Hij verstarde toen hij de deur van zijn slaapkamer opendeed. Aviendha had niet in de tenten willen blijven. Ze stond voor de wastafel met een niet erbij passende lampetkan en schaal, een doekje in haar hand en een stuk gele zeep in de andere. Ze was naakt. Ze leek net zo met stomheid geslagen als hij en niet in staat een spiertje te bewegen.
‘Ik...’ Ze zweeg en slikte, terwijl haar grote groene ogen hem recht aanstaarden, ik kon geen zweettent opzetten in deze... stad, dus dacht ik dat ik jullie manier van...’
Ze was een en al spieren en zachte lijnen. Damp glinsterde over haar hele huid. Hij had nooit kunnen denken dat haar benen zo lang waren. ‘Ik dacht dat je langer op de brug zou... Ik...’ Haar stem werd hoger en haar grote ogen toonden paniek. ‘Het was niet mijn bedoeling dat je mij zag! Ik moet weg van jou. Zo ver mogelijk! Ik moet...’
Opeens verscheen een glinsterende, loodrechte lijn in de lucht voor haar. Die werd breder, alsof de lijn een poort werd. Een ijzige wind waaide de kamer in en droeg dikke gordijnen van sneeuw mee. ‘Ik moet weg!’ riep ze en schoot de poort in, de sneeuwstorm in. Onmiddellijk versmalde de poort zich weer en draaide rond, maar zonder verder nadenken geleidde Rhand en zette hem stil toen hij nog maar half zo breed was. Hij wist niet wat hij had gedaan en hoe, maar hij was er zeker van dat dit een poort was voor reizen. Asmodean had hem erover verteld maar het hem niet kunnen aanleren. Er was geen tijd voor verder nadenken. Hij wist niet waar Aviendha was beland, maar ze was spiernaakt midden in een winterstorm beland. Rhand verknoopte de stromen die hij had geweven, terwijl hij alle dekens van het bed griste en ze op haar kleren en slaapmat gooi de. Hij nam alles met tapijt en al op en sprong slechts enkele tellen na haar de poort in.
Een ijzige wind gierde door de nacht van wervelend wit. Zelfs gehuld in de leegte kon hij zijn lichaam voelen rillen. Vaag kon hij hier en daar enkele vormen in de duisternis onderscheiden, bomen waar schijnlijk. Hij rook niets, alleen de koude. Voor hem bewoog een gestalte, een schim in het donker en de sneeuw. Hij had haar gemakkelijk kunnen missen, als de leegte hem geen scherpe blik had geschonken. Tot aan zijn knieën in de sneeuw struikelde hij achter haar aan, het dikke pak tegen zich aan klemmend. ‘Aviendha! Blijf staan!’ Hij was bang dat de huilende wind zijn schreeuw zou verwaaien, maar ze hoorde het. Bloed en as, ze rende nog harder dan eerst. Hij dwong zichzelf, struikelend en vallend, sneller te gaan, terwijl de steeds dikkere laag sneeuw zijn laarzen vast zoog. De afdrukken van haar blote voeten vulden zich snel. Als hij haar in deze omstandigheden uit het oog verloor... ‘Blijf staan, dwaas! Wil je jezelf soms doden?’ Het geluid van zijn stem leek haar aan te sporen nog harder te hollen.
Grimmig ploeterde hij verder, half vallend en weer opkrabbelend, even vaak door de gierende wind omlaag gedrukt als hij in de sneeuw neerviel en tegen bomen botste. Hij moest haar in het oog houden. Het was maar goed dat de bomen in dit bos, of wat het ook was, zo ver uit elkaar stonden.
Ideeën schaafden langs de leegte en werden verworpen. Hij kon pro beren een eind aan de storm te maken – met het gevolg dat de lucht in ijs veranderde. Een beschermende laag Lucht zou de voortjagen de sneeuw weghouden, maar de sneeuw op de grond niet doen ver dwijnen. Hij kon met Vuur een pad voor zichzelf smelten... om dan door modder verder te moeten baggeren. Tenzij... Hij geleidde en een strook sneeuw van een stap breed smolt weg, een lint dat voor hem uit rolde terwijl hij verder rende. Damp steeg op en op een voet hoogte verdween de vallende sneeuw. Hij kon de warmte van het zand door zijn zolen heen voelen. Behalve zijn voeten en enkels beefde zijn hele lichaam van de door merg en been snijdende kou; zijn voeten zweetten en trokken zich snel terug van de hete grond maar hij haalde haar nu in. Nog even en... Opeens verdween de vage gestalte voor hem, alsof ze in een kuil was gevallen.
