Выбрать главу

Elayne begaf zich op het touw, de armen wijd, en ze geleidde geen zuchtje Lucht. Langzaam stapte ze eroverheen, telkens een voet voor de ander plaatsend. Ze haperde nergens en werd alleen gedragen door het touw. Geleiden zou veel te gevaarlijk zijn als Moghedien er enig idee van had waar ze zaten. De Verzaker en de Zwarte zusters konden in Samara huizen en dan zouden ze in staat zijn het weven te voelen. En als ze nu niet in Samara waren, zouden ze zeker gauw komen. Op de verste vlonder bleef Elayne staan – er werd aanzienlijk harder geklapt dan bij Juilin; Nynaeve begreep dat niet – en liep weer terug. Bijna aan het eind tolde ze rond, liep weer terug en tolde nog maals rond. Ze wiebelde, en hield zichzelf nog net in evenwicht. Nynaeve leek een schroef rond haar keel te voelen. Rustig en kalm stappend liep Elayne over het koord naar de vlonder en hief wederom haar handen onder oorverdovend handgeklap en donderend geschreeuw.

Nynaeve slikte een brok weg en haalde weer adem, hortend, maar ze wist dat het nog niet was afgelopen.

Elayne hief beide handen boven haar hoofd en maakte opeens een radslag over het touw, de zwarte vlechten wapperden, de in het wit gestoken benen flitsten in de zon. Nynaeve slaakte een gil en klamp te zich aan Luca’s arm vast tot het meisje op de verste vlonder stond, struikelde en nog net kon voorkomen dat ze doorsloeg. ‘Wat is er aan de hand?’ mompelde hij terwijl de menigte naar adem snakte. ‘Je hebt dit na Sienda elke ochtend gezien. En op heel veel andere plaatsen ook, neem ik aan.’

‘Natuurlijk,’ zei ze flauwtjes. Omdat haar ogen strak op Elayne gericht waren, voelde ze amper hoe zijn arm om haar schouders gleed, zeker niet stevig genoeg om er iets aan te doen. Ze had geprobeerd het meisje over te halen te doen of haar enkel verstuikt was, maar Elayne had erop gestaan en gezegd dat ze, na alle oefeningen, de Kracht niet meer nodig had. Juilin mocht de Kracht dan wel niet nodig hebben, maar Elayne had ’s nachts nooit over de daken rondge klauterd.

De radslagen de andere kant op gingen volmaakt, evenals het neer komen, maar Nynaeve bleef kijken en Luca’s mouw vasthouden. Na wat nu de onvermijdelijke rust was voor het klappen en roepen, keer de Elayne weer terug op het touw voor nog meer rondtollen met een opgetrokken been, dat ze zo snel naar boven en naar beneden bewoog dat het leek of het de hele tijd uitgestrekt was, en voor een tra gehandstand waarbij ze zich zo recht als een dolk opduwde en de witte tenen van haar muiltjes recht omhoogwezen. Vervolgens een achterwaartse handstand, waarbij de menigte naar adem snakte en zij nog net haar evenwicht bewaarde. Dat had Thom haar geleerd. Vanuit haar ooghoeken zag Nynaeve Thom drie stappen verder op de ballen van zijn voeten staan kijken, de ogen aan Elayne vastgeklonken. Hij keek zo trots als een pauw, maar leek klaar te staan om erheen te rennen en haar op te vangen als ze zou vallen. Als ze viel, was het gedeeltelijk zijn schuld. Hij had haar die dingen niet mogen leren!

Een laatste reeks radslagen, witte benen flitsend en glinsterend in de zon, nog sneller dan de vorige. Een onderdeel waarover ze Nynaeve nooit had verteld! Ze zou Luca met haar tong hebben vermorzeld als hij niet boos had gemopperd dat wat Elayne nu alleen voor wat handgeklap aan haar opvoering toevoegde, een goede manier was om haar nek te breken. Een laatste stop voor een fraaie houding en eindelijk klom Elayne omlaag.

Juichend snelde de menigte op haar af. Luca en vier paardenknechten met knuppels doken naast haar op alsof ze door de Kracht werden bewogen, maar zelfs Thom was hinkend en wel nog sneller. Nynaeve sprong zo hoog mogelijk op en slaagde er nog net in Elayne boven de hoofden te zien. Het meisje leek helemaal niet bang, zelfs niet voor de menigte, voor al die handen die haar wilden aan raken. Ze strekte zich uit temidden van de lijfwachten. Met opgeheven hoofd, rood van de inspanning, lukte het haar nog even koel en koninklijk te lijken terwijl ze werd weggeleid. Hoe zij dat in die kleding klaarspeelde, was Nynaeve een raadsel.

