Waar was ze nu weer boos over? Je kunt beter de zon proberen te begrijpen dan een vrouw, dacht hij wrang. Thom Merrilin had het hem eens gezegd en het was gewoon waar. ‘Jij zorgt voor het af schermen van die vrouwen,’ zei hij, ‘ik doe de anderen. Maar pas als ik je arm aanraak.’
Hij kon aan haar zien dat hij volgens haar aan het opscheppen was, maar hij zou geen stromen gaan verdelen, slechts een ingewikkelde stroom Lucht weven die hun armen tegen hun zij klemde en zowel de paarden als de mensen zou vasthouden. Hij haalde diep adem, greep saidin goed beet, raakte haar arm aan en geleidde. De Seanchanen slaakten geschrokken kreten. Hij had aan mond proppen moeten denken, maar ze konden al door de poort zijn voor iemand anders het hoorde. Hij hield de Bron vast, greep Aviendha bij de arm en sleurde haar half mee door de sneeuw, waarbij hij haar gesnauw negeerde dat ze best zelf kon lopen. Op deze manier maak te hij tenminste een pad voor haar vrij en ze moesten voortmaken. De Seanchanen werden stil en keken hem en Aviendha aan toen ze voor hen gingen staan. De twee vrouwen die geen sul’dam waren, hadden hun kappen afgeschud en verzetten zich tegen zijn stroom. Hij hield ze liever vast dan ze te verknopen. Hij zou ze toch moeten losmaken wanneer hij wegging, om de eenvoudige reden dat hij zelfs de Seanchanen niet vastgebonden in de sneeuw wilde achterlaten. Als ze niet doodvroren, kon zo’n grote roofkat wellicht verschijnen. Als er één bestond, moesten er meer zijn.
De poort was er inderdaad nog, maar hij zag niet zijn kamer in Eianrod, maar alleen een effen grijs. Hij leek ook smaller dan eerst. Nog erger was dat hij het weefsel van het grijs kon zien; het was van saidin geweven. Er gleed een woedende gedachte langs de leegte. Hij kon niet zien waar het grijs voor diende, maar het kon gemakkelijk de val van een mannelijke Verzaker zijn. Asmodean, waarschijnlijk. Als de man hem aan de anderen kon verraden, zou hij zijn plaatsje onder hen misschien terug verdienen. Toch bestond er geen enkele twijfel over dat ze hier niet konden blijven. Als Aviendha nog maar wist hoe ze die eerste poort had geweven, dan kon ze een tweede openen, maar zoals de zaken ervoor stonden, zouden ze deze – val strik of niet – moeten gebruiken.
Een van de vrouwen te paard, met de afbeelding van een zwarte raaf voor een kale toren op de borst van haar grijze mantel, had een streng gezicht en donkere ogen die dwars door zijn schedel leken te boren. De andere vrouw, jonger, bleker en kleiner, maar toch vorstelijker, droeg de kop van een zilveren hertenbok op haar groene mantel. De smalle vingers van haar rijhandschoenen waren te lang. Uit de afge schoren zijkanten van het hoofdhaar kon Rhand afleiden dat in die lange handschoenvingers lange, ongetwijfeld gelakte nagels zaten, wat wees op Seanchaanse adel. De soldaten hadden strakke gezichten en rechte ruggen, maar de blauwe ogen van de officier glinsterden achter de vangkaken van zijn insectenhelm en zijn gehand schoende vingers wriemelden in een vergeefse poging zijn zwaard te pakken.
Rhand gaf verder niets om ze, maar hij wilde de damane niet achterlaten. Hij kon hen laten ontsnappen. Ze staarden hem dan wel aan alsof hij een wild dier met ontblote slagtanden was, maar ze waren niet uit eigen vrije wil gevangenen en werden nauwelijks beter behandeld dan huisdieren. Hij legde zijn hand op een halsband en voelde een schok die zijn arm bijna verlamde. Heel even verschoof de leegte en woedde saidin als een duizendvoudige sneeuwstorm door hem heen. Het korte hoogblonde haar van de damane stond recht overeind toen ze door zijn aanraking bijna stikte, waarna ze begon te krijsen. Haar sul’dam snakte naar adem en werd lijkbleek. Beiden zouden zijn gevallen als ze niet door hun boeien van Lucht werden vastgehouden.
