‘Nou ja, ze vatte het vreemd op. Ze lachte hardop en rende weg. Even later moeten er wel twintig Far Dareis Mai onder het raam heb ben gestaan. Ze schreeuwden en roffelden een heel lange tijd met hun speren tegen hun schilden. Ik moet bekennen, mijn Heer Draak, dat enkele voorstellen die zij naar boven riepen, zelfs mij deden schrikken.’
Rhand voelde zich vuurrood worden – nu was het gebeurd aan de andere kant van de bloedwereld en nog wisten de Speervrouwen er van! – maar Aviendha kneep alleen haar ogen dicht. ‘Had ze net zulk haar en net zulke ogen als ik?’ Ze wachtte niet eens op het instemmend knikje van Jasin Natael. ‘Dat moet mijn eerst zuster Niella zijn geweest.’ Ze zag de geschrokken vraag op Rhands gezicht en gaf al antwoord. ‘Niella is wolweefster, geen Speervrou we. Ze werd een halfjaar geleden bij een overval op Sularaveste door de Speervrouwen van de Chareen meegenomen. Ze heeft geprobeerd mij de speer af te raden en wil me laten trouwen. Ik stuur haar naar de Chareen terug met een striem op haar achterste voor elke persoon die ze het heeft verteld.’
Rhand greep haar bij de arm toen ze het vertrek uit wilde stappen, ik wil met Natael praten. Ik neem niet aan dat het nog lang duurt voor de dageraad...’
‘Een paar uur, denk ik,’ opperde Asmodean.
‘... dus hebben we nog maar weinig tijd om te slapen. Als je dat zou willen doen, vind je het dan erg om je bed elders op te slaan? Je hebt trouwens toch andere dekens nodig.’
Ze knikte kort voor ze zich lostrok en de deur achter zich dichtsloeg. Ze was zeker niet boos omdat ze uit zijn slaapkamer werd gezet dat kon ook moeilijk: ze had gezegd dat er tussen hen niets meer zou gebeuren – maar hij was blij dat hij niet Niella was.
Terwijl hij de korte speer op en neer liet wippen, wendde hij zich tot Asmodean.
‘Een vreemde koningsstaf, mijn Heer Draak.’
‘Voor het moment volstaat het.’ Om hem eraan te herinneren dat de Seanchanen nog steeds bestonden. Hij had graag gehad dat hij zijn stem nog kouder kon laten klinken dan hij met saidin en de leegte kon bewerkstelligen. Hij moest hard zijn. ‘Voor ik besluit om jou als een lam aan het spit te rijgen... Waarom heb je me nooit dat kunst je geleerd om iets onzichtbaar te maken? Als ik de stromen niet had gezien, zou ik nooit hebben geweten dat de poort nog steeds bestond!’
Asmodean slikte en verschoof alsof hij niet wist of Rhand zijn dreigement meende. Rhand wist het zelf niet eens. ‘Mijn Heer Draak, u hebt het nooit gevraagd. Een kwestie van licht buigen. U hebt altijd zoveel vragen dat het moeilijk is wat tijd te vinden voor iets anders. U dient nu toch te weten dat ik mijn lot volledig aan u verbind?’ Hij maakte zijn lippen nat, kwam overeind, maar bleef geknield, en begon te praten, ik voelde uw weefsel – binnen een span kan iedereen het voelen – ik heb nog nooit zoiets gezien. Ik wist alleen dat De mandred een sluitende poort kon versperren, misschien Semirhage ook, en Lews Therin, maar ik voelde het en ben gekomen en kon slechts met de grootste moeite door hetzelfde kunstje te gebruiken langs de Speervrouwen komen. U móét weten dat ik U nu dien. Mijn Heer Draak, ik ben uw man.’
Het was de herhaling van woorden van de Cairhienin die nu pas goed tot hem doordrongen. Rhand zwaaide met zijn lans en zei ruw: ‘Sta op. Je bent geen hond.’ Maar toen Asmodean langzaam overeind kwam, legde hij de lange lanspunt tegen de hals van de man. Hij moest hard zijn. ‘Van nu af aan vertel je me bij elke wandeling twee dingen die ik niét heb gevraagd. Iedere keer, hoor je me? Als ik de indruk krijg dat je iets voor mij verborgen houdt, sta ik je met plezier aan Semirhage af.’
