Выбрать главу

‘Vanwege de eed.’ Vanwege twee blauwe ogen. Siuan Sanche kon niet meer dan tien jaar jonger zijn dan hij, maar dié Siuan Sanche kon hij zich moeilijk herinneren, terwijl hij naar een gezicht keek dat bijna dertig jaar jonger was. De ogen waren echter dezelfde, diepblauw en sterk. ‘Een eed die je mij hebt gezworen en vervolgens hebt gebroken. Ik zou daarvoor je tijd moeten verdubbelen.’ Ze keek omlaag, sloeg haar armen over elkaar en gromde: ‘Daar is al voor gezorgd.’

‘Bedoel je dat ze je hebben gestraft voor eedbreuk? Als je daarvoor een pak op je billen hebt gehad, telt het niet, tenzij ik het doe.’ Dromands gegrinnik klonk niet echt geschokt – de man moest nog steeds verwerken wie Siuan was geweest. Brin betwijfelde of hij al wel zover was. Haar gezicht werd donker, tot hij meende dat ze een beroerte kreeg. ‘Mijn tijd is reeds verdubbeld, zo niet meer, hoop stinkend visafval! Jij en je opmerkingen over het bijhouden van de tijd! Nog geen uur zal tellen tot je ons alledrie weer op je landgoed hebt, niet als ik je... je... lijfeigene, wat dat ook is, voor twintig jaar moet zijn!’

Dus dit plan hadden ze ook beraamd, Sheriam en de anderen. Hij keek naar het groepje bij het raam. Ze leken verdeeld; Sheriam, Anaiya en Mijrelle tegenover Movrin en Carlinya, terwijl Beonin er tussenin stond. Ze waren vóór zijn binnenkomst al bereid geweest Siuan en Leane en... Min op te offeren, om hem om te kopen, of bij wijze van zoethoudertje. Ze waren wanhopig, wat betekende dat hij aan de zwakkere kant stond, maar misschien waren ze wel zó wanhopig dat ze bereid waren hem alles toe te staan om de overwinning te behalen. «

‘Dit vind je leuk, niet?’ zei Siuan woest zodra hij zijn ogen bewoog. ‘Vieze ouwe vent! Bloedvuur, zeurzieke dwaas. Nu je weet wie ik ben, doet het je plezier dat ik voor jou moet buigen en sloven.’ Ze wekte niet de indruk dat ze een van beide dingen al deed. ‘Waarom? Omdat ik je een keer uit Morland heb verdreven? Ben je zo klein, Garet Brin?’

Ze probeerde hem kwaad te krijgen. Het was tot haar doorgedrongen dat ze te veel had gezegd en ze wilde hem geen tijd geven om na te denken. Ze was misschien wel geen Aes Sedai meer, maar anderen naar haar hand zetten zat haar in het bloed. ‘Jij was de Amyrlin Zetel,’ zei hij kalm, ‘en zelfs een koning kust de ring van de Amyrlin. Ik kan niet zeggen dat ik jouw ingrijpen leuk vond en we moeten een keertje rustig bespreken of het noodzakelijk was te doen wat je hebt gedaan terwijl het halve hof toekeek, maar je herinnert je dat ik Mara Tomanes ben gevolgd en dat ik naar Ma ra Tomanes heb gevraagd. Niet naar Siuan Sanche. Omdat jij voortdurend het waarom wilt weten, wil ik dit weleens weten. Waarom was het zo belangrijk dat ik de Morlanders toestond over de grens aanvallen uit te voeren?’

‘Omdat door jouw ingrijpen belangrijke plannen konden mislukken,’ zei ze gespannen, waarbij ze ieder woord benadrukte. ‘Net zoals je optreden ten opzichte van mij dat nu kan doen. De Toren had uit gevonden dat een jonge heer in de grensstreek, Dulain genaamd, op een dag Morland met onze hulp werkelijk kon verenigen. Ik wilde toch niet de kans lopen dat jouw gardisten hem zouden doden. Ik heb hier werk te doen, héér Brin. Laat me dat doen en misschien zul je de overwinning proeven. Bemoei je ermee vanwege je grief en je zult alles verknoeien.’

‘Wat je werk ook mag zijn, ik weet zeker dat Sheriam en de anderen ervoor zullen zorgen dat je het doet. Dulain? Ik heb nooit van hem gehoord. Hij heeft nog weinig resultaat geboekt.’ Naar zijn mening zou Morland een lappendeken blijven van volkomen onafhankelijke heren en vrouwen tot het Rad verder draaide en er een nieuwe Eeuw kwam. Morlanders noemen zich eerst Lugarders of Mindeanen of hoe dan ook, voordat ze hun natie vermelden. Als ze al de moeite namen hun natie te noemen. Een heer die het land kon verenigen en Siuans lijn om zijn keel had, kon een behoorlijk aantal mannen laten uitrijden.

