Omdat jij zo koppig bent.
Alleen doordat zij zo woedend was dat ze zich een eenvoudige naam niet meer herinnerde, en omdat zij van plan was hem terug te vinden en erheen te gaan, al zou het de allergrootste moeite kosten. Nou, daar was niets van waar. Ze was van plan die Aes Sedai te vinden die misschien Rhand zouden steunen. Ze wilde hen naar Rhand brengen en niet als een zielige vluchteling naar Tyr vluchten om daar een veilig plekje te zoeken, ik kom er wel weer op,’ zei ze vlak. Het eindigde op ‘bar’. Of was bet ‘dar’? ‘Lar’?
‘Voor je er genoeg van krijgt je op het koord te laten bewonderen, weet ik het.’
Die kleren trek ik niet aan!
34
Een zilveren pijl
Elayne kookte die avond, wat betekende dat geen enkel gerecht simpel was. Ze zaten op krukken rond het vuur. De krekels in het om liggende bos tjirpten en nu en dan klonk in de diepe duisternis een ijl droef geluid van een nachtvogel op. De soep werd koud opgediend en leek gelei, waarop fijngehakte groene verris was gestrooid. Het Licht mocht weten waar ze die verris of die kleine uitjes die door de erwten heen zaten, had gevonden. Het vlees was zo dun gesneden dat je erdoorheen kon kijken en zat om iets gewikkeld dat van peentjes, zoetbonen, bieslook en geitenkaas was gemaakt. Als toetje hadden ze zelfs een kleine honingtaart.
Het smaakte heel lekker, hoewel Elayne tobde dat het niet helemaal was zoals het moest zijn, alsof ze dacht dat ze het werk van de paleiskeuken in Caemlin kon evenaren. Nynaeve was ervan overtuigd dat ze niet uit was op lovende woorden. Elayne zou die altijd weg wuiven en je dan haarfijn vertellen wat er mis was met de smaak. Thom en Juilin mopperden dat er zo weinig vlees was, maar Nynaeve zag dat ze alles tot het laatste hapje opaten en zelfs teleurgesteld keken toen het laatste erwtje was verdwenen. Wanneer zij kookte, leken ze altijd net een uitnodiging te hebben voor een van de andere wagens. Wanneer een van de mannen kookte, was het altijd stamppot, of vlees met bonen dat zo scherp smaak te dat je je tong brandde.
Ze aten natuurlijk niet alleen. Luca had zich opgedrongen, had zijn eigen krukje meegebracht en dat pal naast de hare neergepoot, zijn rode mantel op de fraaiste wijze uitgespreid en zijn lange benen voor zich uitgestrekt, zodat zijn dijen goed zichtbaar waren boven de om geslagen kappen van zijn kniehoge laarzen. Hij was er bijna iedere avond, maar vreemd genoeg niet op de avonden dat zij kookte. Het boeide haar wel dat zijn ogen op haar bleven gericht terwijl zo’n knappe vrouw als Elayne aanwezig was, maar hij zou zijn redenen wel hebben. Goed beschouwd zat hij veel te dichtbij – ze had van avond haar kruk al driemaal opzij geschoven, maar hij schoof steeds weer aan, zonder een woord te missen en zonder het blijkbaar te merken. Hij vergeleek haar nu eens met velerlei bloemen, een vergelijking die altijd in het nadeel van de bloem uitviel, terwijl hij het blauwe oog negeerde dat een blinde nog kon zien, dan weer over peinsde hij hardop hoe knap ze wel niet zou zijn in het rode gewaad, afgewisseld met lofbetuigingen over haar moed. Tweemaal duidde hij heimelijk op een wandelingetje in het maanlicht, maar deed dat zo verborgen dat ze er niet eens zeker van was, totdat ze nog eens goed over zijn woorden nadacht.
‘Dat kleed zal je in je onstuitbare moed volmaakt omlijsten,’ mompelde hij in haar oor, ‘maar nog voor geen kwart zo goed als je je zelf toont, want de in het donker bloeiende daralelies zouden van af gunst wenen als ze jou langs het maanverlichte water zien wandelen, zoals ik zou doen en mezelf tot bard verheffen om je lof te zingen in het schijnsel van deze maan.’
Ze keek hem met knipperende ogen aan, terwijl ze de woorden tot zich liet doordringen. Luca scheen te denken dat ze met haar wimpers knipperde en voor hij aan haar oor kon knabbelen, gaf ze hem per ongeluk een por met haar elleboog. Hij begon te kuchen en beweerde dat er een taartkruimeltje in zijn verkeerde keelgat was geschoten. De man was best knap. Hou daarmee op! Hij had mooie dijen. Wat doe je in Lichtsnaam? Naar zijn benen kijken? Maar hij moest wel denken dat ze een domme gans was. Hij deed het allemaal voor zijn voorstelling.