‘Zoals u beveelt, mijn Heer Draak,’ stamelde Asmodean. Het leek of hij wilde buigen en Rhands hand wilde kussen. Om dat te voorkomen liep Rhand naar het bed zonder dekens en ging op het linnen zitten. De veren matras gaf mee, terwijl hij de lans bekeek. Een goed idee om hem als herinnering te behouden, zij het niet als koningsstaf. Zelfs met al zijn andere zaken kon hij de Seanchanen maar beter niet vergeten. Die damane. Als Aviendha hen niet van de Bron had afgeschermd...
‘Je hebt geprobeerd me te tonen hoe ik een vrouw kan afschermen en het is je niet gelukt. Probeer me te leren hoe ik onzichtbare stromen kan vermijden en opvangen.’ Lanfir had zijn weefsel eens keurig netjes doorgesneden.
‘Dat is niet gemakkelijk, mijn Heer Draak, zonder een vrouw om mee te oefenen.’
‘We hebben de rest van de nacht,’ zei Rhand koeltjes en hief het scherm om de man op. ‘Probeer maar. Probeer het zo goed mogelijk.’
33
Een vuurrode zaak
Het mes streek vlak langs Nynaeves haren toen het in het hout plonk te waar ze tegenaan leunde. Achter haar blinddoek kneep ze haar ogen angstig dicht. Ze had veel liever een behoorlijke vlecht gehad, in plaats van die losse lokken tot op haar schouders. Als dat mes ook maar één haartje had doorgesneden... Stom mens , dacht ze verbitterd. Stom, stom mens.
Onder de opgerolde sjaal voor haar ogen kon ze nog net een streepje licht zien dat onder al die stof heel fel leek. Er moest nog voldoende licht zijn, ook al was het laat in de middag. De man zou zeker geen messen werpen wanneer hij niet goed kon zien. Het volgende mes sloeg aan de andere kant van haar hoofd in; ze kon het voelen trillen. Ze meende het tegen haar oor te voelen. Ze ging Thom Merrilin en Valan Luca vermoorden! En voor de goede orde: daarna elke andere man.
‘De peren!’ brulde Valan Luca, alsof hij niet maar dertig pas van haar vandaan stond. Hij nam blijkbaar aan dat de blinddoek ook haar oren afschermde.
Ze voelde in de buidel aan haar riem, pakte er een peer uit en zette die voorzichtig op haar hoofd. Ze was blind! Puur stom en blind! Nog twee peren. Behoedzaam strekte ze haar armen tussen de messen naast haar en hield de peren aan het steeltje vast. Even gebeur de er niets. Ze wilde haar mond al opendoen om Thom Merrilin toe te roepen dat als er ook maar één schrammetje... Plonk! Plonk! Plonk! De messen kwamen zo snel dat ze zou hebben gegild als haar keel niet door een vuist werd dichtgeknepen. In haar linkerhand had ze alleen nog het steeltje, door de andere peer stak een mes en het sap van de peer op haar hoofd drupte op haar haren. Ze griste de sjaal af en liep op hoge benen naar Thom en Luca, die waanzinnig stonden te grijnzen. Voor ze ook maar één woord kon uitbrengen, zei Luca bewonderend: ‘Je bent geweldig, Nana! Je moed is groots, maar jij bent nog geweldiger!’ Hij zwierde die belachelijke roodzijden mantel met een buiging rond en hield een hand op zijn hart. ‘Ik ga dit “Roos tussen de doornen” noemen. Al moet ik eer lijk zeggen dat jij mooier bent dan welke roos ook.’
‘Er is niet veel moed voor nodig om als een boomstam te blijven staan.’ Dus ze was een roos? Ze zou hem de doorns tonen. Ze zou het beiden eens goed inpeperen. ‘Luister eens, Valan Luca...’
‘Wat een dapperheid! Je dook niet eens in elkaar! Ik moet je zeggen dat ik de moed niet zou hebben om dat te doen!’ Dat was waar, zei ze bij zichzelf, ik ben niet moediger dan ik hoef te zijn,’ sprak ze, milder gestemd. Ze kon moeilijk een man uit schelden die volhield dat ze zo dapper was. Dat was in ieder geval beter dan dat gemekker over rozen. Thom streek langs zijn witte snorpunten alsof hij iets grappigs had gezien. ‘De kleding,’ zei Luca en glimlachte zo breed dat zijn tanden zicht baar werden. ‘Je zult er prachtig uitzien in...’
‘Nee,’ snauwde ze. Wat hij juist had goedgemaakt, deed hij nu teniet door hierover te beginnen. Clarine had een zijden gewaad van nog feller rood dan zijn mantel gemaakt, dat ze van Luca tijdens dit nummer moest dragen. Volgens haar was dat om het bloed te verbergen als Thoms mes ernaast zat.