Выбрать главу

De laatste groep tenten stond weer zo’n vijfhonderd pas verder, voor het merendeel Cairhienin, maar heel duidelijk van het tweede kamp gescheiden en niet alleen door afstand. Dit kamp was groter dan de twee andere samen, maar had weinig tenten en paarden. Er hingen geen banieren en alleen de officieren droegen koins, de kleine rug banieren met felle kleuren, zodat hun manschappen hen konden vinden en niet zozeer om het Huis aan te duiden. Voetvolk was misschien noodzakelijk, maar er was bijna geen heer uit Tyr of Cairhien die zoiets zou toegeven. Zeker niemand zou zo’n strijdmacht feitelijk willen aanvoeren. Het was wel het netste van de drie kampen: de kookvuurtjes in een rechte lijn, de lange pieken rechtop in de grond gestoken waar ze meteen gegrepen konden worden, en groepen boog schutters of kruisboogdragers duidelijk van elkaar gescheiden. Volgens Lan hield krijgstucht mannen in een veldslag in leven, maar het voetvolk zou dat waarschijnlijk beter beseffen en aannemen dan de ruiters.

De drie groepen werden verondersteld één te zijn onder hetzelfde bevel – hoogheer Weiramon had ze de vorige dag laat uit het zuiden binnengebracht – maar de twee kampen met paarden hielden elkaar bijna even nauwlettend in het oog als ze de Aiel bekeken, die zich op de omringende heuvels bevonden. De Tyreners deden dat met zichtbare minachting, en de Cairhienin imiteerden dat min of meer in de manier waarop zij het derde kamp negeerden, dat op zijn beurt de andere twee waakzaam in het oog hield. Dat waren Rhands vol gelingen en bondgenoten en die waren evenzeer bereid elkaar te bestrijden als wie dan ook.

Terwijl hij net deed alsof hij de drie kampen bekeek, observeerde Rhand Weiramon, die zonder helm en met een kaarsrechte rug vlak bij stond. Twee jongere Tyreners, lagere heren, volgden de hoogheer op de voet, hun donkere baarden geknipt en ingevet in een volmaakte nabootsing van die van Weiramon. Hun baard toonde echter geen grijze haren en hun borstplaten, gedragen over fel gekleurde gestreepte jassen, droegen goudstiksels die iets minder fraai oogden dan zijn borstplaat. Waakzaam, afgescheiden van alle anderen op de heuveltop, maar toch dicht bij Rhand, hadden ze kunnen staan wachten op een of ander krijgshaftige plechtigheid aan een koninklijk hof, ware het niet dat het zweet van hun gezicht stroomde. Maar ook dat negeerden ze.

Het wapen van de hoogheer had wat minder sterren dan dat van Lanfir, maar de kerel met de lange neus was niet de vermomde Verzaker met voornamelijk grijs haar, dat net zo ingevet was als zijn baard en vergeefs zo was gekamd dat verborgen bleef hoe dun het was. Hij was met versterkingen vanuit Tyr naar het noorden getrokken en had toen vernomen dat de Aiel de stad Cairhien zelf aan vielen. Hij was niet omgekeerd, had niet halt gehouden maar was, zo snel als de paarden het toelieten, verder getrokken naar het noorden, waarbij hij alle krijgslieden meenam die hij onderweg kon op pikken.

Dat was het goede nieuws van Weiramon. Het slechte was dat hij er helemaal op had gerekend met zijn strijdmacht de Shaido rond Cairhien te kunnen verdrijven. Hij geloofde het nog steeds. En hij was er niet al te gelukkig mee dat Rhand zijn aanval niet toestond en dat hij door de Aiel was omsingeld. Voor Weiramon waren alle Aiel een pot nat. De anderen trouwens ook. Een van de jonge heren snoof telkens opzettelijk aan een zijden geurdoekje wanneer hij naar de Aiel keek. Rhand vroeg zich af hoelang die kerel het zou overleven. En wat Rhand eraan zou moeten doen wanneer hij stierf. Weiramon zag Rhand kijken en schraapte zijn keel. ‘Mijn Heer Draak,’ begon hij met raspend geblaf, ‘een goede aanval zal ze als kwartels uiteen doen schieten.’ Hij liet met een klap de handschoenen op zijn handpalm kletsen. ‘Voetvolk kan niet op tegen ruiterij. Ik zal de Cairhienin laten optrekken om ze op te jagen en dan volg ik met...’

Rhand onderbrak hem. Kon de man wel tellen? Gaf het aantal Aiel dat hij hier zag hem geen enkele aanwijzing over de aantallen die er om de stad waren gelegerd? Het maakte niet uit, Rhand had er nu zijn buik vol van. ‘U bent zeker van het nieuws uit Tyr?’ Weiramon knipperde met zijn ogen. ‘Nieuws, mijn Heer Draak? Wat... O, dat. Bloedvuur, dat is niet zo belangrijk. De zeeschuimers van Illian proberen vaak de kustgebieden te plunderen.’ Volgens zijn eigen bericht bij aankomst was het wel wat meer dan proberen. ‘En de aanvallen op de Vlakte van Maredo. Doen ze dat ook vaak?’

