‘Sneeuw.’ Hij legde zo goed mogelijk uit wat het was, maar ze schud de slechts het hoofd, gedeeltelijk van verbazing, gedeeltelijk uit on geloof. Voor iemand die in de Woestenij was opgegroeid, moest bevroren water dat uit de hemel viel bijna even onmogelijk lijken als vliegen. Volgens de verhalen was die keer dat hij het had laten regenen het enige moment geweest dat het in de Woestenij had geregend. Hij kon een zucht van spijt niet onderdrukken toen ze haar onder hemd begon aan te trekken. ‘De Wijzen kunnen ons trouwen zodra we terug zijn.’ Hij kon nog steeds zijn weefsel voelen dat haar poort openhield.
Aviendha’s donkere rossige haren schoten door de halsopening en ze keek hem vlak aan. Niet echt aardig maar ook niet onaardig. Wel vastbesloten. ‘Wat brengt jou op de gedachte dat een man het recht heeft mij dat te vragen? Bovendien behoor je Elayne toe.’ Een tel later lukte het hem zijn mond weer dicht te doen. ‘Aviendha, we hebben net... Wij tweeën... Licht, we moeten nu wel trouwen. Niet dat ik het doe omdat het moet,’ voegde hij er snel aan toe. ‘Ik wil het.’ Eigenlijk was hij daar niet zo zeker van. Hij meende dat hij misschien wel van haar hield, maar hij vond evenzeer dat hij van Elayne hield. En door het een of ander bleef Min ook in zijn gedachten rondspoken. Je bent een even grote rokkenjager als Mart.
Maar ditmaal kon hij iets doen wat terecht rechtvaardig was. Ze trok haar neus op en voelde aan haar kousen of die droog waren, waarna ze ging zitten om ze aan te trekken. ‘Egwene heeft me over de huwelijksgebruiken in Emondsveld verteld.’
‘Wil je een jaar wachten?’ vroeg hij ongelovig. ‘Het jaar. Ja, dat bedoel ik.’ Hij had nooit geweten dat een vrouw zoveel been kon laten zien bij het aantrekken van een kous. Het was gek dat het zo opwindend was, nadat hij haar bezweet en naakt had gezien en... Hij dwong zich weer naar haar te luisteren. ‘Egwene heeft verteld dat ze haar moeder al toestemming voor jou had willen vragen, maar voor ze de kans kreeg, zei haar moeder dat ze een jaar moest wachten, zelfs als ze al een vlecht mocht hebben.’ Aviendha dacht fronsend na, met een knie onder haar kin. ‘Klopt dat? Ze ver telde dat een meisje pas haar haren mocht vlechten als ze oud genoeg was om te trouwen. Begrijp je waar ik het over heb? Je ziet eruit als die... vis... die Moiraine in de rivier heeft gevangen.’ Er waren geen vissen in de Woestenij. De Aiel kenden ze alleen uit boeken. ‘Natuurlijk,’ zei hij. Hij had net zo goed doof en blind kunnen zijn, zoveel begreep hij ervan. Hij ging anders liggen onder de dekens en probeerde alle zekerheid in zijn woorden te leggen die hij op kon brengen. ‘Tenminste... nou ja, de gewoonten zijn ingewikkeld en ik weet niet echt welke je nu bedoelt.’
Ze keek hem even achterdochtig aan, maar de zeden bij de Aiel waren zo warrig dat ze hem geloofde. In Tweewater liep je een jaar rond en als je geschikt was, beloofde je je aan de ander en was je einde lijk getrouwd. Dat waren eigenlijk de enige gebruiken. Tijdens het aankleden praatte ze verder, ik had het erover dat een meisje in dat jaar de toestemming van haar moeder vraagt en die van de Wijsheid. Ik kan niet zeggen dat ik dat begrijp.’ Het witte hemd dat ze over haar hoofd trok, smoorde haar woorden half. ‘Als ze hem wil, en als ze oud genoeg is om te trouwen, waarom heeft ze dan toestemming nodig? Maar weet je, volgens onze zeden’ – haar stem maakte duidelijk dat eigenlijk alleen die golden – ‘is het aan mij om te bepalen of ik je vraag. En ik vraag je niet. Onder jullie gebruiken’ – ze maak te haar gordel vast en schudde het hoofd van afkeer – ‘zou ik de toe stemming van mijn moeder niet hebben. En jij hebt die van je vader nodig, neem ik aan. Of die van je vaderbroer, omdat je vader dood is. Nou, die hebben we niet, dus kunnen we niet trouwen.’ Ze begon de sjaal op te vouwen om die om haar voorhoofd te binden, ik begrijp het,’ zei hij zwakjes. Elke jongen in Emondsveld die zijn vader hiervoor toestemming zou vragen, vroeg eigenlijk om een draai om zijn oren. Wanneer hij dacht aan de jongens die zich drijfnat hadden gezweet van zorgen dat iemand, wie dan ook, zou hebben ontdekt wat ze uitspookten met het meisje dat ze van plan waren te trouwen... Hij herinnerde zich nog de keer dat Nynaeve op de hooizolder van Bars vader Kinne Lewin en Bar Datrijn had betrapt. Kinne had vijf jaar haar haren in een vlecht moeten dragen en nadat Nynaeve alles had afgehandeld, deed vrouw Lewin het nog eens dunnetjes over. De vrouwenkring had die arme Bar bijna levend gevild en dat was nog niets vergeleken met wat ze Kinne hadden aangedaan in de maand die volgens hen nog de kortste tijd was om netjes en behoorlijk op de bruiloft te wachten. In verborgen hoekjes, ver van de vrouwenkring, deed het grapje de ronde dat Bar en Kinne de eerste week na de bruiloft niet hadden kunnen zitten. Rhand nam aan dat Kinne vergeten was toestemming te vragen. ‘Maar ik veronderstel dat Egwene ook niet alle gebruiken van de mannen kent,’ ging hij door. ‘Vrouwen weten niet alles. Zie je, ik ben hiermee begonnen, en dus moeten we trouwen. En dan doet toestemming er niet toe.’
