Rhand schudde zijn hoofd. Tijdens de vele gesprekken met Aviendha had hij er nooit aan gedacht of het vijfde deel ook op hem sloeg; hij was geen Aiel, car’a’carn of niet, en het had volgens hem niets met hem te maken. Nou ja, het was wel niet precies belasting, maar hij kon het gebruiken zoals een koning belastingen aanwendde. Jammer genoeg had hij geen flauw idee hoe dat ging. Hij zou het Moiraine moeten vragen, want dat was tijdens haar lessen nog niet aan de orde gesteld. Misschien lag het volgens haar zo voor de hand dat hij het behoorde te weten.
Elayne zou hebben geweten waar belastingen voor waren en het zou zeker veel leuker zijn geweest om van haar en niet van Moiraine die raadgevingen te krijgen. Hij zou graag willen weten waar ze nu was. Waarschijnlijk nog steeds in Tanchico. Egwene had hem weinig meer toevertrouwd dan een stroom van groeten. Hij wilde graag ergens met Elayne praten om haar te vragen die twee brieven uit te leggen. Speervrouwe of erfdochter van Andor, vrouwen waren vreemd. Af gezien van Min natuurlijk. Ze had hem wel uitgelachen, maar ze had hem nooit laten denken dat hij een of andere vreemde taal sprak. Nu zou ze niet meer lachen. Als hij haar ooit weer terug zou zien, zou ze minstens honderd span uit de buurt van de Herrezen Draak willen blijven.
Edorion liet al zijn mannen afstappen, nam een van hun paarden en bond de andere met de teugels aan elkaar vast. Ongetwijfeld bewaarde hij zijn eigen paard voor de laatste spurt langs de Shaido. Meresin en Daricain deden hetzelfde met hun mannen. Hoewel het inhield dat de Cairhienin maar twee paarden in reserve hadden, leken ze er niet aan te denken een van de Tyreense paarden te vragen. Samen reden ze op een draf naar het westen weg, begeleid door de Jindo’s.
Estean vermeed nadrukkelijk naar de Aiel te kijken en schoof langzaam in de richting van de soldaten, die niet op hun gemak in een kring van Aiel stonden bij de oprit van de brug. Mangin greep hem bij zijn roodgestreepte mouw beet. ‘Je kunt ons vertellen hoe de toe stand in Cairhien is, natlander.’ De man met het dikke gezicht leek flauw te vallen.
‘Ik weet zeker dat hij iedere vraag van je wil beantwoorden,’ zei Rhand scherp en nadrukkelijk.
‘We zullen het vragen,’ zei Rhuarc, die de andere arm van de Tyrener greep. Hij en Mangin leken de veel kleinere man tussen hen om hoog te houden. ‘Dat je de verdedigers van de stad wilt waarschu wen, is goed en wel, Rhand Altor,’ vervolgde Rhuarc, ‘maar we horen verkenners uit te sturen. Als ze rennen, kunnen ze tegelijk met die ruiters Cairhien bereiken en dan bij terugkomst ons vertellen hoe Couladin de Shaido heeft opgesteld.’
Rhand voelde de ogen van de Speervrouwen op hem rusten, maar hij keek Rhuarc recht aan. ‘Donderlopers?’ stelde hij voor. ‘Sha’mad Conde,’ beaamde Rhuarc. Hij en Mangin draaiden Estean om – ze hadden hem echt opgetild – en liepen naar de andere sol daten toe.
‘Vraag het!’ riep Rhand hen na. ‘Hij is jullie bondgenoot en mijn leenman.’ Hij had geen idee of Estean dat laatste was of niet – dat wilde hij ook aan Moiraine vragen – zelfs niet eens of hij wel een echte bondgenoot was, want zijn vader, hoogheer Torean, had vaak tegen Rhand samengezworen, maar hij wilde niets toestaan wat op Couladins aanpak leek. Rhuarc keek om en knikte.
‘Je zorgt goed voor je mensen, Rhand Altor.’ Sulins stem klonk even vlak als een geschaafde plank.
‘Dat probeer ik,’ zei hij. Hij was niet van plan op de uitdaging te reageren. Hij wist dat sommige verkenners die hij naar de Shaido zou sturen, nooit terug zouden keren en dat was dat. ‘Ik ga eens kijken of ik wat te eten kan krijgen. En wat slaap.’ Het zou niet lang meer duren of het was middernacht en in deze tijd van het jaar kwam de zon vroeg op. De Speervrouwen volgden hem en speurden behoedzaam in de schaduwen, alsof ze een aanval verwachtten, terwijl hun handen druk met elkaar spraken. Maar ja, de Aiel leken altijd op een aanval te rekenen.