‘Hij... is gestorven.’ Er verschenen rode vlekjes op haar wangen en ze leek innerlijk verscheurd. ‘Een maand na mijn vertrek uit Caemlin,’ mopperde ze, ‘schoot een Andoraanse boer een pijl door hem heen terwijl hij schapen roofde.’

Hij moest lachen. ‘Je had de boeren moeten laten knielen, niet mij. Nou ja, je hoeft je nu niet meer met dat soort zaken bezig te hou den.’ Dat was in ieder geval waar. Waarvoor de Aes Sedai haar ook wilden gebruiken, ze zouden haar nooit meer macht geven of beslis singen laten nemen. Hij voelde medelijden met haar. Hij kon zich niet voorstellen dat deze vrouw het voor haar dood op zou geven, maar ze had alles verloren wat ze kon verliezen, behalve haar leven. Aan de andere kant vond hij het niet prettig een vieze, oude vent te worden genoemd of een hoop stinkend visafval. Wat was dat andere ook weer? Een zeurzieke dwaas. ‘Van nu af aan kun je je bezig houden met het schoonmaken van mijn laarzen en het opmaken van mijn bed.’

Haar ogen knepen zich samen tot spleetjes. ‘Als je dat wilt, héér Garet Brin, dien je Leane te kiezen. Zij is misschien dwaas genoeg.’ Nog maar net kon hij voorkomen dat zijn mond openviel. De ma nier waarop vrouwen dachten, verbaasde hem steeds weer. ‘Je hebt gezworen mij te dienen op de wijze die ik verkies.’ Hij kon enig gegrinnik opbrengen. Waarom deed hij dit? Hij wist wie ze was en wat ze was. Maar die ogen lieten hem niet los, uitdagend kijkend, ook al wist ze dat er weinig hoop was, net als nu. ‘Je zult ontdekken wat voor man ik ben, Siuan.’ Hij wilde haar wat geruststellen na zijn grapje, maar aan de manier waarop haar schouders verstrakten te zien, leek ze het als een dreigement op te vatten. Plotseling besefte hij dat hij de Aes Sedai kon horen, een zacht gemompel, dat meteen stilviel. Ze stonden bij elkaar en staarden hem ondoorgrondelijk aan. Nee, Siuan. Hun ogen volgden haar toen ze naar Leane, naar haar oude plekje, terugliep. Alsof ze hun druk voel de, kwam iedere stap wat sneller dan de vorige. Toen ze zich naast de haard omdraaide, vertelde haar gezicht evenveel als dat van hen. Een opmerkelijke vrouw. Hij betwijfelde of hij het in haar plaats even goed zou hebben gedaan.

De Aes Sedai stonden te wachten tot hij naar hen toe kwam. Sheriam zei: ‘Wij aanvaarden uw voorwaarden zonder beperkingen, heer Brin, en beloven ons hieraan te houden. Ze zijn heel redelijk.’ Carlinya keek niet alsof zij ze echt redelijk vond, maar dat kon hem niet schelen. Behalve zijn laatste voorwaarde, dat zij het in tijden van nood niet halverwege mochten opgeven, had hij op de andere twee punten willen inbinden.

Hij knielde neer, zijn rechtervuist op het stuk tapijt neerzettend, en ieder legde haar hand op zijn gebogen hoofd. Hij gaf er niet om of ze de Kracht gebruikten om hem aan zijn eed te binden of om zijn geest op waarheid te beproeven – hij wist niet zeker of ze een van beide dingen konden, maar wie wist wat Aes Sedai konden? – en als ze iets anders bedoelden, kon hij er nu niets meer aan doen. In de val door een paar ogen, als een ganzerik van een dorpsjongetje. Hij was een zeurzieke dwaas. ‘Ik beloof en zweer dat ik u trouw zal dienen tot de Witte Toren u behoort...’

Hij was reeds plannen aan het maken. Thad en misschien een stel zwaardhanden de rivier over om te zien waarmee de Witmantels bezig waren. Joni, Barim en een paar anderen naar Ebo Dar. Dan zou Joni niet iedere keer zijn tong inslikken als hij naar ‘Mara’ en ‘Amena’ keek. Iedere uitgezonden man wist hoe hij soldaten kon werven. ‘... dat ik uw leger zal opbouwen en leiden naar mijn beste vermogen...’

Toen het zachte gemompel in de gelagkamer wegstierf, keek Min op van de patronen die ze gedachteloos met haar in de wijn gedoopte vinger op het tafelblad schetste. Logain bewoog ook, verwonderlijk, maar slechts om naar de mensen in het vertrek te kijken of misschien door hen heen; het was moeilijk te zeggen.

Garet Brin en de grote Illiaanse zwaardhand kwamen het eerst de achterkamer uit. In de afwachtende stilte hoorde ze Brin zeggen: ‘Zeg dat een taveernemeid uit Ebo Dar jou heeft gestuurd, anders zetten ze je hoofd op een staak.’