Выбрать главу

De wachtende menigte voor het kakelbonte bord van Valan Luca leek niet kleiner dan die van vanochtend. Een stroom mensen liep het weiland op en sloot zich aan, terwijl een andere groep toe schouwers naar buiten waaierde, elkaar toeroepend wat ze hadden gezien. Zo nu en dan waren de zwijnpaarden zichtbaar boven het zeil, waarop de wachtenden ‘oooh’ en ‘aaaah’ riepen. Cerandin liet ze weer rondstappen. De Seanchaanse zorgde er altijd voor dat de s’redits veel rust kregen. Ze was hierin heel strikt, ook al wilde Luca meer. Mannen déden wel wat hun werd gezegd, wanneer je er geen twijfel over liet bestaan dat al het andere ondenkbaar was. Ge woonlijk deden ze het.

Vlak voor het platgetrapte bruine gras bleef Nynaeve staan en keek de twee Shienaranen aan. Haar gezicht stond kalm, maar ze keken terecht waakzaam, hoewel dat in Uno’s geval jammer genoeg inhield dat hij met zijn ooglapje speelde, wat haar misselijk maakte. De mensen die aankwamen of vertrokken, besteedden geen aandacht aan hen. ‘Dan zal het zo zijn, maar niet vanwege Masema of Galad,’ zei ze vastberaden. ‘Als jullie met me meereizen, doen jullie wat ik zeg, en anders gaan jullie je eigen weg, want dan heb ik je niet nodig.’ Natuurlijk moesten ze elkaar eerst aankijken voor ze met een knik instemden. ‘Vervloekt, als het zo zal moeten zijn,’ gromde Uno, ‘is het voor ons goed genoeg. Bloedvuur, als jullie niet iemand hebben die vervloekt goed op jullie kan passen, zul je, vervloekt, nooit levend de Heer Draak bereiken. Met die mond van je vreet een of andere schaapneukende boer jou met huid en haar op.’ Ragan keek hem behoedzaam aan, wat aangaf dat hij het met elk woord eens was, maar in sterke mate Uno’s wijsheid betwijfelde om zoiets hardop te zeggen. Het leek haar dat Ragan een verstandig man kon worden.

Als ze haar voorwaarden aanvaardden, deed de reden er niet veel toe. Nu tenminste. Er zou later meer dan genoeg tijd zijn om alles recht te zetten.

‘Ik twijfel er niet aan dat de anderen er ook mee zullen instemmen,’ merkte Ragan op.

‘Anderen?’ vroeg ze met knipperende ogen. ‘Bedoel je dat er meer van jullie zijn? Hoeveel meer?’

‘We zijn nu nog maar met vijftien man, alles bij elkaar. Ik denk niet dat Bartu of Nengar mee zal rijden.’

‘Beiden lopen met de tong uit hun bek achter de vervloekte Profeet aan.’ Uno keek opzij en spuwde een enorme fluim op het gras. ‘Nog maar vijftien. Sar donderde van die bloedrots in de bergen en Mendao vond het nodig een gevecht aan te gaan met drie Jagers op de Hoorn, en...’

Nynaeve had het zo druk met te zorgen dat haar mond niet open viel dat ze niet meer luisterde. Vijftien! Onwillekeurig telde ze in gedachten op wat het zou kosten om nog eens vijftien monden te voeden. Zelfs als ze niet zoveel honger hadden, aten Thom en Juilin in hun eentje al meer dan zij en Elayne samen. Licht! Met vijftien Shienaraanse krijgslieden hoefden ze echter niet op een boot te wachten. Over de rivier was zeker de snelste manier – ze her innerde zich weer wat ze van Salidar wist: een rivierstadje, of in elk geval vlak bij een rivier; een boot kon hen er rechtstreeks heen brengen – maar een lijfwacht van Shienaranen maakte een reis met de wagen even veilig. Geen last meer van Witmantels, rovers of volge lingen van de Profeet. Wel veel langzamer. En een enkele wagen, begeleid door zo’n groep, die uit Samara vertrok, zou veel aandacht trekken. Een baken voor Moghedien of de Zwarte Ajah. Dat laat ik door de Blauwe zusters afhandelen en daarmee uit’.

‘Is er wat?’ vroeg Ragan en Uno voegde er verontschuldigend aan toe: ik had niet moeten vertellen hoe Sakaru aan zijn eind kwam.’ Sakaru? Dat moest hij hebben verteld toen ze niet luisterde, ik breng weinig tijd door in het gezelschap van bloe... vrouwen. Ik vergeet al tijd dat hun pe..., eh, ik bedoel, dat ze een zwakke maag hebben.’ Als hij nog langer aan die ooglap bleef pulken, zou hij merken hoe zwak haar maag was.