‘Gezicht als een bloedkoningin,’ mompelde de eenoog in zichzelf. Hij was niet met de anderen meegehold, maar liet ze allemaal langs. In de grove kleren en een eenvoudige jas van donkergrijze wol leek hij zeker stevig genoeg om niet bang te zijn dat hij werd omgestoten en onder de voet gelopen. Hij maakte de indruk te weten hoe hij dat zwaard moest gebruiken. ‘Bloed en as voor een uitgebeende schapenboer, maar ze is vervloekt dapper genoeg voor een bloedkoningin.’

Nynaeve keek hem met open mond na toen hij door de menigte weg stapte, maar dat kwam niet door zijn taal. Tenminste, dat was het maar gedeeltelijk. Ze herinnerde zich waar ze hem eerder had gezien, een eenogige man met een haarknot die geen twee zinnen kon uit spreken zonder de smerigste vloeken te gebruiken. Ze vergat Elayne – die was nu weer veilig – en begon zich door de menigte een weg te banen, achter hem aan.

38

Een oude kennis

Door de drukte duurde het even voor Nynaeve hem in kon halen. Ze mopperde herhaaldelijk, als ze werd opgehouden door een man die met open mond alles tegelijk wilde zien of door een vrouw met twee kinderen, een aan iedere hand, die probeerden haar twee kanten tegelijk op te trekken naar twee verschillende kunstenmakers. De eenoog bleef nergens staan om te kijken, behalve eventjes bij de grote slang en de leeuwen, tot hij bij de zwijnpaarden kwam. Hij moest ze bij zijn binnenkomst al hebben gezien, want ze stonden vlak bij de ingang voor de toeschouwers. Telkens als de s’redits op hun achterpoten stonden, zoals nu, kon men buiten over de omheining de grote koppen met de slagtanden van de volwassen dieren zien en werd er wat harder gedrongen om binnen te komen. Onder een groot rood bord dat aan beide kanten in ingewikkelde gouden letters VALAN LUCA vermeldde, namen twee paardenknechten het toegangsgeld aan van mensen die tussen dikke gespannen touwden naar binnen dromden. Het geld viel in een doorzichtige glazen stolp – van dik bewolkt glas, want Luca zou nooit veel geld aan een betere besteden – zodat ze konden zien of de juiste munten werden afgegeven zonder dat die in hun handen kwamen. Ze gooiden het geld uit de stolpflessen via een gat in een met ijzeren banden beslagen kist, die geheel door een ijzeren ketting was omwikkeld. De kist was zo zwaar dat Petra hem op zijn plaats had moeten zetten voor dat de eerste penner erin viel. Een tweede stel paardenknechten, mannen met gespierde schouders en gebroken neuzen en de platte knokkels van straatvechters, hadden knuppels om ervoor te zorgen dat de mensen ordelijk binnenkwamen. En om toezicht te houden op de mannen bij de stopflessen met het geld, vermoedde Nynaeve. Luca had weinig vertrouwen in mensen, zeker niet als het munten betrof. Feitelijk zat hij als een bok op een haverkist op zijn duiten. Ze had nog nooit zo’n vrek gezien.

Haar ellebogen gebruikend drong ze verder naar Uno. Hij had ui teraard geen enkele moeite de voorste rij rond de s’redits te bereiken. Zijn litteken en het beschilderde ooglapje zorgden daar wel voor, ook zonder het zwaard op zijn rug. Op dit ogenblik bekeek hij met een grimas de grote grijze dieren. Er lag vermoedelijk iets van ver bazing op dat rotsharde gezicht. ‘Uno?’ Ze meende dat hij zo heette.

Hij draaide zijn hoofd om en staarde haar aan, maar in zijn zwarte oog sprankelde geen enkele herkenning. Het geschilderde oog op het lapje maakte haar enigszins misselijk.

Cerandin zwaaide met haar prikstokje, schreeuwde lispelend iets wat niemand verstond en de s’redits draaiden zich om. Sanit, de koe, zet te haar voorpoten op Mers brede rug en stapte achteruit, terwijl Mer op z’n achterpoten bleef staan. Nerin, het kalf, zette de voorpoten laag op Sanits rug.