Выбрать главу

‘Ik probeer goed te maken wat ik...’ begon ze verlegen en ze sprong op toen de ander brulde: ‘Goed maken! Je probeert me slecht te maken!’

‘Nee, nee, dat is het niet. Het is mijn schuld...’

‘Jij neemt de verantwoordelijkheid voor mijn daden,’ onderbrak Birgitte haar ruw. ‘In Tel’aran’rhiod heb ik verkozen jou aan te spreken, ik verkoos jou te helpen, ik verkoos Moghedien te gaan zoeken. En ik verkoos jou erheen te brengen, ik! Jij niet, Nynaeve, ik! Ik was geen speelpop van jou, geen jachthond, daar niet, en hier wil ik het niet worden.’

Nynaeve slikte hevig en greep haar rok nog steviger vast. Ze had geen recht om kwaad op deze vrouw te zijn. Geen enkel recht. Birgitte had elk recht. ‘Jij deed wat je was gevraagd. Het is mijn schuld dat je... dat je hier bent. Het is allemaal mijn schuld!’

‘Heb ik het over schuld gehad? Ik kan niets vinden! Alleen mannen en domme meiden voelen zich schuldig wanneer er geen schuld bestaat, en jij bent geen man en ook geen dom kind.’

‘Het kwam door mijn domme trots. Ik dacht beter dan haar te zijn en door mijn lafheid heeft zij... heeft zij... Als ik niet zo bang was geweest dat ik nog niet kon spuwen, had ik bijtijds iets kunnen doen’

‘Een lafaard?’ Birgittes ogen werden wijd opengesperd, openlijk on gelovig en haar stem klonk honend. ‘Jij? Ik dacht dat je slimmer was en angst niet verwarde met lafheid. Jij had uit Tel’aran’rhiod weg kunnen komen toen Moghedien jou losliet, maar je bleef verder vechten. Dat je dat niet kon, is geen schuld of schande.’ Ze haalde diep adem, wreef even over haar voorhoofd en boog zich toen weer fel naar haar toe. ‘Luister goed naar me, Nynaeve. Ik neem niet de schuld op me van wat jou werd aangedaan. Ik zag het, maar ik kon geen spiertje bewegen. Als Moghedien jou in de knoop had gelegd of je als een appel had uitgehold, zou ik nog de schuld niet op me nemen. Ik deed wat ik kon, toen ik het kon. Jij deed hetzelfde.’

‘Het was niet hetzelfde.’ Nynaeve probeerde elke ergernis uit haar stem te weren. ‘Het was mijn schuld dat je daar was. Het is mijn schuld dat je hier bent. Als jij...’ Ze zweeg om weer te slikken. ‘Als jij... mist... wanneer je vandaag op me schiet, wil ik je zeggen dat ik het begrijp.’

‘Ik mis het doel niet waar ik op richt,’ zei Birgitte droog. ‘En ik richt niet op jou.’ Uit een van de kasten begon ze allerlei dingen te pakken die ze op het kleine tafeltje neerlegde. Pijlen die nog niet af waren, geschuurde schachten, stalen pijlpunten, een stenen lijmpot, een dun koord en grijze ganzenveren. Ze had ook gezegd dat ze, zodra het kon, haar eigen boog wilde maken. Die van Luca noemde ze meer kwast dan tak, door een blinde dwaas in het midden van de nacht van een waaihoutboom afgebroken, ik vond je aardig, Nynaeve,’ zei ze terwijl ze alles rangschikte. ‘Met je stekels en je nukken en alles. Maar zoals je nu bent...’

‘Je hebt geen reden mij aardig te vinden,’ zei Nynaeve ellendig, maar de ander onderbrak haar zonder te luisteren.

‘... en ik sta je niet toe mij te kleineren, mijn beslissingen te minachten door te beweren dat jij er aansprakelijk voor bent. Ik heb enkele vriendinnen gehad, maar de meesten hebben de aard van een sneeuwspook.’

‘Ik zou graag willen dat je mijn vriendin weer kon zijn.’ Wat in het Licht was een sneeuwspook? Ongetwijfeld iets uit een andere Eeuw.