Het aantal deed er niets toe. Als twee Shienaranen goed waren, waren vijftien geweldig. Haar eigen persoonlijke leger. Geen zorgen meer over Witmantels, struikrovers of opstandelingen en of ze bij Galad een fout had gemaakt. Hoeveel hammen zouden vijftien man per dag eten? Vastberaden zei ze: ‘Goed, dan. Elke avond, als het donker is, komt een van jullie – luister goed: één – hierheen en vraagt naar Na na. Dat is hier mijn naam. Elayne heet hier Morelin, maar je vraagt naar Nana. Als je geld nodig hebt, kom je naar mij en ga je niet naar Masema.’ Ze moest bij die woorden enig gekreun onderdrukken. In de wagenkachel zat nog geld, maar Luca had zijn honderd goud marken nog niet opgeëist en zou dat ongetwijfeld doen. Ze hadden echter die juwelen nog. Ze moest er zeker van zijn dat ze van Masema werden losgeweekt. ‘Afgezien daarvan komt niemand naar mij of het beestenspul toe.’ Als ze dat niet had gezegd, zouden ze een schildwacht plaatsen of zoiets stoms doen. ‘Tenzij er een rivierboot aanlegt. In dat geval kom je meteen aanhollen. Begrijpen jullie me?’

‘Nee!’ mopperde Uno. ‘Vervloekt, waarom moeten we uit de buurt blijven...’ Met een ruk trok hij zijn hoofd weg toen haar opgestoken vinger bijna zijn neus raakte.

‘Weet je nog wat ik over je taal heb gezegd?’ Ze moest zich dwingen hem effen aan te staren. Van die loerende rode ooglap draaide haar maag zich om. ‘En als je dat niet meer weet, zal ik je leren waarom de mannen in Tweewater geen vuilbekken zijn.’ Ze keek hoe hij het verwerkte. Hij wist niet wat haar band met de Witte Toren was, alleen dat er een bestond. Ze kon een faktoor van de Toren zijn, of door de Toren geoefend. Zelfs een Aes Sedai, maar dan iemand die de stola nog niet zo lang droeg. En het dreigement was zo vaag dat hij er zelf de ergste uitleg aan zou geven. Die werk wijze kende ze al voor Juilin het Elayne had verteld. Toen het erop leek dat het idee was doorgedrongen – en voor hij haar vragen kon stellen – liet ze haar hand zakken. ‘Jullie blijven om de zelfde reden weg als Galad. Om geen aandacht te trekken. Het overige doen jullie omdat ik het zeg. Als ik ieder besluit aan jullie moet uitleggen, heb ik nergens anders tijd voor, dus maak er maar het bes te van.’

Dat was een keurige Aes Sedai-verklaring. Ze hadden bovendien geen keus als ze haar wilden helpen naar Rhand te reizen. Alles bij elkaar voelde ze zich heel tevreden met zichzelf toen ze hen naar Samara te rugstuurde en langs de wachtende menigte verder liep, onder het bord door met de naam van Valan Luca.

Ze zag verrast dat de voorstelling was uitgebreid. Op een nieuwe ver hoging, niet ver van de ingang, was een vrouw in een knalgele broek bezig. Ze stond op haar hoofd, de armen aan beide kanten gestrekt, met in iedere hand een paar witte duiven. Nee, niet op haar hoofd. De vrouw omklemde met haar tanden een soort houten toestel en hield zich daarop in evenwicht. Terwijl Nynaeve verbijsterd toekeek, hield de merkwaardige tuimelaarster haar handen kort op de vloer, terwijl ze zich kromde tot ze op haar eigen hoofd leek te zitten. Zelfs dat was niet het einde. Haar benen bogen voor haar lijf omlaag en strekten zich toen op een onmogelijke manier onder haar armen door weer omhoog, waarna ze de duiven van haar handen naar haar voet zolen overbracht, die nu het hoogste lichaamsdeel van de opgerolde bol vormden waarin ze zich had gekruld. De toeschouwers zuchtten en klapten, maar het deed Nynaeve huiveren. Ze moest daardoor veel te veel denken aan wat Moghedien met haar had gedaan. Dat is niet de reden waarom ik haar aan de Blauwe Ajah overlaat, vermaande ze zich. Ik wil geen nieuwe rampen veroorzaken.

Dat was waar, maar ze was ook bang dat ze de volgende keer niet zo gemakkelijk zou ontsnappen of er zo licht van af zou komen. Ze zou dat nooit aan iemand anders willen toegeven. Ze wilde het tegenover zichzelf niet eens bekennen.

Ze keek nog eenmaal onderzoekend naar de tuimelaarster en had geen idee hoe het mens zich nu in elkaar had gedraaid. Ze wendde zich af en schrok toen Elayne en Birgitte opeens aan haar kant van de rondlopende mensenmassa opdoken. Elayne droeg keurig een mantel over haar witte jasje en broekje; Birgitte droeg slechts haar diep uitgesneden, rode gewaad. Het was inderdaad ‘slechts’. Ze stond zelfs nog rechter dan anders en had haar vlecht op de rug geschud, waardoor ook die kleine bedekking was verdwenen. Nynaeve voel de aan de knoop van haar omslagdoek en had graag gehad dat niet elke blik op Birgitte haar eraan herinnerde hoeveel ze van zichzelf liet zien als die doek af was. De pijlkoker van de andere vrouw hing aan haar riem en ze had de boog die Luca voor haar had gevonden in de hand. Het was toch veel te laat om nog te schieten? Een blik op de lucht overtuigde Nynaeve van het tegendeel. Ofschoon er van alles was gebeurd, stond de zon nog vrij ver boven de kim. De schaduwen waren uitgerekt, maar nog niet zo lang, meende ze, dat Birgitte ervan af zou zien.