Выбрать главу

‘Ik heb je in Fal Dara gezien,’ zei Nynaeve. ‘En daarna kort op de Kop van Toman. Na Falme. Je was bij...’ Ze wist niet hoeveel ze kon zeggen nu de mensen zich om hen heen verdrongen. Door heel Amadicia deden de geruchten over de Herrezen Draak de ronde en soms werd zelfs de naam Rhand Altor genoemd. ‘Bij Rhand.’ Uno’s oog kneep zich half dicht – ze probeerde niet naar het andere te kijken – en knikte even later, ik herinner me je gezicht. Vervloekt, ik vergeet nooit een knap gezichtje. Maar het haar was toen ver vloekt heel anders. Nina?’

‘Nynaeve,’ maakte ze hem bits duidelijk.

Hij schudde zijn hoofd, nam haar van top tot teen op, en voor ze nog een woord kon zeggen, had hij haar bij de arm gegrepen en sleur de haar bijna de uitgang door, naar buiten. De paardenknechten hadden haar natuurlijk herkend en de kerels met de gebroken neuzen pakten hun knuppels stevig beet en wilden naar hen toe komen. Zelfs nog voor ze haar arm had losgerukt, gebaarde ze hun dringend weg te gaan. Ze moest dat drie keer herhalen en ten slotte lukte het alleen doordat Uno haar losliet. Die man had een greep van staal. De mannen met de knuppels aarzelden en stapten vervolgens weer terug naar hun plekje, nadat ze hadden gezien dat Uno zijn zwaard losliet. Blijkbaar wisten ze wat Luca het liefst liet bewaken. ‘Wat haal je je in je hoofd,’ wilde ze weten, maar Uno gebaarde haar hem te volgen. Hij lette alleen op of ze dat ook deed, zonder zelfs maar in te houden, terwijl de mensen naar voren drongen. Hij had kromme benen en bewoog zich als een man die meer gewend was aan een paardenrug dan aan zijn eigen voeten. In zichzelf grommend tilde ze haar rok op en beende achter hem aan in de richting van de stad.

Even verderop zag ze een ander beestenspul, twee zelfs, achter een omheining van bruin zeildoek, en daarachter stonden er nog verschillende verspreid over de volle krottenwijken. Geen enkele stond vlak bij de stadswallen. Blijkbaar had de stadhoudster – zo heette de vrouw met de taak die in Nynaeves dorp door de dorpsmeester werd vervuld, ofschoon ze nog nooit had gehoord van een vrouwelijke dorpsmeester – een halve span als tussenruimte bevolen, om de stad te beschermen voor het geval de dieren uit zouden breken. Het bord boven de ingang van het eerste beestenspul vermeldde Mairin Gome in felgroen en goud. Boven het bord waren twee vrouwen zichtbaar die zich aan een touw vastklemden dat van een hoog staketsel van palen hing en dat er niet was geweest bij het opzetten van Valan Luca’s spul. Blijkbaar het gevolg van de zwijnpaarden, die boven het zeil uittorenden. De vrouwen wrongen zich in houdingen die Nynaeve huiverend deden terugdenken aan wat Moghedien met haar had gedaan en ze slaagden er op de een of andere manier in kaarsrecht als een vaandel zijwaarts aan het koord te hangen. De on geduldig wachtende menigte voor het bord van vrouw Gome was bijna even groot als bij Valan Luca. Voor zover ze kon zien bood geen enkel ander beestenspul de mensen buiten iets aan. Daar stonden dan ook veel minder mensen.

Uno weigerde antwoord te geven op haar vragen en sprak geen enkel woord, maar nam haar ijselijk fronsend op, totdat ze uit de grootste drukte weg waren en op een karrenspoor liepen. ‘Wat ik probeer te doen, vervloekt,’ grauwde hij, ‘is je ergens heenbrengen waar je vervloekt kunt praten, zonder dat we in duizenden bloedstukjes worden gescheurd, wanneer dat bloedvolk je bloedrok wil kussen bij de ontdekking dat jij vervloekt de Heer Draak kent!’ Binnen dertig pas was er niemand, maar hij keek toch grimmig rond of iemand hen kon horen. ‘Bloed en bloedvuur, vrouw. Weet je nog niet hoe die ver vloekte geitenkoppen zijn? De ene helft denkt dat de Schepper iedere bloedavond bij het bloedeten met hem spreekt, en de andere helft denkt dat hij de vervloekte Schepper is!’

‘Ik zou je dankbaar zijn als je je taal wilt kuisen, baas Uno. En ik zou je ook dankbaar zijn als je wat langzamer loopt. We zijn niet met een hardloopwedstrijd bezig. Waar ga je heen en waarom zou ik nog één stap met je meelopen?’

