Jol en Cail stonden nog steeds als een knipmes met het hoofd om laag. ‘Misschien is het beter dat u uw leerlingen mee naar beneden neemt,’ zei Rhand, ‘zodat het hier niet al te vol wordt.’ Er was genoeg ruimte voor wel viermaal zoveel mannen, maar Tovere porde onmiddellijk met een dikke vinger in Cails schouder. ‘Kom mee, staljongen met je worstvingers. We lopen de Heer Draak in de weg.’
De leerlingen richtten zich amper op voor ze hem volgden. Ze keken naar Rhand zelfs met nog grotere ogen dan naar de Aiel toen ze langs de ladder verdwenen. Cail was een jaar ouder dan hij. Jol twee. Beiden waren geboren in grotere steden dan hij zich voor zijn vertrek uit Emondsveld had voorgesteld. Zij hadden Cairhien bezocht, de koning en de Amyrlin Zetel gezien, zij het op afstand, toen hij nog steeds schapen hoedde. Heel waarschijnlijk wisten ze op verschillen de gebieden meer van de wereld dan hij. Hoofdschuddend bukte hij zich om door het nieuwe kijkglas te kijken.
Opeens was Cairhien voor hem zichtbaar. De bossen die nergens bij zonder dicht waren voor iemand die aan de bossen in Tweewater gewend was, hielden bij de stad natuurlijk geheel op. Hoge grijze muren met vierkante torens in een volmaakt vierkant aan de rivier bespotten de vloeiende lijnen van de heuvels. Binnen de stadswallen staken nog meer torens omhoog in een kunstmatig patroon en duidden op punten van een rasterwerk. Ze waren soms meer dan twintig keer hoger dan de wallen, maar elke toren stond in de steigers. Nog steeds werd gebouwd aan de legendarische stompe torens, na dat ze in de Aiel-oorlog waren verbrand.
Toen hij de stad voor het laatst had gezien, had er van rivieroever tot rivieroever een andere stad omheen gelegen: Voorpoort, een dool hof, even woest en wild als Cairhien stijf en statig was, geheel in hout opgetrokken. Nu werden de wallen omgeven door een brede strook as en verkoolde balken. Hij begreep niet hoe men voorkomen had dat zo’n brand naar Cairhien was overgeslagen. Op elke toren van de stad prijkten banieren, maar te ver om duidelijk te kunnen zien, al hadden zijn verkenners ze beschreven. De helft droeg de maansikkels van Tyr, de andere helft was het evenbeeld van de Drakenbanier die hij boven de Steen van Tyr had laten wapperen, wat misschien niet zo wonderlijk was. Geen enkel vaandel toonde de rijzende zon van Cairhien.
Terwijl hij het kijkglas ietsje verder draaide, verdween de stad in een oogwenk uit het zicht. Aan de andere kant van de rivier stonden nog steeds de geblakerde muren van de graanpakhuizen. Sommige Cairhienin met wie Rhand had gesproken, beweerden dat de brand in de graanopslagplaatsen tot de opstand had geleid, vervolgens tot koning Galdrians dood en zodoende tot de burgeroorlog. Anderen zeiden dat de moord op Galdrian de opstanden en brandstichtingen had veroorzaakt. Rhand vroeg zich af of hij ooit de waarheid te weten zou komen, als een van beide verhalen tenminste waar was. Een aantal uitgebrande scheepsrompen lag langs beide oevers van de brede rivier, maar geen enkele vlak bij de stad. De Aiel voelden zich niet op hun gemak — vrees was een te groot woord – bij watervlakten waar ze niet overheen konden stappen of doorheen konden waden, maar het was Couladin gelukt stroomopwaarts en -afwaarts van Cairhien versperringen van drijvende houtblokken over de Alquin te trekken. Hij had er genoeg mannen bij geplaatst om ervoor te zorgen dat ze niet werden doorgesneden. Vuurpijlen hadden de rest gedaan. Afgezien van ratten en vogels kon zonder Couladins toestemming niets Cairhien in of uit.
Van de belegeraars van de stad was op de omringende heuvels weinig te zien. Hier en daar wiekten breed en zwaar aasgieren rond, die zich ongetwijfeld te goed deden aan de overblijfselen van iemand die gepoogd had uit te breken, maar er was geen enkele Shaido zicht baar. Dat waren Aiel zelden, tenzij ze zich wilden tonen. Wacht. Rhand zwaaide het kijkglas terug naar een kale heuveltop op wel een span afstand van de stad. Terug naar een groep mannen. Hij kon de gezichten niet onderscheiden, zag maar heel weinig andere bijzonderheden, alleen dat ze allen de cadin’sor droegen. Er was nog iets. Eén man had blote armen. Couladin. Rhand wist zeker dat het verbeelding moest zijn, maar wanneer de man bewoog, meende Rhand het zonlicht in de metaalachtige schubben te zien glinsteren die rond de onderarmen slingerden in nabootsing van Rhands eigen armen. Asmodean had die bij Couladin aangebracht. Het was slechts een poging geweest om Rhands aandacht af te leiden, hem bezig te houden, terwijl Asmodean aan zijn eigen plannen werkte. Maar hoe veel zou zonder die tekenen anders zijn verlopen? Hij zou dan zeker niet op deze toren hebben gestaan en in afwachting van de veldslag een belegerde stad hebben bekeken.