‘Wel, bloedvuur, dat zijn gewone struikrovers.’ Hij gaf het meer als feit dan als tegenspraak. ‘Misschien wel helemaal geen Illianers, maar ook zeker geen krijgslieden. Met de rotzooi die Illianers van alles maken, valt nooit te zeggen welke koning of Vergadering of Raad van Negen op een gegeven dag het bewind voert, maar als ze echt besluiten op te trekken, zullen het legers onder de Gouden Bijen zijn die Tyr zullen aanvallen; geen rovers die handelskaravanen of grens boerderijen in brand steken. U kunt u verlaten op mijn woord.’

‘Zoals u verkiest,’ antwoordde Rhand zo beleefd mogelijk. Welke macht de Vergadering, de Raad van Negen of Mattin Stepaneosden Balgar ook had, het was wat Sammael hun toestond. Betrekkelijk weinig mensen wisten dat de Verzakers reeds vrij rondliepen. Sommigen die het behoorden te weten, weigerden het te geloven, negeerden het – alsof de Verzakers daardoor zouden verdwijnen – of meenden dat als het moest gebeuren, het in een of andere vage en graag verre toekomst zou plaatsvinden. Het had geen zin Weiramon te overtuigen, tot welke groep hij ook gerekend mocht worden. Het geloof of ongeloof van de man veranderde er toch niet door. De hoogheer keek bars naar het dal, voornamelijk eigenlijk naar de twee Cairhiense kampementen. ‘Nu hier nog geen goede orde bestaat, weet toch niemand welk gepeupel naar het zuiden is afge dwaald?’ Grijnzend kletste hij zijn handschoenen nog harder in zijn geopende hand voordat hij zich weer tot Rhand wendde. ‘Goed, we zullen ze gauw genoeg voor u laten buigen, mijn Heer Draak. U hoeft het bevel maar te geven en dan drijf ik zo...’

Rhand liep vlak langs hem heen, niet luisterend, hoewel Weiramon volgde en nog steeds om toestemming voor een aanval vroeg. De twee andere Tyreners draafden als waakhondjes achter hem aan. De man was een rotsverblinde dwaas.

Ze waren natuurlijk niet alleen. Eigenlijk was het heel druk op de heuvel. Sulin had bijvoorbeeld een honderdtal Far Dareis Mai rond de top opgesteld. Van de eerste tot de laatste zagen ze eruit of ze zich nog sneller dan anders zouden sluieren. Het kwam niet alleen door de aanwezigheid van de Shaido dat Sulin zo gespannen was. Ze trokken zich niets aan van Rhands verachting voor de achterdocht tussen de kampen in het dal, zodat Enaila en twee Speervrouwen nooit ver van Weiramon en zijn jonge heren af stonden en hoe dichter ze bij Rhand kwamen, hoe sneller hun sluier opgetrokken kon worden. Niet veel verder stond Aviendha met een tiental Wijzen te praten, de sjaals afhangend van hun ellebogen, de oudere vrouwen allen behangen met armbanden en halskettingen. Tot zijn verbazing leek een vrouw met krijtwit haar, nog ouder dan Bair, de leiding te hebben. Rhand had Amys of Bair verwacht, maar zelfs zij hielden hun mond zodra Sorilea sprak. Melaine stond bij Bael, halverwege tussen de andere Wijzen en de andere stamhoofden. Ze bleef voortdurend de jas van Baels cadin’sor schikken, alsof hij niet wist hoe hij zich dien de te kleden en hij keek even lijdzaam als een man die zichzelf aan alle redenen van zijn trouwen herinnert. Misschien was het per soonlijk, maar Rhand vermoedde dat de Wijzen de stamhoofden weer probeerden te beïnvloeden. Als dat het geval was, zou hij de bijzon derheden snel genoeg vernemen.

Het was echter Aviendha die zijn blik vasthield. Ze schonk hem een korte glimlach voor ze zich weer luisterend naar Sorilea wendde. Een vriendelijke glimlach, niets meer. Nou ja, dat was tenminste iets, meende hij. Ze had hem geen enkele keer uitgescholden na wat er tussen hen was voorgevallen en als zij soms zure opmerkingen maak te, waren ze niet scherper dan die van Egwene. Behalve die ene keer dat hij het onderwerp bruiloft had aangesneden. Toen had ze zo grondig zijn oren geschroeid dat hij het daarna nooit meer ter sprake had gebracht. Maar haar vriendelijkheid kende grenzen, ofschoon ze zich nu ’s avonds soms heel onbezorgd bij hem uitkleedde. Ze bleef op amper drie pas afstand in zijn kamer slapen.