Ze aarzelde, al stak ze haar hand uit naar de slapende vrouw. Iemand wekken die in Tel’aran’rhiod verbleef, was verre van gemakkelijk – schudden of ijskoud water in het gezicht hielp niet altijd – en Nynaeve zou het niet waarderen als ze wakker werd geslagen na het blauwe oog van Cerandin.
Ik vraag me af wat er werkelijk is gebeurd; ik zal het Cerandin eens vragen.
Wat er ook aan de hand was, Nynaeve zou in staat moeten zijn uit de droom te stappen wanneer ze dat wilde. Tenzij... Egwene had verteld dat de Wijzen iemand tegen haar wil in Tel’aran’rhiod konden houden. Hoe wel zij dat kunstje had geleerd, had ze het niet aan Nynaeve en Elayne doorgegeven. Als iemand Nynaeve nu vasthield, haar pijn deed, kon het niet Birgitte zijn of de Wijzen. Nou ja, de Wijzen wellicht wel, als ze haar hadden zien ronddwalen waar ze volgens hen niet mocht komen. Maar als zij het niet waren, dan bleef alleen... Ze pakte Nynaeves schouders beet om haar wakker te schudden als dat niet werkte zou ze het water in de kan op tafel ijskoud maken, of wezenloos op haar wangen blijven timmeren – maar Nynaeves ogen schoten al open.
Onmiddellijk barstte ze luid in huilen uit, het wanhopigste geluid dat Elayne ooit had gehoord. ‘Ik heb haar gedood! O, Elayne, ik heb haar met mijn stomme trots gedood, omdat ik dacht...’ Ze snikte met open mond en de woorden stierven weg.
‘Gedood? Wie?’ Het kon niet Moghedien zijn. Haar dood zou dit verdriet zeker niet veroorzaken. Ze wilde Nynaeve net troostend in haar armen nemen toen er op de wagendeur werd gebonsd. ‘Stuur ze weg,’ snikte Nynaeve, die zich tot een bal midden in het bed oprolde.
Zuchtend liep Elayne naar de deur en deed open, maar voor ze iets kon zeggen, doemde Thom uit het donker op en duwde haar opzij.
Een verkreukeld hemd hing los over zijn broek en in beide armen droeg hij iemand die in zijn bruine mantel was gewikkeld. Ze zag alleen blote vrouwenvoeten.
‘Ze was er opeens,’ zei Juilin achter hem,, alsof hij zijn eigen woorden niet geloofde. Beide mannen liepen op blote voeten en Juilin had alleen een broek aan, zodat zijn magere, haarloze borst was te zien. ‘Ik werd wakker en opeens stond ze daar, zo naakt als bij haar geboorte, en zakte ze als een losgesneden net in elkaar.’
‘Ze leeft,’ zei Thom, die de in de mantel gewikkelde vrouw op Elaynes bed neervleide, ‘maar het is kantje boord. Ik kan haar hart amper horen kloppen.’
Fronsend trok Elayne de kap van de mantel naar achter en keek met grote ogen onvenvachts neer op het gezicht van Birgitte, bleek en weggetrokken.
Nynaeve klauterde stijf van het andere bed en knielde naast de bewusteloze vrouw neer. Haar gezicht glom van de tranen, maar ze huilde niet meer. ‘Ze leeft!’ zuchtte ze. ‘Ze leeft.’ Opeens drong het tot haar door dat ze in haar nachtgoed was en de twee mannen in de wagen stonden, maar ze hield haar bekende boze blik voor zich en zei: ‘Stuur ze weg, Elayne. Ik kan niets doen als zij hier schaapachtig staan te gapen.’
Thom en Juilin keken elkaar met opgetrokken wenkbrauwen aan, lichtjes hoofdschuddend, maar liepen zonder te klagen naar de deur. ‘Het is... een vriendin,’ gaf Elayne aan. Ze voelde zich alsof ze in een droom bewoog, zweefde zonder iets te voelen. Hoe was dit mogelijk? ‘We zullen voor haar zorgen.’ Hoe had dit kunnen gebeuren? ‘Maar zeg er niets over, tegen niemand.’ De blik die ze haar schonken bij het sluiten van de deur, deed haar bijna blozen. Natuurlijk wisten ze wel beter dan erover te praten. Mannen dienden soms echter aan de eenvoudigste zaken herinnerd te worden, zelfs Thom. ‘Nynaeve, hoe is het bij het Licht mogelijk,’ begon ze, zich omdraaiend, maar kapte haar woorden af toen ze zag hoe de saidargloed de geknielde vrouw omhulde.
