Выбрать главу

Mart grijnsde en vloekte binnensmonds. Hij had het kunnen weten. Als Rhand er was geweest, had hij door een kring Speervrouwen rond de tent moeten lopen. Heel waarschijnlijk stond hij nu op die nieuwe toren. Dat was een goed idee geweest. Je moet het terrein kennen. Dat was de tweede regel die meteen volgde op ‘Ken je vijand’. Beide waren eigenlijk even belangrijk.

Bij die gedachte trok hij een lelijk gezicht. Die regels kwamen uit de herinneringen van andere mannen, maar de enige regels die hij in zijn hoofd wilde hebben, waren ‘Kus nooit een meisje met broers die littekens vertonen’ en ‘Dobbel nooit als je de nooduitgang niet weet te vinden’. Hij had veel liever gehad dat die herinneringen van andere mannen nog brokstukken in zijn hersens waren geweest en niet voortdurend door zijn eigen gedachten stroomden wanneer hij er het minst op verdacht was.

‘Speelt je maag op?’ vroeg Natael loom. ‘Een Wijze heeft mogelijk een wortel om het te genezen. Je zou het ook Moiraine kunnen vragen.’

Mart kon geen warme gevoelens voor de man opbrengen, die vaak aan een grap leek te denken die hij niet wilde doorvertellen. En hij zag er altijd uit alsof hij alleen al voor zijn kleding drie bedienden had. Al dat sneeuwwitte kant rond de pols en de nek leek steeds netjes gewassen en gestreken. Die kerel leek ook nooit te zweten. Waar om Rhand hem bij zich hield, was hem een raadsel. Hij speelde nooit iets vrolijks op die harp. ‘Komt hij gauw terug?’ Natael trok zijn schouders op. ‘Wanneer hij dat wil. Misschien al vlug, misschien pas later. Geen mens let op de tijd als de Draak er is. En maar weinig vrouwen.’ Weer dat stiekeme glimlachje. Een beet je ziekelijk ditmaal.

‘Ik wacht wel.’ Hij was van plan het nu echt te doen. Te vaak had hij gemerkt dat hij het had opgegeven en weg was gegaan. Natael dronk van zijn wijn en nam hem over de rand van de bokaal op.

Het was al erg genoeg dat Moiraine en de Wijzen hem op die stille, slinkse manier opnamen – soms deed Egwene hetzelfde; die was zeker veranderd: een halve Wijze en een halve Aes Sedai – maar nu Rhands speelman het deed, klemde hij zijn tanden op elkaar. Het fijne van hier weg te gaan was dat niemand hem zou aankijken alsof zij meteen zijn gedachten kenden en onmiddellijk wisten of hij schoon ondergoed aan had.

Vlak bij de vuurkuil lagen twee opengevouwen landkaarten. De een, tot in alle bijzonderheden nagetekend van een verfomfaaide kaart uit een half in vlammen opgegaan stadje, gaf het noorden van Cairhien weer, vanaf het westen van de Alquin tot halverwege de Rug van de Wereld, terwijl de andere kaart, nieuw getekend, schetsmatig het land rond de stad aangaf. Op beide kaarten lagen strookjes perkament onder steentjes. Als hij hier bleef wachten en tegelijkertijd Nataels blikken wilde negeren, kon hij maar beter de kaarten goed bekijken. Met de punt van zijn laars schoof hij enkele steentjes opzij, zodat hij kon lezen wat op die stukjes perkament was geschreven. Onwille keurig kromp hij ineen. Als de Aielverkenners konden tellen, had Couladin bijna honderdzestigduizend speren onder zich, bestaande uit Shaido en Aiel die zich waarschijnlijk in de Shaidostam bij hun krijgsgenootschappen hadden gevoegd. Een harde noot met doorns om te kraken. Aan deze kant van de Rug van de Wereld was sinds de tijden van Artur Haviksvleugel een leger van een dergelijke om vang niet meer gezien.

De tweede kaart toonde de andere stammen die de Drakenmuur waren overgestoken. Allevier de stammen hadden zich nu achter elkaar opgesteld; in dezelfde volgorde als zij uit de Jangai-pas waren gekomen, maar ze waren te dichtbij om je er gerust over te voelen. De Shiande, de Codarra, de Daryne en de Miagoma. Samen hadden ze minstens evenveel speren als Couladin, en in dat geval hadden ze niet veel mensen achtergelaten. De zeven stammen bij Rhand hadden er bijna tweemaal zoveel en dat was genoeg om het tegen Couladin of de vier stammen op te nemen. Maar de nadruk lag op óf. Niet alle beitegelijk. Maar mogelijk diende Rhand beiden tegelijk te bestrijden.

Wat de Aiel de ontmoediging noemden, moest ook invloed op die stammen hebben – nog steeds wierpen elke dag mannen hun wapens neer en verdwenen – maar alleen een dwaas nam aan dat er daar meer waren dan bij Rhand. Er bestond ook altijd de mogelijkheid dat sommigen naar Couladin overliepen. De Aiel spraken er niet vaak over en met grote tegenzin en negeerden het door te praten over het aansluiten bij je krijgsgenootschap. Maar nog steeds besloten mannen en Speervrouwen dat ze Rhand niet konden erkennen of zijn woorden over hen niet wilden aanvaarden. Elke ochtend werden er enkelen vermist en niet allen lieten hun speren achter. ‘Ziet er aardig uit, vind je niet?’

Mart schrok op van het geluid van Lans stem, maar de zwaardhand kwam alleen de tent binnen. ‘Enkel om er tijdens het wachten wat naar te kijken. Komt Rhand eraan?’

