Al was het een mooi huis, de keuken was stoffig en op een schrale, grijze vrouw na verlaten. Haar grauwgrijze kleding en witte schort waren het enige dat volgens haar schoon was. De vrouw zoog sissend lucht naar binnen, maar keek amper op en roerde rustig door in een kleine pan soep die op een vuurtje in een van de brede stenen haarden stond. Twee gebutste pannen hingen aan twee van de wel twintig lege haken en op een brede tafel stond een aardewerken kom vol barsten op een blauwgelakt dienblad.
De gang achter de keuken had redelijk mooie schilderingen aan de wanden. Nynaeve had er het afgelopen jaar meer oog voor gekregen en deze taferelen van feesten en jachtpartijen op herten, beren en evers waren goed, hoewel niet uitmuntend. Langs de muren stonden stoelen, tafeltjes en kisten van donkergelakt hout met rode lijnen en ingelegd met parelmoer. Alle wandkleden en meubels zaten onder het stof en de roodwit betegelde vloer was zonder al te veel zorg wat aangeveegd. In hoeken en nissen van het hoge gepleisterde plafond zag ze spinnenwebben. Ze kwamen geen andere bedienden – noch iemand anders – tegen, tot ze bij een broodmagere man kwamen die op de vloer bij een open staande deur zat. Zijn smoezelige roodzijden jas was veel te groot en stond vreemd bij het vuile hemd en de versleten wollen broek. De ene laars had een groot gat in de zool en uit de andere stak een teen; het leer zat vol barstjes en scheurtjes. Hij stak een hand op en fluisterde: ‘Het Licht schijne op jullie en geprezen is de naam van de Heer Draak?’ Het klonk als een vraag uit zijn klagerige, verwrongen, smalle gezicht, dat even vuil was als zijn hemd. Zijn volgende woorden bleken al even vragend. ‘De Profeet kan nu niet worden gestoord? Hij is bezig? Jullie zullen even moeten wachten?’ Uno knikte geduldig en Ragan leunde tegen de muur; ze hadden dit eerder meegemaakt.
Nynaeve wist niet wat ze van de Profeet had verwacht, zelfs niet nu ze wist wie hij was, maar deze viezigheid zeker niet. Die soep had naar kool en aardappels geroken; toch amper goede kost voor een man die een hele stad naar zijn pijpen liet dansen. En maar twee bedienden, die uit de krotten buiten de stad leken te komen. De broodmagere lijfwacht – als hij dat was; hij was ongewapend en werd wellicht ook niet vertrouwd – leek er geen bezwaar tegen te hebben dat ze even doorliep en naar binnen keek. De man en de vrouw die binnen waren, konden geen grotere tegenstelling vormen.
Masema had zijn haarknot afgeschoren. Hij droeg een gewone bruine jas, vol kreukels maar wel schoon. Zijn kniehoge laarzen zagen er kaal uit. Diepliggende ogen keken voortdurend zuur of boos en op zijn bruine wang vormde een litteken een wit driehoekje, bijna een evenbeeld van dat van Ragan, zij het van langer geleden en iets dichter bij het oog. De vrouw was gekleed in een prachtig zijden gewaad met goudborduursel. Ze was van bijna middelbare leeftijd, heel knap, al leek haar neus iets te lang. Een eenvoudig, blauw, openge werkt haarkapje hield haar tot het middel reikende haren bijeen. Ze droeg een zware gouden halsketting met vuurdruppels en een bij passende armband, terwijl bijna aan alle vingers ringen met edelstenen staken. Terwijl Masema zich gedwongen leek te voelen alles snel af te handelen, gedroeg zij zich statig, rustig en welwillend. ‘... waarheen u ook gaat, door zovelen gevolgd, dat bij uw aankomst rust en orde over de muur vliegen,’ zei ze net. ‘Er bestaat geen vei ligheid voor de mensen of hun eigendommen...’
‘De Heer Draak heeft elke binding van de wet gebroken, elke band die sterfelijke mannen en vrouwen hebben opgesteld.’ Masema’s stem klonk opgewonden en fel, maar niet kwaad. ‘De Voorspellingen zeggen dat de Heer Draak alle ketenen die boeien, zal verbreken en zo zij het. De stralen van de Heer Draak zullen ons beschermen tegen de Schaduw.’