‘Moge ze branden!’ vloekte Nynaeve, uit alle macht geleidend. ‘Moge ze hiervoor eeuwig branden!’ Elayne herkende de geweven stromen van het helen, maar het bleef bij herkennen, ik zal haar weten te vinden, Birgitte,’ mompelde Nynaeve. Stromen Geest overheersten, maar Water en Lucht waren er ook bij, zelfs Aarde en Vuur. Het zag er even ingewikkeld uit als met twee handen en twee voeten tegelijk een kleed borduren. Met een blinddoek voor. ‘Hiervoor zal ik haar laten boeten.’ De gloed die rond Nynaeve straalde, werd feller en feller, zodat zelfs de lampen erbij verbleekten. Het deed pijn aan haar ogen en Elayne kneep ze half dicht. ‘Dat zweer ik! Bij het Licht en mijn hoop op redding en wedergeboorte, dat doe ik!’ De woede in haar stem veranderde, werd zelfs nog feller. ‘Het werkt niet! Ze mankeert niets dat ik niet kan helen. Ze is zo gezond als ieder ander! Maar ze is stervende! O Licht, ik kan voelen hoe ze wegzakt. Bloed vuur, Moghedien! Laat haar verzengen met mij erbij!’ Ze gaf het echter niet op. Ze bleef weven en ingewikkelde stromen trokken door Birgitte heen. De vrouw lag nog steeds stil, de goudblonde vlecht op zij op het bed, terwijl het stijgen en dalen van haar borst vertraag de.
‘Ik kan iets doen wat kan helpen,’ zei Elayne langzaam. Je moest er toestemming voor hebben, maar zo was het niet altijd geweest. Vroeger gebeurde het even vaak mét als zonder toestemming. Er was geen reden dat het alleen bij mannen zou werken. Al had ze nooit eerder gehoord dat het bij een vrouw kon.
‘Een band?’ Nynaeve keek niet op van de vrouw op het bed en bleef zich met de Ene Kracht inspannen. ‘Ja, jij zult het moeten doen... ik weet niet hoe... maar laat mij leiden. Op dit moment dringt maar half tot me door wat ik doe, maar ik weet dat ik het kan. Jij kunt nog geen schram helen.’
Elaynes mond verstrakte, maar ze ging er niet op in. ‘Geen band.’ De hoeveelheid saidar die Nynaeve had aangetrokken, was verbijsterend. Als zij Birgitte daarmee niet kon helen, zou de toegevoegde kracht van Elayne niet veel verschil maken. Samen zouden ze beter zijn dan alleen, maar hun twee krachten werden niet bij elkaar gevoegd. Bovendien wist ze niet eens zeker of ze een band kon vormen. Ze was maar één keer eerder verbonden geweest, en toen had een Aes Sedai het gedaan; meer om te laten zien wat het was dan om te tonen hoe het ging. ‘Stop, Nynaeve. Je ziet zelf dat het niet werkt. Stop ermee en laat mij het proberen. Als het niet helpt, kun jij...’ Ja, wat kon Nynaeve dan nog? Als Heling werkte, werkte het, zo niet... het had geen zin om het na een mislukking een tweede keer te pro beren.
‘Wat proberen?’ snauwde Nynaeve, maar ze schoof onhandig van het bed, zodat Elayne erbij kon. Het weefsel van de Heling ver flauwde, maar niet de lichtgloed om de andere vrouw. Elayne gaf geen antwoord, maar legde haar hand op Birgittes voor hoofd. Lijfelijk aanraken was hierbij even noodzakelijk als bij Heling en de twee keren dat ze het in de Toren had zien doen, had de Aes Sedai het voorhoofd van de man aangeraakt. De stromen Geest die ze weefde, waren ingewikkeld, zij het niet zo bewerkelijk als die van Nynaeve eerder. Ze begreep maar half wat ze deed en geheel niets van andere delen, maar ze had vanuit haar schuilplekje heel goed op gelet om te zien hoe het weefsel was gevormd. Heel goed toegekeken, omdat ze veel verhalen in haar hoofd had opgeslagen, dwaze liefdesverhalen die amper waar konden zijn. Even later ging ze op het andere bed zitten en liet saidar los.
Nynaeve keek haar fronsend aan en boog zich toen over Birgitte om haar te onderzoeken. De kleur van de bewusteloze vrouw leek enigs zins te verbeteren, haar ademhaling iets krachtiger. ‘Wat heb je gedaan, Elayne?’ Nynaeve bleef Birgitte in het oog houden, maar de gloed om haar heen verflauwde langzaam. ‘Het was geen Heling. Ik denk dat ik het zelf nu ook kan, maar het was geen Heling.’
‘Blijft ze in leven?’ vroeg Elayne zwak. Er was geen zichtbare band tussen haar en Birgitte, geen stroom, maar ze kon voelen hoe zwak de andere vrouw was. Een vreselijke zwakte. Ze zou het ogenblik kennen dat Birgitte stierf, zelfs in haar slaap, zelfs al was ze honderden spannen van haar vandaan.