Выбрать главу

‘Daarom zijn we er weggegaan,’ zei Estean, die Meresin een donkere blik toewierp. Beide Cairhienin betaalden hem met gelijke munt terug, maar hun verzet had iets onderdanigs. Estean veegde de haar lokken op zijn voorhoofd opzij. ‘Om hulp te zoeken. Men heeft in alle richtingen mannen uitgezonden, mijn Heer Draak.’ Hij huiver de ondanks het zweet op zijn voorhoofd en zijn stem werd hol en ijl. ‘Onze groep was groter toen we vertrokken. Ik heb Baran krijsend zien vallen met een speer in zijn buik. Hij zal nooit meer een kaart bij het hakspel omkeren. Ik zou best een beker sterke brandewijn lus ten.’

Fronsend draaide Edorion zijn helm in zijn gehandschoende handen rond. ‘Mijn Heer Draak, de stad kan het nog even volhouden, maar als deze Aiel hier hen willen bevechten, blijft de vraag: kunt u ze daar bijtijds krijgen? Zelf denk ik dat tien of twaalf dagen een zeer ruime schatting is. Om u de waarheid te zeggen, ik ben alleen gekomen om dat ik vond dat de dood door een speer was te verkiezen boven gevangenschap, als ze over de muren kwamen. De stad zit vol mensen die zijn gevlucht voor de Aiel. In de hele stad is geen hond of duif meer te vinden en ik betwijfel of er nog ratten zijn. Het enige goede is dat niemand zich zorgen over de opvolger van de Zonnetroon lijkt te maken, nu die Couladin voor de poorten staat.’

‘Hij riep ons op de tweede dag toe onszelf over te geven aan Hij die komt met de dageraad,’ bracht Daricain naar voren, wat hem een scherpe blik van Edorion opleverde.

‘Couladin speelde met zijn gevangenen,’ zei Estean. ‘Net buiten het bereik van de bogen, maar iedereen op de muren kon het zien. Je kunt ze ook horen gillen. Het Licht brande mijn ziel, ik weet niet of hij probeert onze wilskracht te ondermijnen of het gewoon leuk vindt. Soms laten ze boeren naar de stad ontsnappen en doorboren hen met pijlen wanneer ze het bijna hebben gehaald. Alsof je in Cairhien nog redding zult vinden. Slechts boeren, maar...’ Zijn stem verflauwde en hij slikte alsof hij zich net had herinnerd wat Rhand vond van ‘slechts boeren’. Rhand keek hem aan en hij leek ineen te krimpen, binnensmonds iets mompelend over brandewijn.

Edorion maakte van de korte stilte gebruik. ‘Mijn Heer Draak, het punt is dat de stad stand kan houden als u vlug kunt komen. We hebben de eerste aanval alleen kunnen afslaan doordat Voorpoort in vuur en vlam stond...’

‘Het vuur breidde zich bijna tot de stad zelf uit,’ kwam Estean tussenbeide. De Voorpoort, een bijna zelfstandige stad rond de muren van Cairhien, bestond hoofdzakelijk uit houten gebouwen, wist Rhand nog. ‘Het zou een ramp zijn geworden als de rivier er niet was geweest.’

De andere Tyrener nam het ongevraagd over. ‘... maar heer Meilan heeft de verdediging goed opgezet en de Cairhienin hebben voorlopig eindelijk eens de ruggen gerecht.’ Dat leverde hem fronsende blikken op van Meresin en Daricain, die hij ofwel niet zag of verkoos te negeren. ‘Met een beetje geluk zeven dagen, op z’n best acht dagen. Als u...’ Een diepe zucht leek Edorions gezetheid opeens te vermin deren. ‘Ik heb geen enkel paard gezien,’ zei hij alsof hij in zichzelf sprak. ‘De Aiel rijden geen paard. U zult te voet nooit in staat zijn in zo’n korte tijd daar te komen.’

‘Hoelang?’ vroeg Rhand aan Rhuarc.

‘Zeven dagen,’ was het antwoord. Mangin knikte en Estean lachte. ‘Bloedvuur, te paard kostte het ons al zeven dagen om hier te komen. Als jullie denken te voet die afstand even snel te kunnen afleggen, dan zijn jullie...’ Hij besefte opeens dat de Aiel hem allemaal aankeken en veegde opnieuw het haar van zijn voorhoofd weg. ‘Is er geen brandewijn in de stad?’ mompelde hij.

