Выбрать главу

Hij vermoedde dat ze dat echter wél bedoelde. Hij weefde een vingerdunne stroom Vuur en sneed een deuropening uit een muur, waarbij hij het gat aan de bovenkant verwijdde. Tot zijn verbazing viel er zonlicht naar binnen. Hij liet saidin los en ze keken elkaar verrast aan. Hij wist dat hij elk gevoel van tijd kwijt was – je weet niet eens welk jaar het is – maar zolang hadden ze toch niet binnen gezeten? Waar ze ook waren, het was heel ver weg van Cairhien.

Hij duwde tegen het blok ijs, maar het gaf niet mee, totdat hij zijn rug ertegen zette, zijn hielen stevig in het zand plantte en uit alle macht begon te duwen. Net toen hij besefte dat hij dit veel gemakkelijker met de Ene Kracht had kunnen doen, viel het blok naar buiten, waardoor hij in het koude, scherp bleke daglicht tuimelde. Maar niet helemaal. Het blok bleef schuin tegen de sneeuw hangen die zich rond de hut had opgehoopt. Op zijn rug liggend, met zijn hoofd net buiten, kon hij nog meer sneeuwhopen zien, wat ijle witte wervelingen rond enkele kromme bomen die hij niet herkende en andere sneeuwbuiten, die misschien struiken of rotsen bedekten. Hij wilde wat zeggen – en vergat wat hij wilde zeggen toen op nog geen vijftig voet boven hem iets door de lucht zwierde, een leerachtige grijze vorm, groter dan een paard, met langzaam wiekende grote vleugels, een gehoornde snoet, klauwen aan de voeten en een dunne hagedissenstaart. Alleen zijn hoofd bewoog om de vlucht van het beest boven de bomen te volgen. Op de rug zaten twee mensen. Hoe wel ze kleren met een soort kap droegen, speurden ze overduidelijk de grond beneden hen af. Als er meer te zien was geweest dan zijn hoofd, en als hij zich niet recht onder dat monster had bevonden, zouden ze hem zeker hebben opgemerkt.

‘Laat die dekens maar zitten,’ zei hij toen hij weer naar binnen schoof. Hij vertelde haar wat hij had gezien. ‘Misschien zijn ze vriendelijk, misschien niet, maar ik wil het liever niet ontdekken.’ Hij wist niet eens of hij mensen die zoiets bereden, wel wilde ontmoeten. Als het mensen waren. ‘We sluipen terug naar de poort. Zo snel we kunnen, maar we sluipen.’

Wonderlijk genoeg ging ze er niet tegen in. Toen hij daar iets over zei, terwijl hij haar over het ijsblok hielp – het was ook verwonderlijk dat ze gewoon zijn hand aanpakte zonder hem boos aan te kijken – antwoordde ze: ik maak geen ruzie wanneer je verstandig bent, Rhand Altor.’ Nou, volgens hem was dat weleens anders geweest. Het land voor hen lag bedekt onder een dikke witte deken, maar naar het westen rezen scherpe, met sneeuw bedekte bergen op, waar van de toppen in de wolken waren gehuld. Hij zag meteen dat ze in het westen lagen, want de zon kwam op. Ongeveer’de helft van de gouden bol stak boven de zee uit. Hij bleef er lang naar kijken. Het land liep naar beneden af, zodat hij op ongeveer een halve span af stand de donderende golven kon zien die tegen een met rotsen bezaaide kust kapotsloegen tot een fijne, koude nevel. Een enorme oceaan naar het oosten, die zich eindeloos tot de kim en de zon leek uit te strekken. Als de sneeuw het al niet had verraden, dan wist hij nu zeker dat ze in een onbekend land waren.

Aviendha staarde verbijsterd naar de rollende branding en donderende golven en keek hem toen fronsend aan alsof ze het herkende. Misschien had ze nooit eerder een grote zee gezien, maar landkaarten kende ze wel.

Vanwege haar rokken kwam ze moeizamer vooruit dan hij, terwijl hij zich wijdbeens een weg baande door de sneeuw, die soms tot zijn middel reikte. Ze snakte naar adem toen ze door Rhand werd op getild en haar groene ogen vlamden.

‘We moeten sneller gaan dan jij met die rokken kunt lopen,’ zei hij. De vlammen doofden, maar ze sloeg niet haar arm rond zijn schouder, zoals hij half en half had gehoopt. In plaats daarvan verstren gelde ze haar vingers en keek gelaten. Er lag iets koppigs in haar blik. Misschien was ze wat veranderd door alles wat was gebeurd, maar niet wezenlijk. Hij begreep niet waarom hem dat zo opluchtte. Hij had een pad in de sneeuw kunnen smelten zoals hij tijdens de storm had gedaan, maar als er nog zo’n vliegend beest zou aankomen, zou dat door het vrijgemaakte pad onmiddellijk naar hen toe geleid worden. Een vos die hem en Aviendha af en toe argwanend opnam, draafde rechts van hem over de sneeuw. Hij was helemaal wit, afgezien van de zwarte punt aan zijn dikke staart. Konijnen sporen liepen hier en daar over de ongerepte sneeuw, wat vager daar waar ze hadden gesprongen, en eenmaal zag hij de voetafdrukken van een kat die zeker zo groot waren als van een luipaard. Misschien bestonden er nog grotere dieren, misschien een of ander niet-vliegend familielid van dat leerachtige beest. Zoiets wilde hij liever niet te genkomen, maar er bestond altijd de mogelijkheid dat de... vlieg beesten de uitgeploegde voor in de sneeuw opmerkten die zich achter hem uitstrekte als een spoor.

