Выбрать главу

Hij keek rond voor hij antwoord gaf. Niet dat het nodig was; er was weinig verkeer op dit weggetje – zo nu en dan een ossenkar, wat volk in boerenkleren of kledij van nog ruwere stof, hier en daar een man te paard – en niemand leek bereid dichterbij te komen dan nodig was. Hij gaf de indruk een man te zijn die in een vloek en zucht ie mand zou kelen. ‘De vrouw in het blauw gaf ons de naam van ie mand in Jehanna en zei dat we daar op verdere opdrachten moesten wachten. Die vrouw in Jehanna was echter gestorven en begraven bij onze aankomst. Een oude vrouw. In haar slaap overleden en niemand van haar familie had ooit de naam van de vrouw in het blauw gehoord. Toen begon Masema tegen de mensen te preken en... Nou ja, het had geen zin om daar op bevelen te wachten die we nooit zouden krijgen, als ze al zouden komen. We bleven bij Masema hangen, want hij schoof genoeg af om van te kunnen leven, hoewel niemand, met uitzondering van Bartu en Nengar, naar zijn rotzooi luisterde.’ De grijze haarknot zwaaide heen en weer toen hij vol ergernis het hoofd schudde.

Opeens drong het tot Nynaeve door dat er geen enkele vloek in zijn verhaal was voorgekomen. Hij leek zijn tong bijna in te slikken. ‘Als je misschien eens af en toe vloekt?’ Ze zuchtte. ‘Misschien eenmaal in twee zinnen?’ De man schonk haar zo’n dankbare glimlach dat ze haar handen in wanhoop op wilde steken. ‘Hoe komt het dat Masema geld heeft en jullie niet?’ Ze herinnerde zich Masema. Een stevige, zure man die niets en niemand mocht.

‘Nou, hij is de vervloekte Profeet waar iedereen naar komt luisteren. Zou je hem willen ontmoeten?’ Hij gaf de indruk zijn zinnen te tellen. Nynaeve haalde diep adem; de man had het letterlijk opgevat. ‘Misschien vindt hij zo’n bloedboot voor jullie, als je er een wilt. In Geldan is het woord van de Profeet vaak wet. Nee, vervloekt, hij krijgt altijd zijn zin, is het niet op de ene manier dan wel op een andere. De man was een goede krijgsman, maar wie zou ooit hebben gedacht dat het uiteindelijk hierop zou uitlopen?’ Zijn fronsende blik gleed over de krottenwijken en de mensen, het een na het andere beestenspul en de stad voor hen.

Nynaeve aarzelde. Was Masema de gevreesde Profeet die het gepeupel opstookte en opstandjes veroorzaakte? Maar hij preekte wel over ’ de komst van de Herrezen Draak. Ze stonden nu dichter bij de stads poort en ze had nog tijd voordat ze klaar moest staan voor Birgittes pijlen. Luca was buitengewoon teleurgesteld geweest dat de vrouw erop stond Maerion te worden genoemd. Als Masema écht een boot kon vinden die de rivier afvoer... Misschien vandaag wel. Aan de andere kant waren die rellen ook echt. Tienmaal aangedikte geruchten of niet; er waren inderdaad honderden mensen in dorpen en steden in het noorden gestorven. Slechts honderden.

‘Maar herinner hem er niet aan dat je iets te maken hebt met dat bloedeiland,’ vervolgde Uno, haar peinzend opnemend. Nu ze eraan dacht, besefte ze dat hij waarschijnlijk niet wist wat voor band ze met Tar Valon had. Vrouwen reisden er ook heen om antwoorden op vragen te vinden, niet alleen om er Aes Sedai te worden. Hij was zich ervan bewust dat er een of andere band bestond, maar niet meer dan dat. ‘Hij is tegenover vrouwen niet veel vriendelijker dan Wit mantels. Hou enkel die bloedmond van je erover dicht, dan zal hij er ook niet op ingaan. Voor iemand uit hetzelfde dorp als de Heer Draak zal Masema waarschijnlijk wel zo’n bloedboot laten bouwen.’ De menigte was groter bij de poort tussen twee vierkante grijze torens. Mannen en vrouwen stroomden in en uit, gehuld in alle soorten kleding, van lompen tot geborduurde zijden jassen en gewaden. De poort zelf, dik en met ijzer beslagen, stond open en werd bewaakt door een wacht van een tiental speerdragers in maliëntunieken en met ronde stalen helmen met platte randen op het hoofd. De wacht besteedde eigenlijk meer aandacht aan een handvol Witmantels die daar vlakbij stond dan aan iets anders. In feite namen de mannen in de sneeuwwitte mantels en glimmende kurassen de stroom mensen op.