31
De verre sneeuw
De straten in Eianrod waren kaarsrecht en kruisten even rechte zij straten. Waar nodig doorsneden ze heuvels met nette, geplaveide ter rassen. De stenen gebouwen met leien daken zagen er rechthoekig uit, alsof ze geheel uit loodrechte lijnen bestonden. Eianrod was niet gevallen voor Couladin; de mensen waren al verdwenen toen de Shai do erdoorheen stormden. Een groot deel van de huizen bestond echter nog slechts uit verkoolde balken en losse muren rond puinhopen, evenals veel brede marmeren gebouwen van twee verdiepingen met balkons. Volgens Moiraine waren die van kooplieden geweest. Over al op straat lagen kapotte meubels en kleren tussen gebroken schalen en glasscherven van de ramen, losse laarzen, gereedschap en speel goed.
Er had meermalen brand gewoed – dat maakte Rhand. zelf al op uit de aanslag op de roetzwarte balken en de sterke brandlucht die er nog hing – maar Lan kon de reeks veldslagen aanduiden waarmee de stad was veroverd en weer heroverd. Door verschillende Huizen die hoogstwaarschijnlijk om de Zonnetroon streden, hoewel aan de straten was te zien dat de laatste veroveraars van Eianrod struikro vers waren geweest. Vele bendes die Cairhien afschuimden, waren met niemand en geen enkel Huis verbonden, alleen met goud. Rhand liep naar een koopmanshuis dat aan het grootste van de twee pleinen lag. Het bestond uit twee vierkante verdiepingen van grijs marmer met brede trappen, dikke rechthoekige zijmuren en grote balkons die uitkeken op een droge fontein met een stoffig, rond bekken. De kans op een bed wilde hij niet missen en hij koesterde de hoop dat Aviendha de voorkeur aan een tent zou geven. Of het zijn tent was of een tent van de Wijzen kon hem niet schelen, zolang hij maar niet hoefde te luisteren naar haar zachte ademen, terwijl hij op een paar passen afstand in slaap wilde vallen. De laatste tijd hoorde hij in gedachten haar hartslag, zelfs wanneer hij saidin niet had omhelsd. Maar als ze niet zou wegblijven, had hij zijn voorzorgen genomen.
De Speervrouwen bleven voor de treden staan en sommigen holden rond het gebouw om hun plek in te nemen. Hij was bang geweest dat ze zouden proberen dit huis uit te roepen tot hun Dak, al was het maar voor één nacht, dus zodra hij het gebouw had uitgekozen, een van de weinige in de stad met een onbeschadigd dak en glas in de meeste vensters, had hij tegen Sulin gezegd dat hij dit huis uitriep tot het Dak van de Wijnbronbroeders. Wie niet van de Wijnbron in Emondsveld had gedronken, mocht er niet binnen. Uit de blik die ze hem toewierp, maakte hij op dat ze heel goed wist wat hij wilde, maar niemand kwam met hem mee door de brede deuren die geheel uit smalle planken leken te bestaan.
De ruime vertrekken binnen waren kaal, al lagen overal in de grote hal witgeklede gai’shain onder de dekens, onder het hoge gepleister de plafond dat een patroon van strakke vierkanten vertoonde. De gai’shain buitensluiten lag niet in zijn macht, zelfs als hij dat had gewenst, en dat gold ook voor Moiraine als ze niet elders een slaap plek had gevonden. Welk bevel hij ook gaf om niet te worden gestoord, ze vond altijd een manier om de Speervrouwen ertoe te bewegen haar door te laten en hij moest haar ronduit bevelen weg te gaan voor ze zou vertrekken.
De gai’shain, mannen en vrouwen, stonden al overeind voordat hij de deur had dichtgedaan. Ze zouden pas gaan slapen als hij dat deed en sommigen zouden om beurten wakker blijven voor het geval hij ’s nachts iets wenste. Hij had geprobeerd hen op te dragen dat niet te doen en te zeggen dat ze niet volgens hun zeden hoefden te dienen. Je kon echter net zo goed tegen een baal wol schoppen; elke in druk van je tenen was verdwenen zodra je ophield met schoppen. Hij gebaarde hem met rust te laten en klom de marmeren trap op. Enkele gai’shain hadden wat meubelstukken weten op te scharrelen, waaronder een bed en twee veren matrassen, en hij verlangde ernaar zich eindelijk te kunnen wassen en...