Zijn goede oog draaide zich naar haar toe, waarbij hij wrang grinnikte. ‘O, ik herken je zeker. Jij bent die met die vervl... met die mond. Ragan dacht dat je een bloe... een stier op tien pas afstand met je mond kon afslachten en stropen. Chaena en Nangu schatten het op vijftig pas.’ Gelukkig liep hij niet meer zo vlug.

Nynaeve bleef stokstijf staan. ‘Waar en waarom?’

‘De stad in.’ Hij bleef niet staan. Hij beende gewoon verder en gebaarde dat ze hem moest volgen, ik weet vervl... niet wat je hier uit spookt, maar ik herinner me dat je iets met die blauwe vrouw had te maken.’

Stil mopperend trok ze haar rok op en haastte zich achter hem aan; alleen dan kon ze hem horen. Hij ging door alsof hij al die tijd naast haar had gelopen.

‘Dit is vervl... geen plaats voor jou. Ik kan denk ik genoeg bloe... hè, genoeg geld bij elkaar schrapen om je naar Tyr te brengen. Volgens de geruchten is de Heer Draak daar ook.’ Opnieuw keek hij waakzaam rond. ‘Tenzij je in plaats daarvan naar het eiland wilt gaan.’ Hij moest Tar Valon bedoelen. ‘Daarover doen vervl... vreemde geruchten de ronde. Vrede, als die er niet zouden zijn!’ Hij kwam uit een land dat al drieduizend jaar geen vrede meer had gekend. Shien aranen gebruikten het woord als geluksteken en als eed. ‘Ze zeggen dat de vroegere Amyrlin is afgezet. Mogelijk terechtgesteld. Sommigen zeggen dat ze hebben gestreden en de hele stad in de fik heb ben...’ Hij zweeg, haalde diep adem en besloot met een afschuwelijke grijns: ‘... in de fik hebben gestoken!’

Naast hem meestappend, nam ze hem verwonderd op. Ze had hem een klein jaar niet meer gezien, had nooit meer dan twee woorden met hem gewisseld, maar toch... Waarom dachten mannen altijd dat een vrouw een zorgende man nodig had? Mannen konden zonder de hulp van een vrouw nog niet eens hun eigen hemd dichtknopen! ‘Het lukt ons heel aardig onze eigen boontjes te doppen, dank je wel. Ten zij je weet of een schipper die stroomafwaarts vaart van plan is hier aan te leggen.’

‘Wij? Is de blauwe vrouw bij je, of de bruine?’ Dat moesten Moiraine en Verin zijn. Hij was zeker heel waakzaam. ‘Nee, herinner je je Elayne nog?’ Hij knikte kortaf en ze kreeg een ondeugend idee. Niets scheen deze man van zijn stuk te brengen en hij scheen te denken dat hij de taak voor hun welzijn op zich moest nemen. ‘Je hebt haar zojuist gezien. Je zei dat ze,’ – ze sprak grof om zijn stem na te bootsen – ‘een gezicht had als dat van een bloedkoningin!’

Het was heel bevredigend hem te zien struikelen en zo woest om zich heen te zien blikken dat zelfs twee Witmantels met een ruime boog om hem heen reden, hoewel ze natuurlijk net deden of dat niets met Uno had te maken. ‘Zij?’ gromde hij ongelovig. ‘Maar haar bloed haar was ravenzwart en...’ Hij wierp een blik op haar haren en been de meteen verder over het pad, half in zichzelf mompelend. ‘Die vervloekte meid is de dochter van een koningin. Een bloedkoningin. En dan haar benen op die manier te vertonen!’ Nynaeve knikte instemmend. Tot hij eraan toevoegde: ‘Jullie vervloekte zuiderlingen zijn vervloekt vreemd! Geen enkele vervloekte zedigheid.’ Nou, hij had geen recht van spreken. Misschien kleedden de Shienaranen zich netjes, maar ze werd nog rood bij de herinnering dat in Shienar mannen en vrouwen vaker wel dan niet samen baadden en dat even gewoon vonden als samen aan tafel te gaan.

‘Heeft je moeder je nooit geleerd netjes te praten, man?’ Zijn echte oog keek haar even fronsend en duister aan als het geschilderde oog. Hij schokschouderde. In Fal Dara hadden hij en ieder ander haar behandeld alsof ze van hoge, of bijna hoge, geboorte was. Natuurlijk was het moeilijk om je als een vrouwe te gedragen met haren in een ’ kleur die de natuur nooit had bedoeld en in dit gewaad. Ze schikte de omslagdoek wat strakker om zich heen en sloeg haar armen over elkaar, zodat de doek goed bleef zitten. Die grijze wol was in deze droge hitte verschrikkelijk onbehaaglijk en het zweet liep in straaltjes over haar lichaam. Ze had nog nooit gehoord dat iemand zich dood zweette, maar ze dacht dat er voor alles een eerste keer moest zijn. ‘Wat doe je hier, Uno?’