‘Wat? Ja. Dat heb ik toch gezegd nietwaar? Luister, als Luca in de stad is, zal hij niet weten of we dit schieten wel of niet hebben gedaan en daarna is het nog te laat voor...’ Nynaeve besefte dat ze door sloeg, maar ze leek haar tong niet meer in bedwang te hebben. Ze had nooit beseft hoe ver honderd pas was. In Tweewater schoten de mannen altijd op dubbele afstand. Maar daar was het doelwit ook nooit de Wijsheid geweest, ik bedoel, het is al erg laat. De scha duw... die lage zonnestand... Ik bedoel dat we dit ’s ochtends moeten doen, als het licht...’
‘Als hij bij haar heeft gezworen,’ onderbrak Elayne haar alsof ze niet luisterde, ‘zal hij die belofte hoe dan ook houden. Hij zal eerder een eed op zijn hoop tot redding en wedergeboorte breken. Ik denk... nee ik wéét dat we hem kunnen vertrouwen.’ Het klonk echter niet of ze dat heel plezierig vond.
‘Het licht is uitstekend zo,’ merkte Birgitte kalm en met iets van ver maak op. ‘Ik zou het nog geblinddoekt kunnen. Ik denk dat dit stel graag gevaar wil zien.’ Nynaeve deed haar mond open, maar er kwam geen geluid uit, al zou ze graag hebben gegild. Birgitte maakte enkel een naar grapje. Ze moest het als grap bedoelen. Ze plaatsten haar met de rug tegen de houten schutting en Elayne begon aan de knoop van haar schouderdoek te sjorren, toen Birgit te zich omdraaide en naar het andere eind liep terwijl ze een pijl uit de koker trok.
‘Deze keer heb je echt iets stoms gedaan,’ mopperde Elayne. ‘Ik ben er wel zeker van dat we Galads eed kunnen vertrouwen, maar je kunt nooit weten wat hij in de tussentijd doet. En om naar de Profeet toe te stappen...’ Ze trok de doek ruw van Nynaeves schouders. ‘Je kon nooit enig idee hebben over wat hij zou gaan doen. Je hebt iedereen bezorgd gemaakt en alles in de waagschaal gesteld.’ ik weet het,’ wist Nynaeve uit te brengen. De zon scheen recht in haar ogen; ze kon Birgitte niet meer zien. Maar Birgitte kon haar zien. Natuurlijk kon ze dat. Dat was het belangrijkste. Elayne keek haar achterdochtig aan. ‘Weet je dat?’ ik weet dat ik het gevaar heb opgezocht. Ik had met je moeten praten, het aan je moeten vragen. Ik weet dat ik stom heb gedaan. Ik had zonder oppasser niet naar buiten moeten gaan.’ Het kwam er in een ademloze reeks uit. Birgitte móést in staat zijn haar goed te zien. De achterdocht van Elayne ging over in bezorgdheid. ‘Ben je in orde? Als je dit werkelijk niet wilt...’
De vrouw dacht dat ze bang was. Dat kón en mócht ze niet toestaan. Ze dwong zich te glimlachen en hoopte dat haar ogen niet al te groot zouden worden. Haar gezicht voelde strak aan. ‘Natuurlijk wil ik het. Eigenlijk wil ik het graag doen.’
Elayne keek haar fronsend en vol twijfel aan, maar knikte ten slot te. ‘Weet je het zeker van Salidar?’
Ze wachtte niet op Nynaeves antwoord, maar haastte zich opzij, ter wijl ze de omslagdoek opvouwde. Om de een of andere reden kon Nynaeve niet de juiste verontwaardiging over haar vraag opbrengen. Ze haalde zo snel adem dat ze vaag vreesde dat haar borsten uit de lage hals zouden springen, maar zelfs die gedachte bleef niet hangen. De zon verblindde haar. Als ze haar ogen half kon dichtknijpen, zou ze misschien Birgitte enigszins kunnen onderscheiden, maar haar ogen werkten niet mee en werden groter en groter. Op dit ogenblik kon ze niets meer doen. Dit was haar straf voor het opzoeken van die stomme gevaren. Het enige gevoel dat ze op kon brengen, was wat geprikkeldheid dat ze zo werd gestraft, terwijl alles goed was af gelopen. En zelfs Elayne geloofde het niet van Salidar! Ze zou het stoïcijns moeten aanvaarden. Ze zou...
Schijnbaar uit het niets plonkte een pijl in het hout, trillend tegen haar rechterpols, en haar kalmte brak zacht jammerend in stukken. Alleen daardoor zakte ze niet door haar knieën. Een tweede pijl veeg de langs de andere pols en lokte een iets hogere gil uit. Birgitte te genhouden met pijlen te schieten was even gemakkelijk als nu stil te staan. Met elke pijl werd haar gegil hoger en ze kreeg de indruk dat de toeschouwers iedere gil met gejuich begroetten. Hoe harder ze gil de, hoe luider de mensen juichten en klapten. Tegen de tijd dat ze van hoofd tot knieën tussen de pijlen stond, werd er donderend geklapt. Na afloop was ze geërgerd, omdat de menigte naar Birgitte toe snelde en zich om haar heen schaarde, en zij alleen achterbleef en naar de veren van de pijlen mocht staren. Sommige trilden nog na. Zij trilde nog na.
