Выбрать главу

De Illianer lachte bulderend. ‘Ebo Dar. Een gevaarlijke stad.’ Hij trok zijn leren handschoenen onder zijn zwaardriem vandaan en liep de straat op, terwijl hij ze aantrok. Het geroezemoes begon weer bij Siuans verschijnen. Min kon niet horen wat Brin tegen haar zei, maar ze beende inwendig snauwend achter de zwaardhand aan. Min kreeg het ontmoedigende gevoel dat de Aes Sedai hadden besloten die dwaze eed ogenblikkelijk gestand te doen, een eed waar Siuan zo trots op was geweest. Als ze zichzelf kon wijsmaken dat de twee zwaardhanden die tegen de muur leun den, het niet zouden merken, zou ze in een mum van tijd naar buiten schieten en in Wilderoos’ zadel springen.

Sheriam en de andere Aes Sedai kwamen er als laatsten uit, samen met Leane. Mijrelle liet Leane aan een tafel zitten en ging iets met haar bespreken, terwijl de anderen rondliepen en bij iedere Aes Sedai bleven praten. Wat ze zeiden, bracht van alles teweeg: van regelrechte schok tot blijde verrassing, ondanks hun befaamde kalm te.

‘Blijf hier,’ zei Min tegen Logain, en ze schoof haar gammele stoel achteruit. Ze hoopte dat hij geen moeilijkheden zou veroorzaken. Hij zat een voor een de gezichten van de Aes Sedai op te nemen en leek meer te zien dan gedurende alle afgelopen dagen bij elkaar. ‘Blijf hier aan tafel zitten tot ik terug ben, Dalijn.’ Ze was het nog niet gewend bij mensen te zijn die hun echte namen kenden. ‘Alsjeblieft.’

‘Ze heeft me aan de Aes Sedai verkocht.’ Het was een schok hem te horen praten nadat hij dagenlang had gezwegen. Hij huiverde en knikte, ik blijf hier.’

Min aarzelde, maar als twee zwaardhanden hem niet konden tegen houden als hij iets dwaas wilde doen, zou een vertrek vol Aes Sedai dat zeker wel kunnen. Toen ze in de deuropening stond, werd een knokige vosruin weggeleid door een man die leek op een paarden knecht. Brins paard, nam ze aan. Hun eigen rijdieren waren nergens te zien, wat aan haar ontsnappingsplannen een eind maakte. Ik doe die bloedeed gestand! Ik doe het. Maar ze kunnen me nu niet van Rhand weghouden! Ik heb gedaan wat Siuan wilde. Ze moeten me naar Rhand laten gaan. Het enige probleem was dat de Aes Sedai voor zichzelf, maar gewoonlijk evenzeer voor andere mensen beslisten wat ze moesten doen.

Siuan liep haar bijna omver, toen ze nors kijkend terugkwam, een dekenrol onder haar arm en de zadeltassen over haar schouder. ‘Let op Logain,’ siste ze stil terwijl ze doorliep. ‘Laat niemand met hem praten.’ Ze liep naar de trap, waar een grijsharige dienstmeid Brin voorging naar boven en ze sloot zich achter hen aan. Uit de blik die Siuan op zijn rug wierp, maakte ze op dat hij het Licht mocht ver zoeken dat ze geen mes zou trekken.

Min glimlachte naar de lange, slanke zwaardhand die haar naar de deur was gevolgd. Hij stond tien voet verderop, amper naar haar kijkend, maar ze verbeeldde zich niets. ‘We zijn gasten nu. Vrienden.’ Hij glimlachte niet terug. Bloedvent met zijn steenkop. Waarom konden ze niet laten merken wat ze dachten?

Logain zat nog steeds naar de Aes Sedai te kijken toen ze bij het tafeltje terug was. Siuan had een goed ogenblik gekozen om hem te vertellen dat hij zijn mond moest houden, net nu hij weer iets van leven begon te vertonen. Ze moest met Siuan praten. ‘Logain,’ zei ze zachtjes, in de hoop dat de zwaardhanden bij de muur haar niet konden horen. Ze hadden zich, sinds ze daar waren gaan staan, schijn baar niet meer bewogen, nog niet om adem te halen, behalve degene die haar was gevolgd. ‘Ik denk dat je niets moet zeggen tot Mara je heeft verteld wat ze van plan is. Tegen niemand.’

‘Mara?’ Hij keek haar somber spottend aan. ‘Je bedoelt Siuan Sanche?’ Dus hij herinnerde zich wat er tijdens zijn afwezige toestand was gezegd. ‘Zie jij iemand hier die met me wil praten?’ Hij hervat te zijn gefronst rondkijken.

