Nynaeve schudde het hoofd. Ze veronderstelde dat dit ook een manier was om geld voor de armen te krijgen. Beroof gewoon iedereen die wél rijk is. Natuurlijk zou uiteindelijk iedereen even arm zijn, maar het kon een tijdlang goed gaan. Ze vroeg zich af of Uno en Ragan het hele verhaal kenden. Mensen die geld ophaalden om anderen te helpen, lieten vaak behoorlijk wat in hun eigen zakken glijden. Of anders genoten ze van de macht die ze erdoor kregen, genoten er veel te veel van. Ze kon meer meevoelen met een man die uit zich zelf een koperstukje uit zijn beurs haalde dan met een kerel die een ander een goudmark wist af te troggelen. En nog veel minder met de dwazen die hun boerderij of nering in de steek lieten om deze... Profeet te volgen, zonder enig idee te hebben waar hun volgende maal tijd vandaan zou komen.
In de kamer maakte de vrouw een diepe knix voor Masema, spreidde haar rok breed uit en boog het hoofd. ‘Tot mij wederom de eer van de woorden en de raad van de Profeet gegund zal worden. De naam van de Heer Draak zij gezegend in het Licht.’
Masema wuifde haar afwezig weg, was haar al half vergeten. Hij had hen in de gang zien staan en keek naar hen met de grootste uit drukking van plezier die zijn sombere gezicht kon opbrengen, wat niet erg groot was. De vrouw schoof voorbij zonder haar of de twee mannen blijkbaar te zien. Nynaeve snoof toen de uitgeteerde man in de rode jas hun druk maande naar binnen te gaan. Voor een vrouw die net gedwongen was geweest haar sieraden af te geven, hield ze haar koninklijk gedrag heel goed vol.
De magere vent schuifelde terug naar zijn plekje bij de deur, terwijl de drie mannen elkaar volgens de traditie van de Grenslanden de hand schudden door elkaar bij de onderarm te grijpen.
‘Vrede begunstige je zwaard,’ zei Uno, gevolgd door Ragan.
‘Vrede begunstige de Heer Draak,’ was het antwoord, ‘en zijn Licht verlicht ons allen.’
Nynaeve bleef de adem in de keel steken. Er bestond geen twijfel aan wat hij bedoelde: de Drakenheer was de bron van het Licht. En hij had de stoutmoedigheid om over schennis te praten?
‘Zijn jullie eindelijk tot het Licht gekomen?’
‘Wij wandelen in het Licht,’ gaf Ragan behoedzaam te kennen. ‘Als altijd.’ Uno, zweeg, zijn gezicht effen.
Een zweem van vermoeid geduld speelde een vreemd spel op Masema’s norse gezicht. ‘Er is geen pad door het Licht dan door de Heer Draak. Uiteindelijk zullen jullie de weg en de waarheid vinden, want jullie hebben de Heer Draak gezien en alleen zij wier zielen in de Schaduw zijn verzwolgen, kunnen zien en niet geloven. Jullie zijn zo niet. Jullie zullen geloven.’
Ondanks de hitte en de omslagdoek kreeg Nynaeve kippenvel op haar armen. Er klonk een onvoorwaardelijke overtuiging in zijn stem en van nabij zag ze een vonk in zijn bijna zwarte ogen die grensde aan waanzin. Zijn ogen gleden over haar heen en ze zette zich schrap. Vergeleken bij hem maakte zelfs de meest bezeten Witmantel die ze had ontmoet een zachtmoedige indruk. Die kerels in de steeg waren slechts een zwakke afschaduwing van hun meester.
‘Jij, vrouw. Ben je gereed in het Licht van de Heer Draak te komen, je zonden en het vlees af te zweren?’
‘Ik wandel in het Licht naar beste vermogen.’ Het ergerde haar dat ze even behoedzaam sprak als Ragan. Zonde! Wie dacht de man wel dat hij was?
‘Je houdt je te veel bezig met het vlees.’ Masema’s blik gleed vernietigend over haar rode kleren en de omslagdoek die ze strak had om geknoopt.
‘Wat bedoel je daar mee?’ Uno’s oog sprong van schrik wijd open en Ragan maakte kalmerende gebaartjes, maar ze vluchtte liever weg dan nu op te houden. ‘Denk jij dat je het recht hebt mij te zeggen hoe ik me moet kleden?’ Voor ze er goed over had nagedacht, had ze de doek losgeknoopt en omlaag laten glijden. Het was trouwens toch te heet. ‘Niemand heeft dat recht, niet over mij, niet over een andere vrouw! Als ik naakt rond wil lopen, is dat niet jouw zorg!’
Masema bekeek nadenkend haar boezem – nog geen sprankje bewondering glansde in zijn diepliggende ogen – en keek haar toen recht aan. Uno’s echte oog paste volmaakt bij het geschilderde oog door grimmig nergens naar kijken, en Ragan kromp in elkaar en zou inwendig wel mopperen.