‘Probeer jij het,’ zei hij tegen Aviendha en bewoog zijn hand. ‘Een vrouw moet in staat zijn zo’n ding veilig aan te raken. Ik weet niet hoe je het kunt openmaken.’ Het leek uit één stuk te bestaan en was op de een of andere manier met de lijn en de armband verbonden. ‘Het is erom gekomen, dus moet het er ook weer af willen.’ Enkele ogenblikken zouden geen verschil maken voor wat het ook was dat er met de poort was gebeurd. Was het Asmodean? Aviendha schudde haar hoofd en begon aan de halsband te morrelen. ‘Sta stil,’ snauwde ze tegen de terugdeinzende damane, een bleek meisje van een jaar of zestien, zeventien. Misschien vonden de beteugelde vrouwen Rhand een wild beest, maar Aviendha staarden ze aan als een vleesgeworden nachtmerrie.
‘Zij is een marath’damane,’ huilde het bleke meisje. ‘Red Seri, vrouwe! Alstublieft, vrouwe! Red Seri!’ De andere damane, ouder, bijna moederlijk, begon onbeheerst te snikken. Aviendha keek Rhand om de een of andere reden even boos aan als het meisje en mopperde kwaad binnensmonds terwijl ze aan de halsband werkte. ‘Het is hem, vrouwe Morsa,’ zei de sul’dam van de andere damane opeens zacht lispelend, zodat Rhand het amper verstond, ik draag de armband reeds lang en ik had het geweten als de marath’damane meer had gedaan dan Jini af te schermen.’ Morsa keek niet verbaasd. Feitelijk glansde er iets van doodsbange herkenning in haar blauwe ogen toen ze Rhand aanstaarde. Dat kon alleen als zij...
‘Jij was in Falme,’ zei hij. Als hij als eerste door de poort ging, zou hij Aviendha een kort moment alleen moeten laten.
‘Dat was ik.’ De edelvrouwe leek flauw te vallen, maar haar zacht lispelende stem klonk koel en gebiedend, ik heb je gezien, en wat je er hebt gedaan.’
‘Pas maar op dat ik hier niet hetzelfde doe. Als jullie me geen last bezorgen, laat ik je met rust.’ Hij kon Aviendha niet als eerste zo maar in het Licht weet wat sturen. Als zijn gevoel niet zover weg had geleken, zou hij net zo’n gezicht hebben getrokken als zij terwijl ze met die halsband bezig was. Ze moesten er samen doorheen en klaar staan voor wat hun daar wachtte.
‘Er is veel geheim gebleven over wat er in de streken van de grote Haviksvleugel is gebeurd, vrouwe Morsa,’ zei de vrouw met het strengegezicht. Haar ogen keken Morsa even hard aan als ze op hem hadden gerust. ‘De geruchten gaan dat het Eeuwig Roemrijke Leger een nederlaag heeft geproefd.’
‘Zoek je de waarheid in geruchten, Jalindin?’ vroeg Morsa snijdend. ‘Een Zoeker zou toch zeker moeten weten wanneer er gezwegen moet worden. De keizerin zelf heeft elk woord over de Corenne verboden, tot zij die opnieuw uitroept. Als jij – of ik – ook maar de naam noemen van de stad waar het leger is geland, zullen onze tongen worden verwijderd. Misschien verheugt het jou zonder tong in de Toren van de Raven te zitten? Zelfs de Luisteraars zouden niet luisteren naar je geschreeuw om genade.’
Rhand begreep de helft nog niet en dat kwam niet alleen door de vreemde tongval. Hij had graag langer willen luisteren. Corenne. De Terugkeer. Dat was de naam die de Seanchanen in Falme hadden gebruikt voor hun poging de landen aan zijn kant van de Arythische Oceaan in handen te krijgen, die ze op grond van geboorterecht hun eigendom noemden. De andere woorden – de Zoekers, Luisteraars en de Toren van de Raven – vormden een raadsel. Maar blijkbaar was de Terugkeer ingetrokken, voorlopig tenminste. Dat was waar devolle kennis.
De poort was smaller, misschien een vinger smaller dan eerst. Alleen zijn versperring hield hem open, want zodra Aviendha haar weefsel had losgelaten, probeerde de poort zich voortdurend te sluiten. ‘Haast je,’ beval hij Aviendha en ze keek hem zo geduldig aan dat het leek of een steen hem tussen de ogen had geraakt, ik probeer het, Rhand Altor,’ zei ze, nog steeds druk doende met de halsband. Tranen biggelden over Seri’s wangen en voortdurend klonk er een zacht gekreun in haar keel, alsof de Seanchaanse dacht dat Aviendha haar de hals zou afsnijden. ‘Je hebt dit viertal bijna gedood en misschien jezelf ook wel. Ik kon voelen hoe de Kracht woest door hen heen golfde toen je die halsband aanraakte. Laat me dus met rust en als ik het kan, zal ik het doen.’ Ze mompelde een vloek en probeerde het aan de andere kant.