De Speervrouwen leken er in ieder geval van overtuigd dat er onder de dekens veel minder afstand bestond en voortdurend verwachtte hij dat meer mensen hun overtuiging zouden delen, wat tot dusverre nog niet zo was. Egwene zou als een roofvogel op hem zijn neer gestort als ze ook maar iets had vermoed. Zij had het maar gemakkelijk met haar gepraat over Elayne, maar Aviendha vormde al een groot raadsel en die was nog wel vlakbij. Alles bij elkaar voelde hij zich bij een blik op Aviendha veel gespannener, maar zij leek losser dan ooit. Op de een of andere manier vond hij eigenlijk dat het om gekeerde het geval had moeten zijn. Bij haar leek het allemaal piek fijn in orde. Min was de enige vrouw die hem niét het gevoel had gegeven dat hij de halve dag als een zot op zijn kop stond. Zuchtend liep hij verder, zonder naar Weiramon te luisteren. Ooit, op een dag, zou hij een vrouw begrijpen. Als hij de tijd kreeg zich ermee bezig te houden. Hij vermoedde echter dat een heel leven daar voor niet voldoende zou zijn.
De stamhoofden hadden hun eigen beraad met de sibbehoofden en vertegenwoordigers van de krijgsgenootschappen. Rhand herkende er enkelen. De donkere Heirn, hoofd van de Jindo Taardad, en Man gin, die hem een kameraadschappelijk knikje gaf en de Tyreners een verachtelijke grijns. De speerslanke Juranai van de Aethan Dor, de Roodschilden, die met hem meetrok ook al werd zijn lichtbruine haar al wit, en de grijze Roidan met de brede schouders, die de Sha’mad Conde, de Donderlopers, leidde. Nadat ze uit de Jangai-pas waren gekomen, hadden die vier hem soms geoefend als hij het ongewapend vechten wilde leren.
‘Wil je vandaag op jacht?’ vroeg Mangin, toen Rhand voorbijkwam. Rhand keek hem verbaasd aan. ‘Op jacht?’
‘Het is het jagen niet waard, maar we kunnen proberen enkele schapen in de weitas te krijgen.’ Zijn scheve blik naar de Tyreners liet er weinig twijfel over bestaan welke ‘schapen’ hij bedoelde, hoewel het Weiramon en de twee anderen niet opviel. Of ze deden net alsof. De jonge heer met het reukdoekje snoof er maar weer eens aan. ‘Misschien een andere keer,’ antwoordde Rhand hoofdschuddend. Hij dacht dat hij best vrienden kon worden met dit viertal, vooral met Mangin, die hetzelfde soort humor had als Mart. Maar als hij al geen tijd had voor vrouwen, dan had hij zeker geen tijd voor nieuwe vriendschappen. Hij had trouwens ook weinig tijd voor oude vrienden. Hij maakte zich zorgen over Mart.
Op het hoogste punt van de heuvel stak een zwaar gevaarte van balken boven de boomkruinen uit. De brede vlonder hing ruim twintig stap boven de grond. De Aiel wisten weinig van zulke grote houten bouwsels, maar er waren genoeg Cairhiense vluchtelingen die die kennis wel bezaten.
Onder aan de eerste ladder stond Moiraine met Lan en Egwene te wachten. Egwene had werkelijk behoorlijk wat zon genoten. Zon der haar donkere ogen had ze zo voor een Aielse kunnen doorgaan. Een kleine Aielse. Hij keek haar snel en onderzoekend aan, maar zag alleen dat ze moe was. Amys en de anderen moesten haar wel flink met lessen bezighouden. Ze zou hem echter niet dankbaar zijn als hij ingreep.
Rhand stond stil en vroeg: ‘Heb je een besluit genomen?’ Eindelijk zweeg Weiramon.
Egwene aarzelde, maar Rhand zag dat ze Moiraine niet aankeek voor ze knikte. ‘Ik zal doen wat ik kan.’
Haar aarzeling maakte hem bezorgd. Hij had het Moiraine niet gevraagd – zij kon de Ene Kracht niet als wapen tegen de Shaido gebruiken, tenzij ze haar bedreigden of tenzij hij haar kon overtuigen dat het allemaal Duistervrienden waren — maar Egwene had de Drie Geloften niet afgelegd en zij zou de noodzaak volgens hem inzien.
Toen ze zijn voorstel echter hoorde, was ze wit weggetrokken en had ze hem drie dagen lang ontweken. Ze had er nu tenminste mee in gestemd. Wat het ook zou kosten, het bekortte de strijd tegen de Shai do, en dat was het beste.