‘Het gaat er niet om hoe snel wij zijn,’ zei Rhand kalm, ‘maar hoe snel jullie er kunnen zijn als je enkele mannen hier achterlaat, zodat je hun paarden als reserve kunt gebruiken. Ik wil Meilan en Cairhien laten weten dat er hulp onderweg is. Maar die boodschapper dient in staat te zijn te zwijgen als de Shaido hem gevangennemen. Ik ben niet van plan Couladin meer te vertellen dan hij uit zichzelf al te horen krijgt.’ Estean werd nog witter dan de Cairhienin. Meresin en Daricain vielen op hun knieën neer en beiden grepen Rhands hand voor een kus. Hij liet het toe, met zoveel geduld als hij kon opbrengen. Een van Moiraines lessen die hem aansprak, was de gewoonte mensen niet te schofferen, hoe vreemd of afschuwelijk ze ook waren, tenzij je niet anders kon en zelfs dan diende je nog goed na te denken.

‘We zullen gaan, mijn Heer Draak,’ zei Meresin ademloos. ‘Dank u, mijn Heer Draak. Dank u. Onder het Licht, ik zweer dat ik eerder zal sterven dan dat ik één woord onthul aan iemand anders dan mijn vader of hoogheer Meilan.’

‘Genade begunstige u, mijn Heer Draak,’ voegde de ander eraan toe. ‘Genade begunstige u en het Licht verlichte u voor altijd. Ik ben uw man, tot de dood.’ Rhand hoorde Meresin met dezelfde betuiging aan, voor hij zijn hand ferm lostrok en hen zei op te staan. Hij had een hekel aan de manier waarop ze hem aankeken. Edorion had hen als honden erbij geroepen, maar mannen hoorden niet iemand aan te kijken zoals een hondje zijn baas aanziet.

Edorion haalde diep adem, blies zijn wangen op en zei vervolgens langzaam: ‘Ik neem aan dat ik, als ik ongedeerd naar buiten kon komen, er ook weer binnen kan komen. Mijn Heer Draak, vergeef me als ik u beledig, maar zou u het erg vinden om... laten we zeggen... duizend goudkronen in te zetten dat u daar echt binnen zeven dagen zult zijn?’

Rhand staarde hem aan. Die man was even erg als Mart. ‘Ik heb nog geen honderd zilverkronen, laat staan duizend...’ Sulin onderbrak hem. ‘Hij heeft ze, Tyrener,’ zei ze ferm. ‘Hij neemt je weddenschap aan als je het tienduizend op het gewicht maakt.’ Edorion lachte. ‘Afgesproken Aiel. En het is me iedere penner waard als ik verlies. Nu ik eraan denk... als ik win kan ik de winst niet meer levend innen. Kom Meresin, Daricain.’ Het klonk of hij zijn honden gebood hem te volgen. ‘We stappen op.’

Rhand wachtte tot het drietal gebogen had en de halve afstand naar hun paarden overbrugd had, voor hij de witharige Speervrouwe aan sprak. ‘Wat bedoel je met dat ik duizend goudkronen bezit? Duizend kronen! Die heb ik van mijn leven nog nooit bij elkaar gezien, laat staan tienduizend kronen.’

De Speervrouwen keken elkaar aan alsof hij zwakzinnig was geworden, net als Mangin en Rhuarc. ‘Een vijfde deel van de schat in de Steen van Tyr behoort diegenen die de Steen innamen en zal op geëist worden wanneer ze hem kunnen vervoeren.’ Sulin deed of ze een kind de alledaagse feitjes van het leven bijbracht. ‘Als hoofd en veldslagaanvoerder behoort een tiende deel van het vijfde jou toe. Tyr heeft zich op grond van je overwinning aan jou als hoofd on derworpen, dus behoort je eveneens een tiende deel van Tyr toe. En je hebt gezegd dat we een vijfde van dit land mogen nemen, als... belasting, zoals je het noemt.’ Ze struikelde over het woord want de Aiel kenden geen belastingen. ‘Als car’a’carn krijg je nog een tien de.’