Overal klonk geroezemoes, waarbij geen enkel geluid bijzonder op viel. Schouder aan schouder vulden mensen de ongelijke keienstraten tussen taveernes met leidaken en stallen met rieten daken. Rumoerige herbergen hadden gewone namen als De Blauwe Stier of De Dansende Gans, afgewisseld door winkels met uithangborden zon der naam. Een mes en schaar, een rol stof, de weegschaal van een goudsmid, een scheermes, een ketel, lamp of laars. Nynaeve zag de bleke gezichten van Andoranen, maar ook gezichten die zo donker bruin waren dat het mensen van het Zeevolk konden zijn. Sommige schoon, sommige vuil. Jassen met hoge kragen, lage kragen, zonder kraag, in grauwe of felle kleuren, eenvoudig of met kant en borduursels, gerafeld of bijna nieuw, in stijlen die even vaak vreemd waren als bekend. Een man met een gespleten zwart baardje droeg zilveren kettingen over de borst van zijn eenvoudige blauwe jas en twee anderen hadden hun haar in vlechten – mannen, met langs ieder oor een zwarte vlecht die tot over hun schouders viel – en koperen bel letjes aan rode jasmouwen en de omgeslagen randen van hun heup laarzen. Uit welk land die ook stamden, het waren geen dwazen. Hun donkere, rondkijkende ogen stonden even hard en waakzaam als die van Uno en ze hadden kromzwaarden op hun rug. Een man met een blote borst boven zijn lichtgele buikband, een huid die bruiner was dan oud hout en handen met ingewikkelde tatoeëringen, kon van het Zeevolk zijn, hoewel hij geen oorringen en neusring had. De vrouwen waren al even verscheiden, met haar van zwart tot zo lichtblond dat het wel wit leek. Hun haren waren gevlochten, bij eengebonden, hingen los, waren heel kort geknipt of reikten tot de schouders of het middel. Hun kleren waren van versleten wol, keurig linnen of glanzende zijde. Kragen tot aan de kin met kant of borduurwerk en halslijnen die bijna even laag waren als bij haarzelf. Ze zag zelfs een lichtbruine Domani in een bijna doorzichtig rood gewaad van haar nek tot aan de enkels dat zo goed als niets verborg.
Ze vroeg zich af of die vrouw ’s nachts wel veilig kon rondlopen. Of zelfs in dit heldere ochtendlicht. Nu en dan bewogen Witmantels of soldaten zich in de woelige massa, maar ze leken beduusd en moesten net als ieder ander dringen.
Ossenkarren en rijtuigen met paarden schoven duimpje voor duimpje door de doolhof van kronkelige straatjes, dragers worstelden hun draagstoelen door de menigte, en af en toe reed een glimmend gelakte koets met een span van vier of zes bepluimde paarden moeizaam tussen het volk door, terwijl dienaren in livrei en gehelmde wachten tevergeefs probeerden vrij baan te maken. Muzikanten met fluiten, hanous of citers speelden op alle hoeken waar geen gooche laar of tuimelaar aan het werk was. Ze waren niet zo goed dat Thom of de Chavana’s zich zorgen hoefden te maken. Er was altijd een man of vrouw bij die een bakje ophield voor muntjes. Overal zwierven in lompen geklede bedelaars rond, plukten aan mouwen en hielden groezelige handen op. Straatverkopers bewogen zich roepend tegen de herrie in met hun bakken voor de buik. Ze verkochten van alles, van spelden tot linten en peren.
Haar hoofd tolde tegen de tijd dat Uno haar een smallere straat in trok, waar het iets minder druk leek, tenminste vergeleken met de hoofdstraat. Ze bleef staan om haar kleren te schikken, die in de war waren geraakt door het gedrang, voor ze hem volgde. Het was hier iets rustiger. Er waren geen kunstenmakers en minder verkopers en bedelaars. De laatsten bleven uit de buurt van Uno, zelfs nadat hij een wantrouwig groepje straatjongens enkele koperstukken had toe gegooid, wat ze hen niet kwalijk nam. De man zag er niet... liefdadig uit.
De gebouwen in de smalle straten rezen hoog boven hen op, hoewel ze maar een of twee verdiepingen telden, en hielden alles in de schaduw. De lucht was echter stralend helder en het was nog lang geen avond. Ze hadden ruim de tijd voor ze naar het beestenspul terug moesten. Als het moest. Met enig geluk konden ze bij zonsondergang op een boot zitten.
Ze schrok toen onverwachts een andere Shienaraan opdook, zijn zwaard op de rug en met een kaalgeschoren hoofd, afgezien van de haarknot. Hij had zwart haar en was maar een paar jaar ouder dan zijzelf. Uno stelde hen kort aan elkaar voor, terwijl ze doorliepen. ‘Vrede begunstige je, Nynaeve,’ zei Ragan. De donkere huid op zijn wang toonde een rimpelig, driehoekig, wit litteken. Zelfs een glim lach verzachtte zijn gezicht niet; ze had nog nooit een zachte Shienaraan ontmoet. Zachte mannen overleefden de Verwording niet lang; zachte vrouwen evenmin. ‘Ik herken je nog. Je haar was toen anders, niet? Doet er niet toe. Niet bang zijn. We brengen je veilig naar Masema en waar je verder naartoe wilt. Zorg er in ieder geval voor dat je het bij Masema niet over Tar Valon hebt.’ Niemand lette echt op het drietal, maar hij ging toch zachter praten. ‘Masema denkt dat de Witte Toren de Drakenheer probeert te sturen.’