Opeens flitste er iets door de lucht op die verre heuveltop af, een lang waas, en twee mannen vielen met een klap neer. Starend naar de gevallenen, beiden duidelijk doorboord door dezelfde speer, leken Couladin en de anderen even stomverbaasd als Rhand. Hij draaide het kijkglas verder en zocht naar de man die de speer met zo’n kracht had geworpen. Hij moest dapper zijn – en een dwaas – om zo dicht bij te komen. Al snel moest Rhand verder en verder zoeken, verder dan een menselijke arm eigenlijk kon gooien. Hij begon al aan een Ogier te denken – onwaarschijnlijk, want er was veel nodig voor een Ogier zich tot geweld liet verleiden – toen zijn oog een volgende wazige schicht zag.
Geschrokken richtte hij zich half op, voor hij de kijker weer op de muren van Cairhien richtte. Die speer – of wat het ook was – was daar vandaan gekomen. Hij wist het zeker. Hoe was weer een heel andere zaak. Op deze afstand kon hij alleen maar af en toe iemand over de muren zien lopen of op een toren zien staan. Rhand hief zijn hoofd en zag Rhuarc net van het andere kijkglas weg stappen. Hij stond zijn plaats af aan Han. Alleen daarvoor was de toren met de kijkglazen gebouwd. Verkenners gaven alles door wat ze te weten waren gekomen over de opstellingen van de Shaido, maar op deze manier konden de stamhoofden zelf het terrein bekijken waar de veldslag gestreden zou worden. Ze hadden samen al een plan uit gewerkt, maar een laatste blik op het land kon nooit verkeerd zijn. Rhand wist niet veel van veldslagen, maar Lan had het een goed strijdplan gevonden. In zijn eigen geest wist Rhand er tenminste niet veel van; soms kropen andere herinneringen naar boven en dan leek hij meer te weten dan hem lief was. ‘Heb je ze gezien? Die... speren?’
Rhuarc keek even verbaasd als Rhand wist dat hij keek, maar de Aiel knikte. ‘De tweede trof ook een Shaido, maar hij kroop weg. Niet Couladin, dat is pech hebben.’ Hij gebaarde naar het kijkglas en Rhand liet hem zijn plek overnemen.
Was het wel pech? Couladins dood zou geen eind aan het gevaar voor Cairhien maken, voor andere gebieden evenmin. Nu ze aan de ze zijde van de Drakenmuur waren, zouden de Shaido niet zomaar als makke schapen terugkeren wanneer de volgens hen enige en echte car’a’carn dood was. Ze zouden er verontrust door zijn, maar niet zo erg dat ze terug zouden keren. En na alles wat Rhand had gezien, vond hij niet dat Couladin zo gemakkelijk mocht ontsnappen. Ik kan zo hard zijn als nodig is, dacht hij, en streek langs zijn zwaardgevest. Tegen hem kan ik dat.
42
Voor de eerste afgeschoten pijl
De binnenkant van een tentdak moest wel het saaiste schouwspel ter wereld opleveren, maar in hemdsmouwen op zijn rug liggend, gevlijd in de kussens met scharlakenrode kwasten die Melindhra had opgedoken, bestudeerde Mart de grijsbruine stof heel aandachtig. Of eigenlijk lag hij in de verte te staren. Zijn ene arm lag onder zijn hoofd en met de andere liet hij een goede Zuid-Cairhiense wijn in een bokaal van gedreven zilver ronddraaien. Een klein vaatje had hem even veel gekost als twee uitstekende paarden – evenveel als twee paarden zouden hebben gekost als de hele wereld en iedereen niet op hun kop hadden gestaan – maar hij achtte het een juiste prijs voor iets beschaafds. Soms spatte er wat wijn op zijn hand, maar hij merkte het niet eens en nam geen enkele slok uit de bokaal. Volgens zijn eigen regels waren de zaken allang niet meer gewoon ernstig te noemen. Ernstig betekende in de Woestenij vastzitten zon der dat je wist hoe je eruit kon komen. Ernstig was het onverwach te, uit het niets opduiken van Duistervrienden, nachtelijke aanvallen van Trolloks, of zo nu en dan een Myrddraal, die je bloed met zijn oogloze blik deed stollen. Dat soort dingen dook ineens op en was gewoonlijk alweer voorbij voor je er goed over na kon denken. Dat soort dingen zocht je zeker niet op, maar als het moest, kon je er mee leven, op voorwaarde dat je het tenminste overleefde. Maar nu wist hij al vele dagen waar ze heen trokken en waarom. Daar was niets voorbijgaands aan. Dagen waarin je kon nadenken. Ik ben geen bloedheld, dacht hij grimmig,en ik ben geen bloedkrijger.