Rhand vroeg zich af of hij de sul’dam de halsband kon laten ver wijderen – als iemand het zou kunnen, dan waren zij het – maar uit de diepe rimpels op hun voorhoofd maakte hij op dat hij hen zou moeten dwingen. Als hij een vrouw niet kon doden, kon hij haar ook niet martelen.
Met een zucht wierp hij een blik op het grijze niets dat de poort weer vulde. De stromen leken met de zijne te zijn verweven. Hij kon ze niet doorsnijden zonder de andere te raken. Als ze erdoorheen gingen, kon de val dichtslaan, maar als hij het grijs doorsneed, zou de poort dichtklappen voor ze erin waren gestapt. Het moest blindelings gebeuren en het Licht wist wat erachter lag. Morsa had goed geluisterd naar hun gesprek en keek nu nadenkend naar de twee sul’dam. Jalindin had haar ogen niet van het gezicht van de edelvrouwe afgehouden. ‘Er is veel geheimgehouden dat de Zoekers hadden moeten horen, vrouwe Morsa,’ zei de strenge vrouw. ‘De Zoekers dienen alles te weten.’
‘Je vergeet jezelf, Jalindin,’ snauwde Morsa en haar gehandschoen de handen bewogen heftig. Als haar armen niet langs haar zij werden vastgehouden, had ze de teugels stuk getrokken. Nu echter hield ze haar hoofd schuin om de andere vrouw hooghartig aan te zien. ‘Jij bent naar me toe gestuurd omdat Sarek boven zichzelf keek en plannen koestert voor Serengada Dai en Tuel, om maar te zwijgen over wat de keizerin...
Jalindin onderbrak haar grof. ‘U vergeet uzelf, vrouwe Morsa, als u denkt dat u niets met de Waarheidszoekers te maken hebt. Ikzelf heb een dochter en een zoon van de keizerin, moge het Licht haar zegenen, mogen ondervragen en als teken van dankbaarheid voor de bekentenissen die ik hen ontlokte, stond zij mij toe haar te aanschouwen. Denkt u dat een lager Huis hoger staat dan de kinderen van de keizerin zelf?’
Morsa hield zich kaarsrecht overeind – ze kon ook niet anders – maar ze werd grauw en maakte haar lippen nat. ‘De keizerin, moge het Licht haar voor eeuwig verlichten, weet reeds veel meer dan ik kan vertellen. Ik wilde zeker niet opperen...’
Opnieuw onderbrak de Zoeker haar en richtte zich tot de soldaten alsof Morsa niet bestond. ‘Vrouwe Morsa staat onder de hoede van de Waarheidszoekers. Ze zal worden ondervraagd zodra we terug zijn in Merinloe. De sul’dam en damane eveneens. Het lijkt me dat ze zaken ten onrechte hebben verborgen.’ Op de gezichten van de aangewezen vrouwen tekende zich afgrijzen af, maar Morsa was er het ergst aan toe. Met grote ogen, bleek en vertrokken, zakte ze in elkaar, voor zover de onzichtbare boeien dat toelieten, en ze zei niets terug. Ze keek of ze wilde gillen, desondanks... slikte ze het. Jalindins ogen richtten zich weer op Rhand. ‘Ze noemde je Rhand Altor. Je zult goed behandeld worden als je je aan mij overgeeft, Rhand Altor. Ik weet niet hoe je hier bent gekomen, maar je hoeft niet tedenken dat je kunt ontsnappen, zelfs niet als je ons doodt. Er is een grote speurtocht begonnen naar de marath’damane die vannacht heeft geleid.’ Haar ogen schoten even naar Aviendha. ‘Daarbij zul jij on getwijfeld eveneens worden gevonden en mogelijk per ongeluk worden gedood. Het oproer kraait in deze streken. Ik weet niet hoe mannen in jouw land worden behandeld, maar in Seanchan kan je lijden worden gesust. Je kunt hier grote eer verwerven door je kracht te gebruiken.’
Hij lachte haar uit en ze leek beledigd, ik kan je niet doden, maar ik zweer dat ik je daarvoor minstens zal villen.’ Hij zou zich in ie der geval geen zorgen hoeven te maken dat hij door Seanchaanse handen zou worden gesust. In Seanchan werden geleiders gedood. Niet door rechtspraak. Ze werden opgejaagd en ter plekke doodge schoten.
De grijze poort was weer een vinger smaller en nu amper breed genoeg om er naast elkaar doorheen te springen. ‘Laat maar, Aviendha. We moeten gaan.’
Ze liet Seri’s halsband los en keek hem terneergeslagen aan, maar terwijl haar ogen langs hem heen naar de poort gleden, nam ze haar rokken op om door de sneeuw naar hem toe te stappen, zachtjes mompelend over bevroren water.