Nynaeve schudde het hoofd. Nóg een dwaas die op haar ging passen. Gelukkig probeerde hij geen gesprek met haar aan te knopen. Ze was in een stemming waarin ze hem zelfs voor een opmerking over het weer goed zou afblaffen. Haar hoofd voelde klam aan en dat was geen wonder met deze omslagdoek. Ineens herinnerde ze zich wat de eenogige man had gezegd over wat Ragan vond van haar mond. Ze meende hem maar een keer te hebben aangekeken; toch ging Ragan aan de andere kant naast Uno lopen, alsof hij beschutting zocht, waar hij haar behoedzaam opnam. Mannen!
De straten werden steeds smaller en hoewel de stenen gebouwen er langs niet kleiner werden, zag ze steeds vaker de achterkant en ruw stenen grijze muren voor kleine achtererven. Uiteindelijk sloegen ze een hoek om naar een steeg die amper breed genoeg was om naast elkaar te kunnen lopen. Aan het eind stond een zwartgelakte, vergulde koets, omringd door geharnaste krijgslieden. Halverwege de koets hing aan beide kanten van de steeg een heel stel kerels rond. In allerlei jassen gekleed hielden ze knuppels, speren en zwaarden vast die al net zo’n allegaartje vormden als hun kleren. Het had een groep straatschenners kunnen zijn, maar de twee Shienaranen stapten snel door, zodat zij hetzelfde deed.
‘Aan de voorkant zal de straat volstaan met bloedidioten die hopen een glimp van Masema achter een bloedvenster op te vangen.’ Uno sprak zo zacht dat alleen haar oren de woorden opvingen. ‘Je kunt alleen door de achterdeur naar binnen.’ Hij zweeg toen ze zo dicht bij waren dat de anderen hem konden horen. Twee van hen waren soldaten met randhelmen en maliënhemden, zwaarden aan de heup en speren in de hand, maar de overigen namen de drie nieuwkomers achterdochtig op en streken over hun wapens. Ze hadden verontrustende ogen, te fel, bijna koortsig. Voor het eerst had ze veel liever een eerlijke, wellustige grijns gezien. Deze mannen maakte het niets uit of zij een vrouw was of een paard. Zonder een woord te zeggen gespten Uno en Ragan de zwaardscheden op hun rug los en overhandigden die samen met hun dolken aan een man met een dik gezicht die vroeger een winkelier kon zijn geweest, te oordelen naar zijn blauwwollen jas en kniebroek. De kleren waren ooit goed geweest, ze waren schoon, maar vaak gedragen en verkreukeld alsof hij er een maand in had geslapen. Hij herken de blijkbaar de Shienaranen en ofschoon hij haar fronsend kort op nam en vooral naar haar riemmes keek, knikte hij naar het smalle houten poortje in de muur. Eigenlijk was het het verontrustendst dat er al die tijd geen woord werd gewisseld.
Achter de muur lag een klein erf waar het onkruid tussen de keien welig tierde. Het grote stenen huis van grijswitte steen, met twee ver diepingen, brede ramen, krullerig versierde balken en daklijsten en donkerrode pannendaken, moest een van de mooiste huizen in Samara zijn. Nadat het poortje achter hen was dichtgevallen, zei Ragan zachtjes: ‘Er zijn pogingen gedaan de Profeet te vermoorden.’
Het duurde even voor Nynaeve besefte dat hij uitlegde waarom hun wapens waren ingenomen. ‘Maar jullie zijn zijn vrienden!’ merkte ze op. ‘Jullie zijn met Rhand naar Falme gereden!’ Ze wilde er niet aan beginnen hem Drakenheer te noemen.
‘Dat is ook de enige bloedreden dat we binnen worden gelaten,’ zei Uno droog, ik heb je gezegd dat wij niet alles op dezelfde manier bekijken als... de Profeet.’ De korte pauze en de snelle blik naar de poort om te zien of iemand meeluisterde, spraken boekdelen. Op straat was het nog Masema geweest, ofschoon Uno zo te horen geen man was die een blad voor de mond nam. ‘Kijk ditmaal gewoon uit met wat je zegt,’ merkte Ragan op, ‘dan krijg je waarschijnlijk de verlangde hulp.’ Ze knikte, zo inschikke lijk als iemand maar kon verlangen; ze wist wanneer iets verstandig was, al had hij niet het recht zo vrijmoedig te spreken. Uno en Ragan keken elkaar vol twijfel aan. Ze ging deze twee samen met Thom en Juilin in een zak stoppen en alles wat uitstak eens goed afdrogen.