‘Hier dreigt echter niet de Schaduw, maar het gevaar van beurzen snijders, zakkenrollers en halsafsnijders. Sommige van hen die u volgen, velen, geloven dat ze alles mogen pakken van wie dan ook, zon der hun toestemming of zonder ervoor te hoeven betalen.’
‘Er is gerechtigheid in het leven hierna, als wij worden wedergeboren. Zorg over wereldse zaken is nutteloos. Maar... goed dan. Als je aardse gerechtigheid wenst’ – zijn lip krulde zich verachtelijk – ‘het zij zo. Vanaf heden. Bij een man die steelt, zal de rechterhand worden afgehakt. Een man die een vrouw lastig valt, haar eer schendt of moordt, wordt opgehangen. Een vrouw die steelt of moordt, zal worden gegeseld. Indien een beschuldiging door twaalf personen wordt bevestigd, zal de passende straf worden uitgevoerd. Laat aldus geschieden.’
‘Wat u zegt, uiteraard,’ mompelde de vrouw. Haar gezicht bleef beschaafd, maar ze klonk geschokt. Nynaeve kende de Geldaanse wet niet, maar die zou zeker niet zo oppervlakkig zijn. De vrouw haal de diep adem. ‘We hebben nog het voedselprobleem. Het wordt uiterst lastig zoveel mensen te voeden.’
‘Iedereen, man, vrouw of kind, die naar de Heer Draak is gekomen, dient een volle buik te hebben. Dat moet zo zijn! Waar goud gevonden kan worden, kan voedsel gevonden worden en er is te veel goud in deze wereld, te veel zorg over goud.’ Masema’s hoofd schudde kwaad heen en weer. Niet kwaad op de vrouw, maar in het alge meen. Hij leek degenen te zoeken die zich te veel met goud bezig hielden, zodat hij zijn woede op hen kon laten neerbliksemen. ‘De Heer Draak is wedergeboren. De Schaduw hangt over de wereld en slechts de Heer Draak kan ons redden. Door ons geloof in de Heer Draak, door onze onderwerping en gehoorzaamheid aan het woord van de Heer Draak. Al het andere is zinloos, tenzij het schennis van de Heer Draak betreft.’
‘Gezegend zij de naam van de Heer Draak in het Licht.’ Het klonk als een vaste aanroeping. ‘Het is niet langer slechts een kwestie van goud, mijn heer Profeet. Het vinden en aanvoeren van voedsel in voldoende...’ Hij onderbrak haar weer.
‘Ik ben geen heer!’ Ditmaal was hij kwaad op haar. Hij boog zich naar de vrouw toe, speeksel op zijn lip en ofschoon haar gezicht niet veranderde, bewogen haar handen of ze in haar gewaad wilde knijpen. ‘Er is geen andere heer dan de Heer Draak, in wie het Licht verkeert, en ik ben slechts een nederige vol geling van de Heer Draak – gezegend zij de naam van de Heer Draak – zoals zij die komen en hem volgen om de wijsheid te horen en de leiding van de Profeet te volgen!’ Hij veegde zijn mond af met de rug van zijn hand en klonk opeens heel kil. ‘Je draagt te veel goud. Laat wereldse bezittingen je niet ver leiden. Goud is droesem. De Heer Draak is alles.’
Onmiddellijk begon ze alle ringen af te schuiven en voor de tweede in haar schoot lag, was de broodmagere kerel al toegesneld, had een beurs uit zijn jaszak getrokken en hield die voor haar open, zodat ze de ringen erin kon gooien. De armband en halsketting volgden.
Nynaeve keek Uno aan en trok een wenkbrauw op. ‘Alles, tot en met de laatste munt, gaat naar de armen,’ zei hij zo zacht dat het amper te horen was. ‘Of naar iemand die het nodig heeft. Als een of andere koopvrouw hem niet dit bloedhuis zou heb ben gegeven, zou hij in een of ander bloedschuur huizen, of in een van die krotten buiten de stad.’
‘Zelfs zijn eten beschouwt hij als geschenk,’ voegde Ragan er even zacht aan toe. ‘Ze brachten hem eerst schalen passend voor een koning, tot ze zagen dat hij alles weggaf, behalve wat brood, soep of stamppot. Hij drinkt tegenwoordig ook nauwelijks nog wijn.’