‘Het spijt me,’ zei hij onnadenkend en ze keek hem bevreemd aan. Ze wist het natuurlijk niet; hij had het niet rondverteld. De rimpelingen die zich rond hem als ta’veren verspreidden, veroorzaakten vreemde toevallige gebeurtenissen. Zelfs de Aiel zouden minstens tien span van hem vandaan blijven als ze dat wisten. Vandaag was de grond onder drie Steenhonden ingezakt, waardoor ze in een slangenkuil waren gevallen, maar alle giftanden hadden zich alleen in hun kleren vastgebeten. Hij wist dat hij het toeval beïnvloedde. Tal Nethin, de zadelmaker, had Taien overleefd, maar was die middag over een steen gestruikeld en had op vlak gras zijn nek gebroken. Rhand vreesde dat dat ook door hem was gekomen. Daar stond weer tegenover dat Bael en Jheran de bloedvete tussen de Shaarad en de Goshien hadden beëindigd toen hij met hen opliep en ze een middagmaal van gedroogd vlees aten. Ze mochten elkaar nog steeds niet en leken amper te vatten wat ze hadden klaargespeeld, maar het was gedaan, met plechtige beloften en de watereed, waar bij ze uit eikaars beker hadden gedronken. Voor de Aiel woog de watereed zwaarder dan elke andere eed en het zou nog vele geslachten duren voor de Shaarad en de Goshien weer op eikaars geiten, schapen of vee zouden jagen.
Hij had zich al afgevraagd of die toevalligheden ook in zijn voordeel konden werken en misschien was dit best mogelijk. Wat er die dag nog meer was gebeurd dat op zijn kerfstok kon worden bijgeschre ven, wist hij niet. Hij had het niet gevraagd en wilde het ook liever niet vernemen. De Baels en Jherans konden de Tal Nethins amper goedmaken.
‘Ik heb Enaila en Adelin al enkele dagen niet meer gezien,’ zei hij om maar wat te zeggen. Vooral die twee waren erop gespitst als zijn lijf wacht te kunnen dienen. ‘Zijn ze ziek?’
De blik die Sulin hem nu toewierp, was zo mogelijk nog vreemder. ‘Ze zullen terugkeren wanneer ze hebben geleerd niet meer met poppen te spelen, Rhand Altor.’
Hij deed zijn mond open en sloot hem weer. Aiel waren vreemd – de lessen van Aviendha maakten hen eerder vreemder dan vertrouwd maar dit was belachelijk. ‘Nou, zeg maar tegen ze dat ze volwassen vrouwen zijn en dat ze zich ernaar hebben te gedragen.’ Zelfs in het maanlicht kon hij zien dat ze gelukkig glimlachte. ‘Het zal gebeuren zoals de car’a’carn verlangt.’ Wat had dat nou weer te betekenen? Ze nam hem even op en kneep de lippen nadenkend samen. ‘Je hebt vanavond nog niet gegeten. Er is nog genoeg eten over voor iedereen en je zult geen maag méér voeden door zelf honger te lijden. Als je niet eet, zullen mensen vrezen dat je ziek bent. Je zult ziek worden.’
Hij lachte zachtjes, schor en hees. Het ene moment de car’a’carn, het volgende moment... Als hij niet iets te eten haalde, zou Sulin het waarschijnlijk voor hem halen. En het hem persoonlijk voeren, ik ga eten. Moiraine zal nu wel onder de wol liggen.’ Ditmaal was haar bevreemde blik bevredigend; eindelijk had hij iets gezegd dat ze niet begreep.
Toen hij zijn voeten omlaag zwaaide, hoorde hij het getrappel van paardenhoeven op de straatweg naar de brug. Meteen stond iedere Speervrouwe rechtop, het gezicht gesluierd, de pijl half aangelegd. Als vanzelf ging zijn hand naar zijn zij, maar hij droeg geen zwaard. De Aiel vonden het al merkwaardig dat hij reed en dat ding aan zijn zadel droeg. Zoveel paarden waren het niet, en ze reden stapvoets. Toen ze verschenen, omringd door een vijftigtal Aiel, bleken het min der dan twintig ruiters te zijn die moedeloos in elkaar zaten gezakt. De meesten droegen helmen met kammen en Tyreense jassen met ruim vallende gestreepte mouwen onder hun metalen borstplaten.
Het voorste tweetal had fraai vergulde kurassen en hoge witte vederbossen aan de voorkant van hun helm bevestigd, en hun mouw strepen glinsterden als satijn in het maanlicht. Een handvol mannen in de achterhoede was kleiner en magerder dan de Tyreners, met twee kleine banieren, koins genaamd, aan korte staven aan hun rughar nas bevestigd. Ze droegen donkere jassen en helmen in de vorm van klokken, van voren open om het gezicht vrij te laten. De Cairhienin gebruikten de banier om hun aanvoerders en de eigen krijgslieden van een heer in een veldslag te kunnen vinden. De Tyreners met de pluimen staarden met grote ogen naar hem en keken elkaar geschrokken aan. Toen klauterden ze van hun paarden om met de helm onder de arm voor hem neer te knielen. Ze waren jong, iets ouder dan hij, beiden met donkere baarden die in spitse punten waren geknipt in de stijl van Tyreense edellieden. Er zaten deuken in hun kurassen en het verguldsel was beschadigd. Ergens hadden ze het zwaard met andere moeten kruisen. Het tweetal keek geen enkele keer naar de hen omringende Aiel, alsof ze zouden ver dwijnen als zij hen negeerden. De Speervrouwen ontsluierden zich, hoewel ze zich nog steeds klaar hielden om een speer of een pijl door de geknielde mannen heen te jagen.
