‘Die gevolgtrekking heb ik allang gemaakt. Ze heeft Emondsveld verder achter zich gelaten dan jij of ik. En heeft er minder spijt van.’
‘Misschien,’ zei Rhand bedroefd. ‘Moge het Licht op je schijnen,’ voegde hij eraan toe en stak zijn hand uit, ‘en je begaanbare paden, mooi weer en plezierig gezelschap schenken, tot we elkaar weer ontmoeten.’
Dat zou nog een hele tijd mogen duren, als Mart het voor het zeggen had. Hij voelde zich daar wat bedroefd door en ook dwaas dat hij zich zo voelde, maar hij was een man en diende voor zichzelf te zorgen. Nou ja, alles was gezegd en gedaan, en dat was dat. Rhands hand voelde even hard als altijd – al dat oefenwerk met het zwaard had weer nieuwe eeltplekken gevormd op het oudere eelt van het boogschieten – maar het ruwe brandmerk van de reiger in zijn handpalm was duidelijk voelbaar. Enkel een kleine herinnering voor het geval hij die tekenen onder de jasmouwen van zijn vriend zou vergeten of zelfs die nog vreemdere dingen in Rhands hoofd, waar door hij kon geleiden. Alsof hij ooit zou vergeten dat Rhand een geleider was – en hij had er al dagenlang, dagen!, niet eenmaal aan gedacht; dus was het de hoogste tijd weg te gaan. Er werden nog enkele verlegen woorden gewisseld terwijl ze kort bij elkaar stonden. Lan leek hen te negeren en bekeek met over elkaar geslagen armen de kaarten, terwijl Natael wat losse noten aan zijn harp ontlokte. Mart had een oor voor muziek en voor hem klonk het onbekende wijsje enigszins spottend. Hij vroeg zich af waarom die vent dat had gekozen – tot Rhand, die wat halfslachtig rond drentelde, er in feite een eind aan maakte – en toen stond Mart bui ten. Er bevond zich een hele menigte met wel honderd Speervrouwen her en der op de heuvel. Ze liepen op hun tenen, alsof ze iemand meteen aan hun speer wilden rijgen. Liefst zeven stamhoofden stonden geduldig als standbeelden te wachten en drie Tyreense heren pro beerden al zwetend net te doen of ze de Aiel niet opmerkten. Hij had gehoord dat de heren waren aangekomen en was zelfs naar hun kamp – of kampen – gaan kijken, maar er was niemand bij geweest die hij kende en niemand die met de dobbelstenen of de kaarten een gokje wilde wagen. Dit drietal nam hem van top tot teen op, keek fronsend op hem neer en besloot kennelijk dat hij geen haar beter was dan een Aiel; wat inhield dat ze hem niet hoefden te zien. Mart zette met een klap zijn hoed recht op het hoofd en trok de rand tot vlak boven de ogen, waarbij hij de Tyreners kort en koeltjes aan keek. Hij voelde het genoegen dat de jongste twee zich tenminste niet op hun gemak voelden en liep de heuvel af. De grijze baardman leek nog steeds met slecht verborgen ongeduld Rhands tent binnen te willen stappen, maar het deed er niet meer toe. Hij zou hen toch nooit meer zien.
Hij had geen enkel idee waarom hij ze niet gewoon had genegeerd. Maar zijn stap voelde lichter en hij voelde zich bruisen van leven. Eigenlijk geen wonder nu hij morgenochtend eindelijk ging vertrekken. De dobbelstenen leken rond te tollen in zijn hoofd en hij kon on mogelijk weten hoeveel ogen geteld konden worden als ze stillagen. Dat was vreemd. Het moest door Melindhra komen dat hij zich zorgen maakte. Ja, hij zou zeker in alle vroegte vertrekken, zo stil als een muisje dat over veren trippelt.
Fluitend begaf hij zich naar zijn tent. Wat voor wijsje was het ook alweer? O ja. ‘Dans met Jak met de zeis’. Hij was niet van plan met de dood te dansen, maar het klonk vrolijk, dus floot hij door, terwijl hij de beste weg probeerde te bedenken om uit Cairhien weg te komen.
Rhand stond Mart nog lang na te staren, toen de tentflappen allang weer terug waren gevallen, ik hoorde alleen het laatste stuk,’ zei hij eindelijk. ‘Was de rest ook zo goed?’
‘Bijna hélemaal,’ antwoordde Lan. ‘Hij had maar heel kort de kaarten staan bekijken, maar hij ontvouwde bijna precies hetzelfde strijd plan als Rhuarc en de anderen. Hij zag de moeilijkheden en gevaren en hoe die opgevangen moeten worden. Hij weet wat mineurs zijn en belegeringstoestellen, en dat je met lichte ruiterij het best een ver slagen vijand kunt opjagen.’