Ze duwde zich af en haastte zich zo snel als ze kon naar de wagen, voordat iemand merkte dat haar benen weinig steun boden. Al besteedde niemand aandacht aan haar! Zij was gewoon stil blijven staan en had het Licht gevraagd dat Birgitte niet zou niezen of jeuk krijgen. Morgen stond haar hetzelfde te wachten. Hetzelfde, tenzij ze Elayne – nog erger: aan Birgitte – liet merken dat ze het niet aankon. Toen Uno die avond langskwam, liet ze hem in duidelijke bewoor dingen weten dat hij Masema, zoveel als hij durfde, moest opporren. Tevens diende hij Galad op te zoeken en hem te zeggen dat die snel een boot móést vinden, wat het ook zou kosten. Toen ging ze zon der gegeten te hebben slapen en probeerde ze zelf te geloven dat ze Elayne en Birgitte er morgen van kon overtuigen dat ze te ziek was om tegen die schutting te staan. Ze was er echter ook van overtuigd dat ze heel zeker zouden weten aan welke ziekte ze leed. En dat Birgitte dan naar alle waarschijnlijkheid heel aardig zou zijn, maakte het nog erger. Een van die stomme kerels móést een boot vinden!
41
Het vakmanschap van Kin Tovere
Met een hand op zijn zwaardgevest en de andere hand om de Seanchaanse lans met de groenwitte kwast negeerde Rhand iedereen op de spaarzaam beboste heuveltop, terwijl hij de drie kampen bekeek die zich onder hem in de ochtendzon uitstrekten. Drie aparte kampen en dat was het vervelende. Dat was de gehele Cairhiense en Tyreense strijdmacht die hij tot zijn beschikking had. Ieder ander die een zwaard of een speer kon dragen, zat in de stad opgesloten of ergens anders, en het Licht mocht weten waar.
Enorme aantallen vluchtelingen waren in grote massa’s door de Aiel tussen de Jangai-pas en deze plek bijeengedreven en enkele waren zelf aan komen strompelen, aangetrokken door geruchten dat déze Aiel tenminste niet iedereen die ze zagen, doodden. En anders waren ze zo wanhopig dat niets hen meer kon schelen, zolang ze voor hun dood maar iets te eten kregen. Veel te veel mensen meenden te zullen sterven, door de handen van de Aiel of door de Herrezen Draak of in de Laatste Slag, die volgens hen iedere dag kon losbarsten. Al met al was het een behoorlijk aantal, dat voor het grootste deel bestond uit boeren, ambachtslieden en winkeliers. Sommigen konden een boog afschieten of met een slinger een konijn vangen, maar er was geen enkele krijgsman bij en er was geen tijd om ze wat bij te brengen. De stad Cairhien zelf lag zo’n vijf span verder naar het westen en sommige van zijn befaamde puntloze torens waren boven het woud zichtbaar. De stad strekte zich over heuvels langs de Alquin uit, belegerd door de Shaido van Couladin en hen die zich bij hem hadden aangesloten.
Een wanordelijke groep tenten en kookvuren in het lange vlakke dal onder Rhand huisvestte zo’n achthonderd Tyreners, mannen in wapenuitrustingen. Bijna de helft waren Verdedigers van de Steen, met goudgele borstplaten en gerande helmen. Hun ruime jasmouwen toonden zwarte en goudgele strepen. De rest bestond uit lotelingen van een tiental heren, wier banieren en vaandels een kring vormden rond het midden van het kamp, rond de zilveren maansikkel en sterren van hoogheer Weiramon. Er stond een dichte rij schildwachten rond hun scheerlijnen alsof ze elk ogenblik een aanval op hun paarden verwachtten.
Zo’n driehonderd pas verder werden in het tweede kamp de paarden even zorgvuldig bewaakt. De dieren vormden een allegaartje; er waren er maar enkele die het Tyreense ras met zijn fraai gebogen nek benaderden, en aan de touwen stonden ook wat voormalige ploeg paarden en trekpaarden, of Rhand moest het helemaal mis hebben. Er waren hier misschien een paar honderd meer Cairhienin dan Tyreners, maar ze hadden minder tenten, en de meeste daarvan waren opgelapt. Hun banieren en koins vertegenwoordigden zo ongeveer zeventig heren. Er waren slechts weinig Cairhiense edellieden die nog mandienaren hadden en het leger was aan het begin van de burgeroorlog al uiteengevallen.