‘Veroorzaken de Witmantels veel last?’ vroeg ze zacht. Uno tuitte zijn lippen alsof hij wilde spugen, keek haar aan en besloot het niet te doen. ‘Waar vervloekt niet? Er was een vrouw in een beestenspul die knappe goochelkunstjes met haar handen deed. Vier dagen geleden verwoestte een vervloekte menigte schaapskoppen met duivendarmen het hele spul.’ Daarover had Valan Luca het nooit gehad! ‘Vrede! Zij wilden de vrouw in handen krijgen. Ze beweerden dat ze’ – hij keek woest naar de voorbijgangers en ging zachter praten – ‘een Aes Sedai was. Plus een Duistervriend. Ze brak haar bloed nek, heb ik gehoord, toen ze haar naar de galg sleepten, maar het lijk hebben ze toch opgehangen. Masema heeft de aanvoerders laten onthoofden, maar de Witmantels hadden die bloedmenigte opgezweept.’ Zijn woeste oog paste nu heel goed bij het vuurrode oog lapje. ‘Er zijn veel te veel van die vervloekte hangpartijen en onthoofdingen geweest, als je het me vervloekt vraagt. Die vervloekte Masema is even erg als die vervloekte Witmantels als het erop aan komt een Duistervriend onder ieder bloedsteentje te vinden.’

‘Eentje per twee zinnen,’ mompelde ze en de man bloosde zo waar. ‘Snap niet waar ik aan loop te denken,’ gromde hij en bleef staan. ‘Kan je niet mee naar binnen nemen. Daarbinnen is het half feest en half opstand, met om de drie stappen een beurzensnijder; een vrouw is buitenshuis in het donker niet veilig.’ Hij vond het laatste schandaliger dan het andere; in Shienar was een vrouw overal en altijd veilig – behalve voor Trolloks en Myrddraal natuurlijk – en iedere man zou zijn leven ervoor geven om haar te beschermen. ‘Niet veilig. Ik breng je terug. Wanneer ik een manier vind, kom ik je halen.’ Daarmee was haar besluit genomen. Ze trok haar arm los voor hij haar goed vast kon pakken en liep vlug door naar de stadspoort. ‘Kom mee, Uno, en talm niet. Als je talmt, laat ik je staan.’ Hij haal de haar in, binnensmonds mopperend over de koppigheid van vrouwen. Nadat ze had begrepen dat hij het daarover had en blijkbaar vond dat haar vloekverbod niet sloeg op in zichzelf praten, luisterde ze niet langer.

39

Ontmoetingen in Samara

De Witmantels bij de poort schonken Uno en Nynaeve evenveel aan dacht als de andere mensen die gestaag langs stroomden, wat inhield dat ze hen koel en wantrouwend opnamen. Het grote aantal mensen maakte iets anders onmogelijk en misschien kwam het ook door de geharnaste stadswachten. Niet dat er enige aanleiding was voor verdere aandacht; alleen wat er in haar gedachten speelde. De Grote Serpent-ring en Lans gouden ring zaten diep in haar beurs – door de laag gesneden jurk kon ze die niet om haar hals hangen – maar eigenlijk rekende ze erop dat de Kinderen van het Licht het zouden aanvoelen als ze met een door de Toren opgeleide vrouw te maken kregen. Ze was merkbaar opgelucht toen de ijzige, meedogenloze ogen langs haar gleden.

De schildwachten schonken het tweetal even weinig aandacht – na dat ze haar omslagdoek weer had opgetrokken. Uno’s frons zou geholpen hebben hun aandacht weer op de Witmantels te richten, maar de man had om te beginnen al geen recht om te fronsen. Dit waren haar zaken.

Ze wikkelde de lange dubbelgeslagen grijze stof nog een keer om zich heen en knoopte de punten bij haar middel aan elkaar. De omslagdoek benadrukte haar borsten meer dan haar lief was en liet nog steeds iets zien, maar het was aanzienlijk beter dan zonder. Nu hoefde ze zich tenminste geen zorgen meer te maken dat de doek omlaag zou zakken. Was het ding maar niet zo warm. Het weer hoorde eigenlijk heel snel om te slaan. Zó ver waren ze niet van Emondsveld af! Voor de verandering bleef Uno geduldig wachten. Ze wist niet goed hoe dat kwam. Was hij gewoon beleefd? Zijn gezicht met het litte ken leek maar half echt geduldig, en uiteindelijk liepen ze samen Samara in; de drukte en het rumoer tegemoet.