De Tyreners werden gevolgd door Rhuarc en een wat jongere en langere Aiel met grijze ogen die zich terzijde hield. Mangin was van de Jindo Taardad en had aan de verovering van de Steen van Tyr deel genomen. De Jindo hadden de ruiters opgevangen. ‘Mijn Heer Draak,’ zei de gezette jongeheer met roze wangetjes, ‘bloedvuur, houden ze U ook gevangen?’ Zijn metgezel had flaporen en een aardappelneus, waardoor hij er ondanks zijn baard als een boer uitzag. Hij bleef zenuwachtig zijn sluike haren van zijn voor hoofd vegen. ‘Ze zeiden dat ze ons naar een kerel van de dageraad brachten. De car’a’carn. Betekent zoiets als opperhoofd, als ik me goed herinner wat mijn leraar me vertelde. Vergeef me, mijn Heer Draak. Ik ben Edorion van Huis Selorna en dit is Estean van Huis Andiama.’
‘Ik ben Hij die komt met de dageraad,’ vertelde Rhand hun kalm. ‘En de car’a’carn.’ Hij wist weer wie ze waren: jonge heren die hun tijd al drinkend en dobbelend hadden doorgebracht en op vrouwen hadden gejaagd toen hij in de Steen was. Esteans ogen vielen bijna uit hun kassen; Edorion keek heel even verbaasd en knikte toen langzaam alsof hij opeens begreep hoe het in elkaar stak. ‘Sta op. Wie zijn jullie Cairhiense metgezellen?’ Het zou belangwekkend zijn Cairhienin te ontmoeten die niet doodsbang op de vlucht sloegen bij het zien van Shaido of andere Aiel. Als ze zich in het gezelschap van Ed orion en Estean bevonden, waren het misschien wel de eerste aan hangers die hij hier tegenkwam. Als hun twee Tyreense vaders zijn bevelen hadden opgevolgd. ‘Breng ze hier.’
Estean knipperde verbaasd met zijn ogen toen hij opstond, maar Edorion wachtte amper, draaide zich om en riep: ‘Meresin! Daricain! Kom hier!’ Alsof hij zijn honden bij zich riep. De Cairhiense koins wipten op en neer toen ze langzaam afstegen. ‘Mijn Heer Draak.’ Estean aarzelde en likte zijn lippen af alsof hij dorst had. ‘Hebt u... Hebt u de Aiel bevolen Cairhien aan te vallen?’
‘Hebben ze de stad al aangevallen?’
Rhuarc knikte en Mangin zei: ‘Als we hen mogen geloven, houdt Cairhien stand. Drie dagen geleden tenminste nog wel.’ Ongetwijfeld geloofde hij dat het nu niet meer zo was en nog duidelijker was te horen dat hij geen zier gaf om de stad van de boomdoders. ‘Ik heb ze niet gestuurd, Estean,’ zei Rhand toen de twee Cairhien in zich bij hen voegden, neerknielden en hun helmen afnamen, waar door twee mannen zichtbaar werden van gevorderde leeftijd met een haarlijn die gelijk liep met hun oren. Ze hadden behoedzame donkere ogen. ‘De aanvallers van de stad zijn mijn vijanden, de Shaido. Ik ben van plan Cairhien te redden, als de stad gered kan worden.’ Hij moest de Cairhienin uitdrukkelijk vertellen dat ze op moesten staan. Na zo lang bij de Aiel te zijn geweest, was hij bijna vergeten dat ze aan deze kant van de Rug van de Wereld de gewoonte hadden met een buiging links en rechts van hem neer te knielen. Hij moest hun ook vragen zich voor te stellen en de Cairhienin deden dat zelf. Het waren twee onderkapiteins: heer Meresin van Huis Daganred en heer Daricain van Huis Annallin. Meresins koin bestond uit golvende rode en witte lijnen; de koin van de ander toonde alle maal rode en zwarte vierkantjes. Het was een verrassing dat ze heren waren. Hoewel in Cairhien heren het bevel voerden en het leger leidden, schoren ze nooit het hoofd en deden ze nooit dienst in het leger. Zo was het geweest; er was blijkbaar veel veranderd. ‘Mijn Heer Draak.’ Meresin struikelde bijna over die woorden. Hij en Daricain waren beiden bleke, slanke mannen met smalle gezichten en lange neuzen, maar hij was de zwaarste van de twee. Ze zagen er niet uit of ze de laatste tijd veel te eten hadden gekregen. Meresin sprak snel verder alsof hij bang was onderbroken te worden. ‘Mijn Heer Draak, Cairhien zal standhouden. Nog enkele dagen miscchien, mogelijk een dag of tien, twaalf, maar u dient zich te haasten als u Cairhien wilt redden.’