Hij geleidde stromen Lucht en de sneeuw begon over de grond te schuiven tegen de wind in, richtte zich op tot dikke rechte muren van drie pas lang, met aan een kant een gat als deur, stapelde zich hoger op, perste zich samen tot het glinsterde als ijs. Er vormde zich een dak, hoog genoeg om rechtop te kunnen staan. Hij tilde Aviendha op en viel struikelend de donkere ruimte binnen, weefde en ver knoopte dansende vlammen in de hoeken voor licht, geleidde nog meer sneeuw om de doorgang af te sluiten.
Hij begon zich al warmer te voelen nu de wind was verdwenen, maar dat zou niet voldoende zijn. Hij gebruikte het kunstje van Asmodean, weefde Lucht en Vuur, en binnen werd het warmer. Hij durfde de stroom niet te verknopen; als hij in slaap viel, zou die sterker worden en de hut doen smelten. De vlammen in de hoek waren even gevaarlijk, maar hij was zo uitgeput en ijskoud dat hij niet meer dan één weefsel aankon.
De grond in de hut bestond uit een kale zandbodem met slechts enkele bruine bladeren, die hij niet herkende, en wat krullerige dode kruiden, die hem even onbekend voorkwamen. Hij liet het weefsel dat de lucht verwarmde los en verhitte de grond net zo lang tot de ergste kou verdween, waarna hij het andere weefsel weer oppakte. Het enige dat hij nu nog kon doen, was Aviendha zachtjes neerleggen en voorkomen dat ze viel.
Hij stak een hand onder de dekens om haar wang en schouder te voelen. Druppeltjes water stroomden over haar gezicht toen het ijs in haar haren smolt. Hij was koud, maar zij leek wel een brok ijs. Ze had elk beetje warmte nodig dat hij voor haar kon vinden, maar hij durfde de lucht niet warmer te maken. De muren glansden al door een laagje gesmolten ijs. Ook al was hijzelf ijs- en ijskoud, in hem was wel meer warmte te vinden dan in haar.
Hij trok zijn kleren uit, schoof onder de dekens en legde zijn eigen vochtige kleren erbovenop. Ze konden de lichaamswarmte vasthouden. Zijn gevoel, versterkt door de leegte en saidin, zoog het gevoel van haar huid op. Daarmee vergeleken was zijde ruw te noemen. Vergeleken met haar huid was satijn... Hou op met die gedachten. Hij streek de vochtige haren uit haar gezicht. Hij zou ze moeten drogen, maar het water voelde niet meer zo koud aan en afgezien van de dekens en kleren had hij verder toch niets. Haar ogen waren gesloten; haar borsten bewogen langzaam tegen hem aan. Haar hoofd lag op zijn arm, gekoesterd tegen zijn borst. Als ze niet zo ijskoud had aan gevoeld, had ze in slaap kunnen zijn. Zo vredig en helemaal niet boos. Zo mooi.
Hou op met die gedachten. Het klonk als een scherp bevel buiten de leegte die hem omhulde. Praat. Hij vertelde het eerste het beste dat in hem opkwam. Over Elayne en de verwarring die haar twee brieven hadden veroorzaakt, maar daarmee kwamen al snel de gedachten aan de goudblonde Elayne over de leegte aanzweven, aan hun kussen in verborgen hoekjes van de Steen. Denk niet aan kussen, stommeling!
Hij ging over op Min. Op die manier had hij nooit aan Min gedacht. Nou ja, die paar dromen telden toch niet? Min zou hem een klap midden in zijn gezicht hebben gegeven als hij haar had willen kussen, of hem anders uitlachen en een wolkop noemen. Het leek wel of al dat gepraat over vrouwen hem eraan herinnerde dat hij een naakte vrouw in zijn armen hield. Vervuld met de Kracht kon hij haar geur ruiken, iedere duim van haar even goed voelen alsof hij met zijn handen over... De leegte trilde. Licht, je hoeft haar alleen maar te verwarmen. Hou je gedachten buiten het varkenskot, man!
Terwijl hij probeerde er niet meer aan te denken, sprak hij van zijn hoop op vrede in Cairhien, om er een eind aan de hongersnood te maken, om zonder verder bloedvergieten de naties achter zich te scharen. Maar ook deze woorden kenden een eigen leven, voerden hem onvermijdelijk naar Shayol Ghul, waar hij de Duistere moest bestrijden en zou sterven als de Voorspellingen gelijk kregen. Het leek laf om te hopen dat hij het op de een of andere manier zou overleven. De Aiel kenden geen lafheid, de zwaksten onder hen waren nog zo dapper als een leeuw. ‘Het Breken van de Wereld doodde de zwakken,’ had hij Bael horen zeggen, ‘en het Drievoudige Land doodde de lafaards.’