Niemand keek alsof ze met een gestilde valse Draak wilde praten. Afgezien van de twee zwaardhanden leek niemand hem één gedachte te gunnen. Als ze niet beter had geweten, zou ze hebben gezegd dat de Aes Sedai in het vertrek heel opgewonden waren. Ze hadden eerder niet lusteloos geleken, maar waren nu veel levendiger, spraken in kleine groepjes met elkaar en gaven bruusk hun bevelen aan de zwaardhanden. De papieren waar ze het eerst zo druk mee had den, leken vergeten. Sheriam en de anderen die Siuan hadden mee getroond, waren naar de achterkamer teruggekeerd. Leane had nu echter twee schrijfsters bij haar tafeltje en beide vrouwen schreven zo snel ze konden. Een gestage stroom Aes Sedai kwam de gelagkamer binnen, verdween achter de ruwhouten deur en kwam niet te rug. Wat daarbinnen ook was voorgevallen, Siuan had hen zeker in beweging gezet.

Min had graag gewild dat Siuan aan hun tafeltje was komen zitten, of nog beter, ergens een tijdje met haar alleen had kunnen zijn. On getwijfeld mepte ze nu Brin met zijn zadeltassen op zijn hoofd. Nee, tot zoiets zou Siuan zich niet verlagen, al had ze hem nog zo woest aangekeken. Brin was geen Logain, overtrof hem in leven, in alle gevoelens. Het was Logain een tijdlang gelukt door pure grootte Siuan te overheersen. Brin was kalm, beheerst, zeker geen kleine man, maar nauwelijks overheersend. Ze wilde de man die ze zich herin nerde uit Korense Bronnen niet als vijand, maar ze dacht niet dat hij het lang zou uithouden bij Siuan. Misschien meende hij dat ze haar tijd als dienstmeid uit zou dienen, maar Min twijfelde er niet aan wie uiteindelijk zou doen wat de ander wilde. Ze moest met de vrouw over hem praten.

Alsof Mins gedachten haar hadden geroepen, kwam Siuan de treden aflopen met een rol witgoed onder de arm. Afstampen was een beter woord. Als ze een angel had gehad, zou die nu rondzwiepen. Ze bleef even Min en Logain aanstaren en beende toen naar de deur achterin.

‘Blijf hier,’ waarschuwde Min Logain. ‘En zeg alsjeblieft niets tot... Siuan met je heeft gepraat.’ Ze moest eraan wennen mensen weer met hun goede naam aan te spreken. Hij keurde haar geen blik waardig.

Ze haalde Siuan halverwege de keuken in. Het geluid van gekletter en gespat van pannen die werden geboend en afgewassen, dreef door de spleten van de keukendeur.

Siuans ogen sperden zich geschrokken wijd open. ‘Waarom ben je niet bij hem? Leeft hij nog?’

‘Hij blijft eeuwig leven voor zover ik kan zien, Siuan. Niemand wil met hem praten. Maar ik wel met jou.’ Siuan legde de rol witte kleren in haar handen. Hemden. ‘Wat is dit?’

‘Het bloedwasgoed van heer Garet Brin,’ snauwde de andere vrouw. ‘Aangezien jij ook een van zijn dienstmeiden wordt, kun je ze gaan wassen. Ik moet vóór ieder als eerste met Logain spreken.’ Min pakte haar bij de arm voor ze langs haar heen had kunnen schuiven. ‘Hiervoor heb je wel even tijd. Luister. Toen Brin binnenkwam, had ik een visioen. Een aura van een stier die rozen om zijn nek weg beet, en... Het andere is onbelangrijk, alleen zijn aura telt. Ook die heb ik niet helemaal begrepen, maar wel beter dan al het andere.’

‘Hoeveel heb je ervan begrepen?’

‘Als je in leven wilt blijven, kun je maar beter in zijn buurt blijven.’ Ondanks de hitte huiverde Min. Ze had slechts één keer eerder een visioen gehad met een ‘als’ erin en beide ‘alsen’ waren in beginsel dodelijk. Het was soms al erg genoeg dat ze wist wat er ging gebeuren, maar als ze ging zien wat er misschien... ‘Ik weet alleen dit: als hij bij jou blijft, blijf je leven. Als hij te ver en te lang weggaat, sterven jullie. Jullie beiden. Ik snap niet hoe ik iets van jou in zijn aura kon opvangen, maar je leek er bijna deel van uit te maken.’

Siuans glimlach had een peer kunnen schillen, ‘Ik zou nog liever weg varen in een boot vol rotte palingen van een halve maand oud.’ ik had nooit gedacht dat hij ons zou volgen. Dragen de Aes Sedai ons op om met hem mee te gaan?’

‘O nee, Min. Hij gaat onze legers naar de overwinning voeren. En mij een leven geven als in de Doemkrocht. Dus hij gaat mijn leven redden, nietwaar? Ik weet niet of het dat waard is.’ Ze haalde diep adem en streek haar rok glad. ‘Wanneer je dit gewassen en gestreken hebt, breng je ze naar mij. Ik breng ze naar boven. Je kunt voor je gaat slapen zijn laarzen schoonmaken. We hebben een kamer, een kippenhok, vlak naast de zijne, zodat we in de buurt zijn als we zijn kussen moeten opschudden.’ Ze was weg voor Min nee had kunnen zeggen.