‘Ik zou jou nooit willen kleineren, Birgitte, ik wil...’ Birgitte lette niet op haar, sprak enkel wat luider. Ze leek alleen aan dacht voor haar pijlen te hebben, ik zou het fijn vinden jou te mogen, of dat nu wederkerig is of niet, maar dat is onmogelijk zolang je niet jezelf bent. Ik zou met je kunnen leven als je een melktong snuivende feeks zou zijn. Ik neem mensen zoals ze zijn, zie ze zoals ik ze graag zou zien, of laat ze anders links liggen. Maar zo ben jij niet en ik aanvaard jouw reden niet om anders te zijn. Ziezo. Clarine heeft me over jouw ontmoeting met Cerandin verteld, dus weet ik nu wat ik de volgende keer moet doen als je beweert dat mijn beslissingen de jouwe zijn.’ Ze zwiepte fel met een stuk essenhout. ‘Ik weet zeker dat Latelle mij maar al te graag een zweep zal aanreiken.’ Nynaeve dwong haar kaakspieren zich wat te ontspannen, dwong zich zo gelijkmoedig mogelijk te praten als ze maar kon. ‘Je hebt vol komen het recht met mij te doen wat je wilt.’ Haar om haar rok geklemde vuisten beefden heviger dan haar stem. ‘Een tikkeltje karakter zichtbaar? Aan de randjes?’ Birgitte gaf haar een brede grijns, zowel van vermaak als van angstwekkende bloed dorst. ‘Hoelang zal het duren voor de vlammen eruit slaan? Ik ben bereid je zo nodig eindeloos met rietjes te bewerken.’ De grijns ging over in ernst, ik zal ervoor zorgen dat je inziet dat ik gelijk heb of ik zal je weg krijgen. Een andere mogelijkheid is er niet. Ik kan en wil Elayne niet in de steek laten. Die binding eert mij en ik zal haar eren, en Elayne. En ik sta je niet toe om te denken dat jij de beslis singen voor me neemt of hebt gemaakt. Ik ben mezelf, geen aan hangsel van jou. Ga nu weg. Ik moet die pijlen afhebben, als ik wil dat ze recht vliegen. Ik ben niet van plan jou te doden en ik laat het ook niet per ongeluk gebeuren.’ Ze maakte de lijmpot open en boog zich over de tafel. ‘Vergeet niet als een braaf meisje een diepe knix te maken bij het naar buiten gaan.’

Nynaeve wist het eind van de trap te halen voor ze woest met haar vuisten op haar dijen sloeg. Hoe durfde die vrouw! Dacht ze dat ze zomaar... Dacht ze echt dat Nynaeve dit zou slikken? Ik dacht dat ze alles met jou mocht doen? fluisterde een stemmetje in haar hoofd. Ik zei dat ze me dood mocht maken, snauwde ze terug, niet mij vernederen! Het zou niet lang duren of iedereen ging haar dreigen met dat Seanchaanse bloedmens!

De wagens stonden er verlaten bij, behalve enkele knechten in ruwe jassen die als bewaking vlak bij een hoge omheining van zeil stonden, die rond Luca’s beestenspul was geplaatst. Vanaf dit grote wei land met bruin gras was een halve span verder Samara zichtbaar. De grijze stenen stadswallen waren duidelijk te zien, met lage vierkante torens bij de toegangspoort en enkele hogere gebouwen met daken van pannen of riet. Buiten de muren spreidden dorpen van hutten en smerig afval zich als paddestoelen alle kanten uit, vol met volgelingen van de Profeet, die tot in de wijde omgeving al het hout hadden gebruikt voor de bouw of de vuren.

De ingang voor bezoekers lag aan de andere kant, maar twee knechten stonden met dikke knuppels aan deze kant om iedereen te ontmoedigen die zonder te betalen door de ingang van de kunstenmakers binnen wilde glippen. Nynaeve was al vlak bij hen, zo snel mogelijk doorstappend en boos in zichzelf mopperend, toen ze door hun stomme gegrijns besefte dat de omslagdoek nog steeds over haar ellebogen hing. Haar blik veegde hun gezichten vlak. Pas toen bedekte ze zich netjes en langzaam. Ze wilde niet dat die lummels dachten dat ze haar konden laten gillen en wegspringen. De magere, met een neus die de helft van zijn gezicht besloeg, hield de zeilflap opzij. Ze dook erdoorheen en belandde in de herrie en de drukte. Overal dromden mensen samen: luidruchtige, ronddrentelende groepen mannen, vrouwen en kinderen, in druk pratende stromen die van de ene plek naar een volgende trokken. Alles, behalve de kunsten van de s’redits, werd uitgevoerd op houten verhogingen die Luca had laten bouwen. De zwijnpaarden van Cerandin trokken de meeste kijkers. De geweldige grijze dieren stonden werkelijk op hun voorpo ten, zelfs het kleintje, met hun lange snuiten soepel omhooggekruld. De honden van Clarine trokken de minste aandacht, al sprongen en buitelden zeijverig over elkaar heen. Een behoorlijk aantal mensen bleef staan om te kijken naar de leeuwen en de behaarde beerachti gekapars in hun kooien; naar de herten met hun brede hoorns uit Arafel, Saldea en Arad Doman; naar de felgekleurde vogels uit het Licht wist welke streken; naar enkele waggelende beesten met een bontvacht, grote ogen en ronde oren die geduldig bladeren zaten te eten van takken die ze in hun voorpoten vasthielden. Luca’s verhaal over waar deze vandaan kwamen, was iedere keer anders. Ze nam aan dat hij het niet wist en hij had voor hen nog geen goed klinkende naam kunnen bedenken. Een enorme slang uit de moerassen van Illian, viermaal zo lang als een mens, lokte bijna evenveel gezucht uit als de s’redits, hoewel het beest er enkel doodstil lag, schijnbaar in slaap, maar ze zag tot haar genoegen dat de beren van Latelle, die nu boven op grote, rode houtrollen stonden die ze met hun poten lieten ronddraaien, weinig meer mensen trokken dan de honden. Dit volk kon beren in de bossen hier zien, ook al hadden die geen witte gezichten zoals deze.