gehouden, waaronder de wet van Tar Valon.’
‘Aangezien u geen bezwaar hebt hier te blijven,’ merkte Sheriam op, ‘kunt u Siuan als uw dienares krijgen wanneer we haar niet nodig hebben. Indien u dat wenst, kunt u ze alle drie hebben, onder wie Min, die u blijkbaar al die tijd hebt gekend als Serenla.’ Om de een of andere reden leek dat Siuan evenzeer te ergeren als hetgeen er over haar was gezegd. Ze stond in zichzelf te mopperen, te zacht om haar te kunnen verstaan. ‘En aangezien u geen bezwaren hebt, heer Brin, kunt u ons tijdens uw verblijf hier wellicht een kleine dienst bewijzen.’
‘De dankbaarheid van de Aes Sedai is niet onaanzienlijk,’ merkte Morvrin op.
‘U zult het Licht en de gerechtigheid dienen door ons bij te staan,’ voegde Carlinya eraan toe.
Beonin knikte en merkte ernstig op: ‘U hebt Morgase en Andor trouw gediend. Dien ons goed en u zult uiteindelijk geen verbanning onder ogen hoeven te zien. Wij zullen niets vragen dat tegen uw eer ingaat. Wij vragen niets dat Andor schaadt.’
Brins gezicht vertoonde een grimas. Hij was inderdaad in het Spel beland. Soms dacht hij dat de Aes Sedai Daes Dae’mar hadden uit gevonden, want ze leken het in hun slaap nog te spelen. Een veldslag was bloediger, maar wel eerlijker. Als ze hem aan een touwtje wilden leiden, dan trokken ze maar aan zijn touwtjes – dat zouden ze toch wel doen – maar het werd hoog tijd dat hij hen liet merken dat hij geen hersenloze pop was.
‘De Witte Toren is gebroken,’ zei hij op vlakke toon. De ogen van de Aes Sedai gingen verder open, maar hij gaf hun niet de kans wat te zeggen. ‘De Ajahs zijn verdeeld. Dat is de enige reden dat jullie hier zijn. Jullie hebben zeker niet meer zwaarden nodig,’ – hij keek naar Dromand, die hem een knikje gaf – ‘dus is de enige dienst die jullie van mij willen: een leger leiden. Er eerst een opbouwen, tenzij jullie elders kampementen hebben met veel meer mannen dan ik hier heb gezien. En dat betekent dat jullie van plan zijn Elaida te bestrijden.’ Sheriam keek verveeld, Anaiya bezorgd en Carlinya wilde al wat zeggen, maar hij ging door. Zij mochten nu luisteren, want hij verwachtte dat hij hen in de komende maanden nog heel vaak zou moeten aanhoren. ‘Goed dan, ik heb Elaida nooit zo erg gemogen en ik kan niet geloven dat ze een goede Amyrlin zal zijn. Belangrijker nog: ik kan een leger opbouwen dat Tar Valon kan innemen. Zo lang u begrijpt dat de strijd lang en hard zal zijn. Dit zijn echter mijn voorwaarden.’
Als één vrouw verstijfden ze, zelfs Siuan en Leane. Mannen stelden geen voorwaarden aan Aes Sedai.
‘Ten eerste: ik heb de leiding. U zegt me wat te doen, maar ik beslis hoe. U geeft mij de bevelen en ik geef ze door aan de soldaten onder mij, niet u. Tenzij ik er eerst mee heb ingestemd.’ Verschillende monden gingen open. Eerst die van Carlinya en Beonin, maar hij ver volgde: ‘Ik stel de mannen aan, ik bevorder ze en ze staan onder mijn gezag. Niet onder dat van u. Ten tweede: wanneer ik zeg dat iets on mogelijk is, overweegt u wat ik heb gezegd. Ik vraag dit niet om uw gezag te ondermijnen,’ – er was weinig kans dat ze dat zouden toe staan – ‘maar ik ben niet van plan mannen te verliezen omdat u weinig van oorlog weet.’ Het zou wel gebeuren, maar slechts eenmaal, als hij geluk had. ‘Ten derde: als u hiermee begint, dan gaat u ook door tot het einde. Ik steek mijn hoofd in een strop, en iedere man die mij volgt met mij, en indien u over een halfjaar besluit dat Elaida als Amyrlin te verkiezen valt boven oorlog, zult u die strop aan trekken voor ieder van ons die opgepakt zal worden. De naties zullen zich mogelijk buiten een burgeroorlog in Tar Valon houden, maar zij zullen ons niet in leven laten als u ons in de steek laat. Daar zal Elaida wel voor zorgen. Als u hier niet mee instemt, weet ik niet of ik u kan dienen. Ofwel u boeit me met de Ene Kracht, zodat Dromand hier mij de keel kan opensnijden, of ik word berecht en opgehangen, maar mijn einde blijft de dood.’
De Aes Sedai zeiden geen woord. Ze staarden hem lang aan, tot de jeuk tussen zijn schouderbladen hem deed afvragen of Nuhel klaar stond om er een dolk in te planten. Toen stond Sheriam op en de anderen volgden haar naar het raam. Hij kon hun lippen zien bewegen, maar hoorde niets. Als zij hun overleg achter de Ene Kracht wilden verbergen, dan mocht dat. Hij was niet zeker met welkewensen ze zouden instemmen. Met alles, als ze verstandig waren, maar Aes Sedai konden soms vreemde dingen verstandig vinden. Wat ze ook besloten, hij zou zo hoffelijk mogelijk moeten instemmen. Dit was een volmaakte val die hij voor zichzelf had opgesteld. Leane schonk hem een blik en een glimlach die even duidelijk als woorden zeiden dat hij nooit zou weten wat hij had gemist. Hij bedacht dat het een fijne jacht zou zijn geweest, waarbij hij om de tuin zou worden geleid. Domani’s beloofden altijd de helft van wat je dacht dat ze beloofden, gaven slechts zoveel als zij verkozen en konden hierover in een oogwenk van gedachten veranderen. Het lokaas in de val staarde hem onbewogen aan en schreed toen de gelagkamer door tot ze zo dicht bij hem stond dat ze haar hoofd ver achterover moest houden om hem aan te kijken. Zacht en woedend sprak ze: ‘Waarom heb je dit gedaan? Waarom ben je ons gevolgd? Vanwege die schuur?’