Rhand keek hem aan. De zwaardhand toonde geen enkele verbazing, geen ooglid knipperde. Hij was uiteraard wel de man geweest die had gezegd dat Mart verbazend veel kennis van de krijgskunst bezat. Maar Lan zou niet de voor de hand liggende vraag stellen, wat maar goed was. Rhand had niet het recht hem het halve antwoord te geven waarover hij beschikte.
Hij had zelf ook nog wel enkele vragen. Zoals wat mineurs met de strijd te maken hadden. Of misschien was het alleen bij een belegering. Nou ja, deze veldslag zou zonder die mineurs worden gestre den. Het voornaamste was dat hij wist dat Mart aan de andere kant van die poort, van die ter’angreaal, meer had gewonnen dan de neiging om woorden in de Oude Spraak te spuien, wanneer hij niet na dacht. En die wetenschap zou Rhand zeker kunnen benutten. Harder hoef je niet te worden, dacht hij verbitterd. Hij had Mart naar zijn tent zien stappen en had zonder aarzelen Lan erheen gestuurd om uit te zoeken wat er in een simpel gesprekje naar boven zou komen. Dat was opzet geweest. De rest zou mogelijk wel of niet gebeuren, maar her zou plaatsvinden. Hij hoopte dat Mart een fijne tijd zou hebben, nu hij vrij was. Hij hoopte ook dat Perijn van zijn tijd in Tweewater genoot, waarbij hij Faile aan zijn moeder en zusters zou voorstellen en misschien wel met haar zou trouwen. Hij hoopte maar van wel, want hij wist dat hij hen terug zou trekken, de sterkste ta’veren trok de andere ta’veren aan. Moiraine had het geen toeval genoemd dat drie van die mensen in hetzelfde dorp waren opgegroeid en dat ze alledrie bijna even oud waren. Het Rad spon toeval en samenloop van omstandigheden in het Patroon, maar het weefde niet zonder reden drie soortgelijke mensen in één dorp. Uiteindelijk zou hij zijn vrienden weer aantrekken, hoe ver ze ook gingen, en wanneer ze terugkwamen, zou hij ze op alle mogelijke ma nieren gebruiken. Op welke wijze dan ook. Omdat hij dat moest doen. Omdat wat de Voorspellingen van de Draak ook zeiden, hij er zeker van was dat zijn enige kans om Tarmon Gai’don te winnen in het drietal lag verenigd. Drie ta’veren die sinds hun kindertijd waren verbonden, en wederom verenigd zouden worden. Nee, hij hoefde niet hard te worden. Je bent al zo bedorven dat een Seanchan je zou uitspugen!
‘Speel “De mars des doods”,’ beval hij, harder dan hij wilde, en Natael keek hem effen aan. De man had naar alles zitten luisteren. Hij zou vragen hebben, maar geen antwoorden krijgen. Als Rhand Marts geheimen niet aan Lan vertelde, zou hij ze ook niet aan een Verzaker verklappen, hoe mak die ook was geworden. Ditmaal maakte hij opzettelijk zijn stem ruw en wees met de lans naar de man. ‘Speel, tenzij je er eentje kent die droeviger is. Speel iets waarbij zelfs jouw ziel weent. Als je er nog een hebt.’
Natael lachte hem beminnelijk toe en boog zelfs hoewel hij zat, maar werd lijkwit rond de ogen. Hij begon inderdaad met ‘De mars des doods’, maar nooit eerder hadden de tonen zo scherp geklonken, zo krijsend en klaaglijk, zodat iedere ziel hiervan zou wenen. Hij bleef Rhand strak aanstaren, alsof hij hoopte dat hij genoeg indruk maak te.
Rhand draaide zich om en ging op zijn buik op de kleden liggen met zijn ogen op de kaarten gericht en een roodgouden kussen onder zijn elleboog. ‘Lan, kun je nu de anderen vragen binnen te komen?’ De zwaardhand maakte een vormelijke buiging voor hij naar buiten stapte. Het was voor het eerst dat hij dat deed, maar Rhand merkte het maar half.
De veldslag zou morgen beginnen. Het was een beleefde veront schuldiging dat hij bij de plannen van Rhuarc en de anderen had geholpen. Hij was slim genoeg om te weten wat hij niet wist, en on danks alle gesprekken met Lan en Rhuarc wist hij dat hij er nog niet klaar voor was.
Ik heb wel honderd veldslagen van deze omvang voor bereid en bevelen gegeven die geleid hebben tot duizenden veldslagen.