‘Wees op alles voorbereid,’ zei hij en sloeg een arm om haar schouders. Hij maakte zichzelf wijs dat hij dat deed om voor de poort dichter bij elkaar te staan. Niet omdat het fijn aanvoelde. ‘Ik weet niet waarvoor, maar hou je gereed.’ Ze knikte en hij zei: ‘Spring.’ Samen sprongen ze het grijs in, Rhand liet het weefsel los dat de Seanchanen vastbond om zich op te laden met saidin... ... en kwam struikelend neer in zijn slaapkamer in Eianrod, waar de lampen brandden terwijl het buiten nog donker was. Asmodean zat tegen de muur naast de deur, met zijn benen gekruist. Hij hield de Bron niet vast, maar Rhand klapte toch een scherm neer tussen de man en saidin. Hij draaide zich pijlsnel om, nog steeds met zijn arm om Aviendha, en zag geen poort meer. Nee, nog niet echt verdwenen – hij kon zijn weefsel nog steeds onderscheiden, en dat van Asmodean – maar er leek helemaal niets meer te zijn. Hij wacht te geen moment en sneed zijn weefsel door. Opeens verscheen de poort weer en zag hij de Seanchanen achter de smaller wordende opening. Vrouwe Morsa zat ineengezakt in het zadel en Jalindin riep allerlei bevelen. Een groenwitte lans met een kwast boorde zich door de opening, net toen die dichtklapte. Als vanzelf geleidde Rhand Lucht om de twee voet lange lans vast te grijpen. De schacht was scherp en recht afgesneden, alsof een ambachtsman eraan had gewerkt. Hij huiverde en was blij dat hij niet had geprobeerd het grijze scherm te verwijderen – of wat het dan ook geweest was — vóór zij erdoorheen waren gesprongen.
‘Maar goed dat de twee sul’dam zich niet bijtijds herstelden,’ zei hij, terwijl hij de doormidden gehakte lans in zijn handen pakte, ‘anders hadden we nog ergere dingen achter ons aan gekregen.’ Hij nam Asmodean vanuit zijn ooghoeken op, maar de man zat er alleen maar en leek een beetje ziek. Hij wist niet of Rhand van plan was die lans door hem heen te jagen.
Aviendha snoof zo mogelijk nog feller. ‘Dacht je echt dat ik ze los had gemaakt?’ zei ze opgewonden. Ze duwde ferm zijn arm van haar weg, maar hij meende niet dat haar boosheid hem gold. Niet vanwege zijn arm tenminste. ‘Ik heb de afscherming zo strak mogelijk verknoopt. Het zijn je vijanden, Rhand Altor. Zelfs de vrouwen die jij damane noemt, zijn trouwe honden die je liever zouden doden dan zelf vrij te zijn. Je moet hard zijn tegen je vijanden, niet slap.’ Ze had gelijk, dacht hij terwijl hij de lans woog. Hij had daar vijanden achtergelaten die hij op een dag zou moeten bestrijden. Hij moest harder worden. Anders zou hij al geveld worden voor hij de kans kreeg naar Shayol Ghul te trekken.
Onverwachts begon ze haar rok glad te strijken en begon ze bijna een normaal gesprek, ik zag dat je die melkbleke Morsa niet van haar lot hebt gered. Zoals je haar aankeek, meende ik dat grote ogen en een ronde boezem weer je aandacht hadden getrokken.’ Rhand staarde haar aan met een verbijstering die als stroop langs de leegte rond hem droop. Het klonk alsof ze zei dat de soep klaarstond. Hij vroeg zich af hoe hij Morsa’s boezem onder die met bont afge zette mantel had kunnen zien. ‘Ik had haar mee moeten nemen,’ zei hij. ‘Om haar over de Seanchanen te ondervragen. Ik krijg nog last met ze, vrees ik.’
Het vonkje dat in haar ogen was verschenen, verdween. Ze wilde wat zeggen, maar hield haar mond toen ze Asmodean aankeek, die zijn hand had opgestoken. Hij kon bijna zien hoe de vragen over de Seanchanen zich in haar ogen opstapelden. Voor zover hij haar kende, zou ze blijven doorspitten tot ze elk vezeltje kennis uit hem had gekregen, zelfs van dingen die hij zich niet eens meer meende te her inneren. Wat misschien niet zo slecht was. Een volgende keer dan. Nadat hij enkele antwoorden uit Asmodean had geslagen. Ze had gelijk. Hij moest hard zijn.
‘Dat was slim, Rhand Altor,’ zei ze, ‘dat gat van mij verbergen. Als een gai’shain binnen was gekomen, zouden er misschien wel duizend speerzusters doorheen zijn getrokken om je te zoeken.’ Asmodean schraapte de keel. ‘Er is inderdaad een gai’shain geweest. Een zekere Sulin had haar gezegd dat u diende te eten, mijn Heer Draak. Om te voorkomen dat ze het dienblad binnenbracht en dele gekamer zou zien, heb ik de vrijheid genomen haar te zeggen dat u en de jonge vrouw niet gestoord wilden worden.’ Enkele oogspiertjes trokken zich opvallend samen. ‘En?’