‘Ben jij ermee begonnen?’ Ze snoof hoorbaar en laatdunkend. Of ze nu Aiels, Andoraans of wat dan ook was, een vrouw gebruikte die geluiden als stokken, om mee te porren of te slaan. ‘Het doet er trouwens niet toe, omdat we de Aielgewoonten volgen. Dit gebeurt geen tweede keer, Rhand Altor.’ Hij hoorde – tot zijn vreugde en droefenis – dat er iets van spijt in haar stem doorklonk. ‘Jij behoort de bijna-zuster van mijn bijna-zuster. Ik heb nu toh jegens Elayne, maar dat gaat jou verder niet aan. Blijf je daar eeuwig liggen? Ik heb gehoord dat mannen erna lui zijn, maar het zal niet meer zo lang duren of de stammen maken zich op voor de ochtendtocht. Jij moet er zijn.’ Opeens gleed er een verschrikte uitdrukking over haar gezicht en zakte ze door haar knieën. ‘Als we nog terug kunnen komen. Ik weet niet eens precies meer hoe ik dat gat heb gemaakt, Rhand Altor. Jij moet de weg terugvinden.’
Hij vertelde haar hoe hij de poort had versperd en nog steeds voel de hoe hij standhield. Ze leek opgelucht en schonk hem zelfs een glimlach. Maar terwijl ze haar benen onder zich sloeg en haar rok schikte, werd het steeds duidelijker dat ze niet van plan was hem de rug toe te draaien als hij zich ging aankleden.
‘Nou ja, eerlijk is eerlijk,’ mompelde hij na lang wachten en kwam overeind. Hij probeerde het even onbevangen te doen als zij, maar het was niet gemakkelijk. Hij kon haar ogen bijna lijfelijk voelen, zelfs als hij zich omdraaide. Ze had geen reden om te zeggen dat hij een leuk kontje had. Hij had ook niets van haar fraaie achterste gezegd. Ze zei het trouwens toch alleen om hem te laten blozen. Vrouwen keken niet op die manier naar mannen.
En ze vragen hun moeder toch ook niet toestemming om...
Hij had het idee dat het leven met Aviendha er geen sikkepit gemakkelijker op was geworden.
32
Een korte speer
Er werd verder weinig gepraat. Zelfs als buiten de storm nog steeds woedde, konden ze naar de poort terugkomen, omdat ze de dekens en kleden als mantels konden gebruiken. Aviendha begon ze te ver delen, terwijl hij saidin greep en zich vulde met leven en dood, met vuur en vloeibaar ijs.
‘Verdeel ze gelijk,’ zei hij. Hij wist dat zijn stem koud en gevoelloos klonk. Asmodean had hem verteld dat hij nog verder kon komen, maar tot dusver was hem dat niet gelukt.
Ze keek hem verbaasd aan, maar zei alleen: ‘Jij hebt meer nodig om je te bedekken,’ en ze ging door alsof hij niets had gezegd. Het had geen zin ertegen in te gaan. Uit ervaring – van Emondsveld tot aan de Speervrouwen – wist hij dat als een vrouw iets voor je wil de doen, je haar alleen kon tegenhouden door haar vast te binden, vooral als ze zich wilde opofferen. Het verrassende was dat ze het niet zuur had gezegd en er niets aan had toegevoegd, zoals ‘weke nat lander’. Misschien kwam er behalve de herinnering nog wel meer goeds hieruit voort. Ze kan niet écht nooit meer bedoelen.