Nynaeve slikte diep. Had ze zich toch laten meeslepen. Misschien voor het eerst van haar leven betreurde ze het dat ze niet even had nagedacht. Als deze man kon bevelen dat handen van dieven werden afgehakt, of dat mannen werden opgehangen, met slechts een potsierlijke schertsvertoning van rechtspraak, wat kon hij dan nog meer? Ze dacht boos genoeg te zijn om te geleiden. Maar als ze dat deed... Als Moghedien of de Zwarte zusters echt in Samara zaten...
Maar als ik niet...
Ze wilde heel graag de omslag doek weer om haar schouders slaan, tot aan haar kin optrekken.
Maar niet terwijl hij stond te gluren. Ergens in haar hoofd werd geschreeuwd dat ze niet zo’n doorgedraaide wolkop moest zijn – alleen mannen hadden meer trots dan hersens – maar ze beantwoord de Masema’s blik uitdagend, ook al kon ze niet voorkomen dat ze opnieuw moest slikken.
Hij trok zijn lip op. ‘Zulke kledij wordt gedragen om mannen te verleiden, om geen andere reden.’ Ze begreep niet hoe zijn stem tegelijk zo bevlogen en zo ijzig kon zijn. ‘De gedachten van het vlees leiden de geest van de mens af van de Heer Draak en het Licht. Ik heb overwogen kleding die het oog en de geest van de man doen dwalen te verbannen. Laat vrouwen die tijd verspillen met mannen verleiden en mannen die naar vrouwen lonken, gekastijd worden tot ook zij weten dat slechts de volmaakte bezinning over de Heer Draak en het Licht vreugde schenkt.’ Hij zag haar eigenlijk niet meer. De donkere vurige ogen keken door haar heen, naar iets in de verte. ‘Laat de taveernes, andere holen van sterkedrank en alle andere plaatsen die de geest van de mensen weghoudt van die volmaakte bezinning, gesloten worden en tot de grond toe in vlammen opgaan. In de dagen dat ik nog zondigde, bezocht ik vaak die plaatsen, maar nu betreur ik het vanuit het diepst van mijn hart, zoals allen hun Lichtschennis dienen te berouwen. Er zijn slechts de Heer Draak en het Licht! Al het andere is een spookbeeld, een dodelijke val van de Schaduw.’
‘Dit is Nynaeve Almaeren,’ bracht Uno snel naar voren, toen Masema adem schepte. ‘Uit Emondsveld in Tweewater, vanwaar de Heer Draak komt.’
Masema draaide langzaam zijn hoofd naar de eenogige man en zij maakte haastig van de gelegenheid gebruik haar omslagdoek weer om te slaan. ‘Ze was in Fal Dara, samen met de Heer Draak, en in Falme. De Heer Draak heeft haar in Falme gered. Zij is als een moe der voor Heer Draak.’ Een andere keer zou ze hem enkele welgekozen woorden hebben toe gevoegd en misschien een enorme draai om zijn oren. Rhand had haar niet gered – nou ja, niet rechtstreeks – en ze was maar een paar jaar ouder dan hij. Een moeder, welja.
Masema wendde zich weer tot haar. Het licht van bezieling dat eerder in zijn ogen had geschitterd, was nu een laaiend vuur. Ze gloeiden bijna.
‘Nynaeve. Ja.’ Hij ging weer sneller praten. ‘Ja. Ik herinner me je naam en je gezicht. Gezegend ben jij onder de vrouwen, Nynaeve Almaeren, haast evenzeer gezegend als de moeder van de Heer Draak zelf, want je hebt de Heer Draak zien opgroeien. Jij hebt de Heer Draak als kind bijgestaan.’ Hij pakte haar bij de armen beet, zijn harde vingers groeven zich diep in haar vlees, maar hij leek het niet te beseffen. ‘Jij moet spreken tot de menigten over de jeugd van de Heer Draak, over zijn eerste woorden in wijsheid, over de wonderen die hem vergezelden. Het Licht heeft je hierheen gezonden om de Heer Draak te dienen.’
Ze wist niet goed wat ze moest zeggen. Ze had nog nooit wonderen rond Rhand opgemerkt. Ze had dingen in Tyr gehóórd, maar je kon de gevolgen van een ta’veren nauwelijks wonderen noemen. Niet echt. Zelfs wat er in Falme was gebeurd, was verstandelijk best uit te leggen. Ongeveer. En wat die woorden in wijsheid betrof: het eerste dat ze ooit van hem hoorde, was zijn belofte nooit meer een steen naar iemand te gooien nadat ze hem een pak slaag op zijn billen had gegeven. Ze dacht niet dat ze daarna ooit nog een woord te horen had gekregen dat zij wijs wilde noemen. Trouwens, als Rhand een wijze raad vanuit zijn wieg had verstrekt en als er ’s nachts een licht aan de hemel verscheen plus verschijningen overdag, zou ze nog niet bij deze waanzinnige blijven.