Nog steeds zocht hij een weg van boom naar boom. Het hadden er best meer mogen zijn en wat dichter bij elkaar. Nou ja, als er meer waren geweest, zou hij Aviendha misschien niet hebben kunnen volgen in de storm – ze gromde en keek hem fronsend aan en hij maak te zijn greep wat losser – maar nu zou het hem zeker hebben geholpen. Doordat hij op die manier verder kroop, zag hij de andere mensen het eerst.

Op minder dan vijftig pas afstand, tussen hem en de poort – recht voor de poort en hij kon voelen hoe zijn weefsel die openhield – zaten vier mensen te paard en stonden er meer dan twintig in de sneeuw. Op de paarden zaten alleen vrouwen in lange, dikke, met bont af gezette mantels. Twee van hen droegen om de linkerpols een zilveren armband, die met een lange, glimmende lijn aan een glanzende halsband vastzat die strak om de nek zat van de in het grijs geklede vrouwen zonder mantel in de sneeuw. De andere mensen te voet waren mannen in donker leer en met een wapenrusting die groen en goud was geschilderd, met metalen schubben over de borstkas, de buitenkant van hun armen en op hun dijen. Hun speren toonden gouden en groene kwasten, hun lange schilden waren in dezelfde kleuren geschilderd en hun helmen leken koppen van enorme insecten, waarbij de gezichten tussen de vangkaken zaten. De een was duidelijk de aanvoerder; hij had geen speer of schild, maar droeg een gebogen, tweehandig zwaard op de rug. De platen van zijn gelakte wapenrusting waren afgezet met zilveren randen. Dunne groene vederdossen als tastsprieten versterkten de indruk van de insecten helm. Rhand wist nu waar hij en Aviendha waren. Hij had dit soort wapenrustingen eerder gezien. En vrouwen met zo’n halsband ook. Hij zette haar neer achter een door de wind gekromde pijnboom met een heel gladde, grijs met zwart gestreepte bast en wees naar hen. Ze knikte zwijgend.

‘De twee vrouwen met de halsband kunnen geleiden,’ fluisterde hij. ‘Kun je ze afschermen?’ Haastig voegde hij eraan toe: ‘Tast nog niet naar de Bron. Het zijn gevangenen, maar ze kunnen de anderen waar schuwen. Zelfs als ze dat niet doen, kunnen de vrouwen met de arm banden jou nog steeds voelen.’

Ze keek hem bevreemd aan, maar verspilde geen tijd aan domme vragen zoals hoe hij dat wist. Hij verwachtte dat die later wel zouden komen. ‘De vrouwen met de armbanden kunnen ook geleiden,’ antwoordde ze even zacht. ‘Maar het voelt heel gek. Zwak. Alsof ze het nooit eerder hebben gedaan. Ik begrijp het niet.’ Rhand wel. Damane waren de vrouwen die volgens de Seanchanen konden geleiden. Als twee vrouwen op de een of andere manier aan het Seanchaanse zoeknet waren ontsnapt om sul’dam te worden hij wist er weinig van, maar het zou niet gemakkelijk zijn, want de Seanchanen beproefden letterlijk iedere vrouw in de jaren dat de kunst van het geleiden zich voor het eerst kon vertonen – zouden ze zichzelf zeker niet durven verraden. ‘Kun je ze allevier afschermen?’ Ze keek hem trots aan. ‘Natuurlijk. Egwene heeft me geleerd hoe ik verschillende stromen tegelijk kan gebruiken. Ik kan ze afschermen, in stromen Lucht verpakken en verknopen voor ze weten wat er aan de hand is.’ Het zelfvoldane glimlachje stierf weg. ‘Ik ben snel genoeg om hen en hun paarden aan te pakken, maar daarmee laat ik de rest aan jou over, tot ik je kan helpen. Als er één ontsnapt... ze kunnen die speren zeker ver gooien, en als een daarvan jou aan de grond vastnagelt...’ Ze mompelde iets binnensmonds, alsof ze boos was dat ze haar zin niet kon afmaken. Ten slotte keek ze hem weer aan, even woest als hij al eerder van haar had gezien. ‘Egwene heeft me iets over Heling verteld, maar ze weet er weinig van en ik nog minder.’