Moiraines gezicht veranderde geheel niet, hoewel hij bijna zeker haar mening kende. De gladde gelaatstrekken van een Aes Sedai konden met die ogen een ijzige afkeuring inhouden, zonder dat er een spiertje vertrok.
Hij stak de ingekorte lans in zijn riem en zette zijn voet op de eerste sport toen Moiraine vroeg: ‘Waarom draag je weer een zwaard?’ Het was de laatste vraag die hij verwachtte. ‘Waarom niet?’ mom pelde hij en klauterde naar boven. Geen goed antwoord, maar ze had hem ermee overvallen.
De half genezen wond in zijn zij trok tijdens het klimmen, deed niet echt pijn, maar leek toch weer open te breken. Hij sloeg er geen acht op; de plek voelde vaak zo aan wanneer hij zich ontzettend inspan de.
Rhuarc en de andere hoofden klommen achter hem aan; Bael, die Melaine achterliet, volgde als laatste, maar gelukkig bleven Weiramon en zijn twee maatjes op de grond achter. De hoogheer wist wat er gedaan moest worden. Hij had niet meer gegevens nodig en wil de ook niet meer weten. Terwijl hij Moiraines ogen op zich voelde rusten, keek Rhand omlaag. Niet naar Moiraine. Egwene keek naar hem op en haar gezicht leek zo op dat van een Aes Sedai dat ze geen haartje leek te verschillen van Moiraine, die met gebogen hoofd met Lan stond te praten. Hij hoopte dat Egwene niet van mening zou veranderen.
Op de brede vlonder richtten twee kleine zwetende jongemannen in hemdsmouwen een houten buis met koperen ringen. De buis, drie pas lang en dikker dan hun arm, stond op een draaistelling aan de leuning. Eenzelfde buis was iets verderop bevestigd, waar hij meteen was geplaatst nadat de toren de vorige dag was voltooid. Een derde man zonder jas veegde met een gestreepte doek zijn kale hoofd af, terwijl hij hen uitfoeterde.
‘Voorzichtig daarmee. Voorzichtig, zei ik, wezelteven! Als jullie een lens uit de juiste stand stoten, keer ik je hersenloze koppen binnen stebuiten. Maak het goed vast, Jol. Vast! Als hij valt terwijl de Dra kenheer erdoor kijkt, kun je er maar beter achteraan springen. Maar niet vanwege hem alleen. Je kunt beter een grote barst in je stomme schedel oplopen dan mijn werk vernielen!’
Jol en de andere jongeman, Cail, werkten snel door, al leken ze niet zichtbaar verontrust. Ze waren al jaren aan Kin Toveres manier van praten gewend. Rhand had het idee van deze toren gekregen nadat hij de ambachtsman en zijn twee leerlingen, die lenzen en kijkglazen maakten, tussen de vluchtelingen had aangetroffen. Eerst leek geen van drieën te merken dat er mensen bij waren gekomen. De stamhoofden klommen heel stil en Tovere brulde zo luid dat Rhands laarzengestamp niet werd opgemerkt. Ook Rhand schrok echter toen na Bael Lans hoofd in de Iadderopening zichtbaar werd. Wel of geen zachte laarzen, de zwaardhand maakte evenveel lawaai als de Aiel. Zelfs Han was een kop groter dan de Cairhienin. Toen ze de nieuwe groep eindelijk zagen, schoten de twee leerlingen met grote ogen recht, alsof ze nooit eerder een Aiel hadden gezien, en bogen toen bijna dubbel in een buiging voor Rhand, waarna ze zo bleven staan. De lenzenslijper sprong bij het zien van de Aiel bijna even hoog op, maar boog meer afgemeten en veegde al doende zijn voorhoofd af.
‘Ik heb u gezegd dat we vandaag die twee af zouden krijgen, mijn Heer Draak.’ Toveres stem klonk even ruw, maar er lag ook iets van eerbied in. ‘Een prachtig idee, deze toren. Ik zou er nooit op zijn gekomen, maar na uw vraag hoe ver met een kijkglas gekeken kon worden... Als u me wat tijd gunt, maak ik er een waarmee u vanaf hier Caemlin kan zien. Als de toren hoog genoeg is,’ voegde hij er na denkend aan toe. ‘Er zijn beperkingen.’
‘Wat u gedaan hebt, is al ruim voldoende, baas Tovere.’ Zeker meer dan waarop Rhand had gehoopt. Hij had het eerste kijkglas al een keer gebruikt.