Ze schoof haar kruk weer opzij, terwijl hij op adem probeerde te komen. Veel verder kon ze niet wegschuiven of ze zou iedereen duidelijk hebben gemaakt dat ze aan hem wilde ontsnappen, maar ze hield haar mes klaar voor het geval hij wilde volgen. Thom zat heel strak naar zijn bord te turen, alsof er van het parelwitte glazuur nog iets viel op te likken. Juilin floot een niet-bestaand wijsje en tuurde zo genaamd aandachtig heel stil naar de kleiner wordende vlammetjes. Elayne keek haar hoofdschuddend aan.
‘Het was heel gezellig dat je bij ons bent geweest,’ zei Nynaeve ter wijl ze opstond. Luca volgde meteen haar voorbeeld en er lag een hoopvolle blik in zijn ogen, terwijl het vuur er flonkerend in weer kaatste. Ze zette haar bord op het zijne, dat hij nog vasthield, ik weet zeker dat Thom en Juilin je heel dankbaar zijn als je helpt bij het afwassen.’ Voor zijn mond wagenwijd openviel, wendde ze zich tot Elayne. ‘Het is al laat en ik neem aan dat we vroeg de rivier over gaan.’
‘Natuurlijk,’ mompelde Elayne met iets van een glimlach, waarna ze haar bord op de twee andere van Luca plaatste voor ze Nynaeve de wagen in volgde. Nynaeve had haar kunnen omhelzen. Totdat Elayne zei: ‘Je zou hem werkelijk niet zo moeten aanmoedigen.’ De lampen in de muurhangers lichtten op.
Nynaeve plantte haar vuisten in de zij. ‘Aanmoedigen?! De enige ma nier waarop ik hem nog minder kan aanmoedigen, is hem neer te steken!’ Elayne snoof veelzeggend, terwijl ze fronsend naar de lampen keek. ‘Gebruik de volgende keer zo’n vuurstokje van Aludra. Zo’n strijker. Op een dag denk je niet na en geleid je waar je het niet zou moeten doen, en waar blijven wij dan? Rennen voor ons leven met honderd Witmantels achter ons aan.’
Met haar aangeboren koppigheid liet Elayne zich niet afleiden. ‘Ik ben wel jonger dan jij, maar soms denk ik dat ik meer van mannen weet dan jij ooit zult doen. Voor een man als Valan Luca was die leuke ontsnapping slechts een aansporing jou te blijven volgen. Als je hem de neus zou afbijten, zoals je de eerste dag hebt gedaan, geeft hij misschien op. Je hebt hem niet gezegd ermee op te houden, je hebt het niet eens gevraagd! Je bleef hem maar glimlachend aankijken. Wat moet die man volgens jou dan wel niet denken? Je hebt al dagenlang voor niemand een glimlach over.’
‘Ik probeer in een goede stemming te blijven,’ mopperde Nynaeve. Iedereen klaagde maar over haar buien en nukken, en net nu ze die probeerde te beheersen^ had Egwene er een klacht over! En ze was echt niet zo stom dat ze zich door zijn lieve woordjes liet inpakken! Zo dwaas was ze niet. Elayne lachte haar uit en ze keek kwaad. ‘O Nynaeve, je kunt de zon in de ochtend niet tegenhouden! Toen Lini dat zei, had ze aan jou kunnen denken.’
Met moeite hield Nynaeve haar gezicht strak. Ze kon haar boze bui bedwingen. Heb ik dat net buiten niet bewezen? Ze stak haar hand uit. ‘Geef mij de ring. Hij wil morgenochtend de rivier over en ik wil vannacht ook nog even echt slapen.’
‘Ik dacht dat ik vannacht zou gaan.’ Elaynes stem klonk bezorgd. ‘Nynaeve, je hebt bijna elke nacht Tel’aran’rhiod betreden, behalve de avonden dat Egwene er was. Die Bair heeft trouwens een appeltje met jou te schillen. Ik moest ze vertellen waarom je er weer niet was en ze zei dat je niet zoveel rust nodig had, hoe vaak je er ook heen gaat, tenzij je iets verkeerds doet.’ Haar zorg werd vastberadenheid en de jonge vrouw zette haar vuisten in de zij. ‘Ik moest naar een lesje luisteren dat voor jou was bestemd en het was heel onprettig, met Egwene erbij, die bij ieder woord stond te knikken. Goed, ik denk echt dat ik vannacht...’
‘Alsjeblieft, Elayne.’ Nynaeve bleef haar hand ophouden. ‘Ik heb vragen voor Brigitte en haar antwoorden zullen wel tot nieuwe vragen leiden.’ Die had ze ook, zo ongeveer; ze kon altijd vragen voor Birgitte bedenken. Het had niets te maken met Egwene of de Wijzen ontlopen. Als zij zo vaak naar Tel’aran’rhiod trok dat Elayne steeds de bijeenkomsten met Egwene bezocht, dan kwam dat gewoon toevallig zo uit.