Hij sprak over de plek waar ze nu waren, waar zij hem had heen gevoerd tijdens haar radeloze vlucht. Ergens ver weg, in een vreemd land, waar in deze tijd van her jaar nog sneeuw lag. Het was nog erger geweest dan een radeloze vlucht. Waanzinnig. Toch wist hij dat ze vanwege hem was gevlucht. Voor hem gevlucht! Ze moest hem wel ontzettend haten dat ze zo ver mogelijk weg wilde komen en niet gewoon tegen hem had gezegd dat hij weg moest gaan, zodat ze zich alleen kon wassen.
‘Ik had moeten kloppen.’ Op zijn eigen slaapkamerdeur? ik weet dat je niet in mijn buurt wilt blijven. Dat hoef je ook niet. Wat de Wijzen ook willen, wat ze ook zeggen, jij gaat naar hun tenten te rug. Je hoeft niet meer bij me te blijven. Feitelijk... als je dat doet... stuur ik je weg.’ Waarom had hij gehaperd? Ze maakte hem razend, koud en verbitterd wanneer ze wakker was, maar als ze sliep... ‘Je deed idioot. Je had jezelf kunnen doden.’ Hij streelde weer haar haren; hij leek er niet mee op te kunnen houden. ‘Als je ooit nog eens zo idioot doet, draai ik je de nek om. Heb je er enig idee van dat ik jouw ademen ’s nachts ontzettend zal missen?’ Missen? Ze maakte hem er gek mee! Hij was degene die krankzinnig was. Hij moest er mee ophouden. ‘Jij gaat weg en daarmee uit, zelfs als ik je naar Rhuidean terug zal moeten sturen. De Wijzen kunnen me niet tegenhouden als ik als de car’a’carn spreek. Voor mij zul je geen tweede keer hoeven te vluchten.’
De hand die haar onwillekeurig bleef strelen, verstarde toen ze bewoog. Ze was warm, besefte hij. Heel warm. Hij zou nu netjes een deken om zich heen moeten wikkelen en van haar wegschuiven. Haar open ogen, helder en donkergroen, staarden hem ernstig van heel na bij aan. Ze leek niet verbaasd hem te zien en trok zich niet terug. Hij nam zijn armen van haar weg, begon bij haar vandaan te schuiven en zij greep pijnlijk een handvol haren. Als hij bewoog, zou hij daar een kale plek krijgen. Ze gaf hem niet de kans alles uit te leggen. ‘Ik heb mijn bijna-zuster beloofd op je te passen.’ Ze leek net zozeer tegen zichzelf te praten als tegen hem, met een zachte, haast uitdrukkingsloze stem. ‘Ik ben zo snel als ik kon van je weggevlucht om mijn eer te beschermen. En zelfs hier ben je me gevolgd. De ringen liegen niet en ik kan niet meer vluchten.’ Haar stem klonk fermer en vastbesloten, ik vlucht niet meer.’
Rhand probeerde te vragen wat ze bedoelde, terwijl hij trachtte haar vingers los te knopen van zijn haar, maar ze greep een andere pluk vast en trok zijn lippen op de hare. Daarmee kwam een eind aan zijn verstandige overwegingen; de leegte verbrijzelde en saidin verdween. Hij meende dat hij niet zelf had kunnen ophouden als hij dat had gewild, maar er kwam geen enkele gedachte dat hij het niet wilde en zij liet heel duidelijk merken dat haar dat niet uitmaakte. Feitelijk was een heel lange tijd zijn laatste samenhangende gedachte dat hij niet dacht dat hij haar had kunnen tegenhouden. Een aanzienlijke tijd later – twee uur, misschien drie; hij was er niet echt zeker van – lag hij boven op de kleden met de dekens over hem heen en zijn handen achter zijn hoofd, terwijl hij naar Aviendha keek, die de gladde witte wanden bestudeerde. Ze hadden verrassend veel warmte vastgehouden. Het was niet nodig geweest saidin weer vast te grijpen, de koude buiten te sluiten of de lucht te verwarmen. Ze had na het opstaan niet meer gedaan dan snel haar vingers door haar haren te harken en ze liep ondanks haar naaktheid volkomen onbevangen rond. Het was natuurlijk ook wat laat om je te schamen over zoiets onbelangrijks als kleding. Hij had zich zorgen gemaakt toen hij haar uit het water had getrokken, maar ze had minder sneden en schrammen opgelopen dan hij, en op de een of andere manier werd haar schoonheid er totaal niet door aangetast. ‘Wat is dit?’ vroeg ze.