Hij hield zijn ogen strak op de plek gericht waar hij haar het laatst had gezien en rende zo snel mogelijk verder. Onverwachts waadde hij tot zijn enkels in ijskoud water rond, toen tot zijn knieën. Voor hem was onder de smeltende sneeuw nog meer water te zien en een ijsrand die zich langzaam terugtrok. Er steeg geen damp op van het zwarte water. Het was een beek of een rivier, en te groot voor zijn Kracht om de snelle stroom ook maar iets warmer te maken. Ze moest het ijs op zijn gehold en erdoorheen zijn gezakt, maar hij zou haar niet redden door zelf rond te waden. Vervuld met saidin voel de hij de kou amper, maar hij kon het klapperen van zijn tanden niet beheersen. Hij stapte achteruit de oever op en staarde naar de plek waar Aviendha volgens hem was verdwenen. Hij geleidde stromen Vuur in de nog kale grond, op enige afstand van het water, tot het zand smolt, glinsterde en wit opgloeide. Zelfs in deze storm zou dat wel een tijdlang heet blijven. Hij legde het pak met de dekens en kleren in de sneeuw ernaast – zijn leven zou ervan afhangen of hij die weer terugvond – klauterde toen door de hoge sneeuw naast het gesmolten pad en ging plat zijn buik liggen. Langzaam kroop hij het besneeuwde ijs op.
De wind gierde over hem heen. Het leek of hij volledig ongekleed was. Zijn handen waren gevoelloos en zijn voeten zouden dat wel dra ook zijn; hij rilde niet meer, maar af en toe trok een beving door hem heen. Koel en kalm in de leegte wist hij wat er aan de hand was. Af en toe kwamen er sneeuwstormen voor in Tweewater, misschien wel even hevig als deze. Zijn lichaam zou worden overmeesterd. Als hij niet spoedig warmte vond, zou hij rustig vanuit de leegte naar zijn dood kunnen kijken. Maar als hij stierf, zou Aviendha ook ster ven. Als ze al niet dood was.
Meer op gevoel dan op gehoor merkte hij dat het ijs onder zijn gewicht kraakte. Zijn tastende handen gleden in water. Dit was de plek, maar met de rondwervelende sneeuw kon hij amper iets zien. Zoekend zwaaide hij zijn handen rond, die gevoelloos in het water spat ten. Hij raakte iets aan de rand van het ijs en beval zijn vingers zich te sluiten, waarna hij bevroren haren hoorde knappen.
Moet haar eruit trekken. Hij kroop achteruit, trok haar mee. Ze was een dood gewicht dat langzaam uit het water gleed. Het ijs zal haar verwonden. Maakt niet uit. Beter dan bevriezen of verdrinken. Achteruit. Blijf in beweging. Geef niet op, anders sterft ze. Blijf in beweging, bloedvuur! Kruipen. Trekkend met zijn benen; duwend met zijn ene hand. De andere verkrampt in Aviendha’s haren. Geen tijd om haar beter vast te pakken; ze zou het toch niet voelen.
Je hebt het al veel te lang veel te gemakkelijk gehad. Heren die voor je kniel den, gai’shain die haastig wijn haalden, Moiraine die deed wat je zei.
Achteruit. Het is de hoogste tijd dat je zelf iets doet, als je dat kan. Beweeg, bloedbastaard van een kreupele geit! Blijf in beweging!
Opeens deden zijn voeten pijn en de pijn trok door zijn benen om hoog. Het duurde even voor hij omkeek en snel van het rokende stuk gesmolten zand afrolde. Rookwolkjes van zijn smeulende broek werden door de wind meegevoerd.
Hij tastte rond naar het achtergelaten pak en wikkelde Aviendha van top tot teen in de dekens, de tapijten, haar kleren. Elk beetje bescherming was van levensbelang. Ze had haar ogen gesloten en bewoog niet. Hij trok de dekens een klein stukje open om aan haar borst te luisteren. Haar hart klopte zo langzaam dat hij niet eens zeker wist of het wel sloeg. Zelfs vier dekens en een stel kleden waren niet genoeg en hij kon geen hitte in haar geleiden zoals hij bij de grond had gedaan. Zelfs als hij de stroom zo fijn mogelijk maakte, zou hij haar eerder doden dan verwarmen. Hij kon het weefsel voelen dat hij had gebruikt om haar poort te versperren. Misschien wel twee span verder in de storm. Als hij probeerde haar zo ver mee te nemen, zou geen van beiden het overleven. Ze hadden beschutting nodig en wel hier.