‘Hij zal gauw terug zijn.’ Met de duimen achter zijn zwaardriem gehaakt stond Lan naast Mart naar de kaarten te kijken. Zijn gezicht verried evenveel als een standbeeld. ‘Morgen leveren we de grootste veldslag sinds Artur Haviksvleugel.’

‘Dat kun je wel zeggen.’ Waar was Rhand? Nog steeds op die uit kijktoren waarschijnlijk. Hij kon er maar beter heen gaan. Nee, dan zou hij misschien overal in het kampement moeten zoeken en voortdurend overal net te laat komen. Uiteindelijk zou Rhand hier terug keren. Hij wilde liever over iets anders dan Couladin praten. Dit gevecht is niet mijn gevecht. Ik loop niet weg van iets wat mij niks aangaat.

‘Al nieuws van hen?’ Hij gebaarde naar de strookjes die de Miagoma en andere stammen aanduidden, is er al iets wat erop wijst of ze van plan zijn zich bij Rhand te voegen, of blijven ze daar gewoon op hun achterste zitten?’

‘Niemand die het weet. Rhuarc schijnt niet meer te weten dan ik. En ook al weten de Wijzen wat, ze houden hun mond dicht. Het staat alleen vast dat Couladin nergens heen gaat.’

Weer Couladin. Mart bewoog, niet op zijn gemak en wilde al half en half naar de tentopening stappen. Nee, hij zou wél wachten. Hij keek strak naar de kaarten en deed net of hij ze nader bestudeerde. Misschien zou Lan hem met rust laten. Hij zou tegen Rhand zeggen wat hij te zeggen had en dan vertrekken.

De zwaardhand leek echter te willen praten. ‘Wat vind je, meester speelman? Zouden we met alle strijders op Couladin moeten afstormen en hem morgen onder de voet moeten lopen?’

‘Dat lijkt me een even goed plan als alle andere,’ antwoordde Natael stug. Hij sloeg de wijn achterover, liet de beker op de kleden vallen en pakte de harp op, waarna hij zacht iets duisters en droevigs begon aan te slaan, ik leid geen legers, zwaardhand. Ik ben alleen baas over mezelf, en dat niet eens altijd.’

Mart gromde en Lan wierp hem een blik toe voor hij de kaarten weer ging bekijken. ‘Je vindt het geen goed plan? Waarom niet?’ Hij zei het zo afwezig dat Mart zonder nadenken antwoord gaf. ‘Twee redenen. Als je Couladin omsingelt, hem tussen de stad en jezelf op sluit, zet je hem misschien tegen de stadsmuren klem.’ Hoelang duur de het nog voor Rhand kwam? ‘Maar dan dwing je hem misschien ook de wallen over. Uit wat ik heb gehoord, maak ik op dat het hem al tweemaal bijna is gelukt, zelfs zonder mineurs en belegeringstoe stellen. Het lot van de stad hangt aan een zijden draadje.’ Zeggen wat hij moest zeggen en vertrekken, alleen dat. ‘Als je hem in het nauw drijft, zul je mogelijk in Cairhien zelf moeten vechten. Heel vervelend: een veldslag in een stad. Het idee is de stad te redden, niet er uiteindelijk een bouwval van te maken.’ De verspreide papiertjes op de kaart en de kaarten zelf maakten het overduidelijk. Fronsend hurkte hij neer en zette zijn ellebogen op de knieën. Lan hurkte naast hem, maar hij merkte het amper. Een netelig probleem. En boeiend. ‘Je kunt hem beter wegdrijven. Vooral vanuit het zuiden aanvallen.’ Hij wees naar de Gaelin, die op enkele spannen ten noorden van de stad samenstroomde met de Alquin. ‘Daar liggen bruggen. Hou een uitweg erheen voor de Shaido open. Hou altijd een vluchtweg open, tenzij je echt wilt ontdekken hoe hard een man kan vechten als hij niets meer te verliezen heeft.’ Zijn vinger gleed naar het oosten. Grotendeels heuvels met bossen waarschijnlijk. Verschilden mogelijk weinig van wat hij hier om zich heen zag. ‘Een strijdmacht op deze plaats bij de rivier om hen tegen te houden, zal er zeker voor zorgen dat ze naar de bruggen trekken, als die strijd macht groot genoeg is en op de juiste plaats wordt opgesteld. Als ze eenmaal in beweging komen, zal Couladin niet tegen iemand willen vechten die zich vóór hem bevindt terwijl je van achter op hem afkomt.’ Ja, bijna net als in Jenje. ‘Tenzij hij echt een doorgewinterde dwaas is. Ze kunnen in goede orde de rivier bereiken, maar die bruggen zullen hen bijeendrijven. Ik zie trouwens een Aiel nog niet zwemmen of de oversteekplaatsen opzoeken. Blijf druk uitoefenen en schuif ze eroverheen. Met wat geluk kun je ze helemaal tot aan de bergen opjagen.’ Net als bij de Cuaindaighvoorden, aan het eind van de Trollok-oorlogen en op vrijwel dezelfde schaal. Ver schilde ook weinig van Tora Shan. Of van de Sulmein-pas, vlak voordat Haviksvleugel op dreef kwam. De namen flitsten door zijn gedachten, beelden van bloedige slagvelden die zelfs door geschiedschrijvers waren vergeten. Hij ging zo in de kaarten op dat hij ze slechts als zijn eigen herinneringen opmerkte. ‘Jammer dat je niet meer ruiterij hebt. Lichte ruiterij is uitstekend voor het opjagen. Prikken uitdelen in de flanken, hou ze aan het hollen en geef ze geen enkele kans zich ergens te groeperen. Maar Aiel zouden het bijna even goed kunnen.’