Niet zijn gedachte. Lews Therin kende de oorlog – had de oorlog gekend – maar Rhand Altor niet en dat was hijzelf. Hij luisterde, stel de vragen en knikte alsof hij het begreep wanneer de hoofden zeiden dat iets op een bepaalde manier moest gebeuren. Soms begreep hij het inderdaad en had het liever niet geweten, omdat hij wist waar dat begrip uit voortkwam. Zijn enige bijdrage was eigenlijk de opmerking geweest dat Couladin verslagen moest worden zonder de stad te ver woesten. In ieder geval zou deze bijeenkomst slechts enkele kleinig heden toevoegen aan het grotere geheel, waarover reeds was beslist. Mart had van nut kunnen zijn met zijn nieuw ontdekte kennis. Nee. Voor alles voorbij was, wilde hij niet aan zijn vrienden denken of wat hij met hen kon doen. Zelfs als hij de veldslag even vergat, was er later meer dan voldoende te doen. Het ontbreken van elke Cairhiense vlag boven de stad duidde op een belangrijk probleem en de voortdurende schermutselingen met de Andoranen op een ander. De plannen van Sammael vergden alle aandacht en De stamhoofden stapten ongedwongen naar binnen. Ditmaal was Dhearic de eerste en sloten Rhuarc en Erim samen met Lan de rij. Bruan en Jheran gingen naast Rhand zitten. Onder elkaar maakten ze zich geen enkele zorg over rangorde en Aan’allein leken ze als een van hen te aanvaarden.
Weiramon kwam als laatste, met zijn jonge heren vlak achter zich en een honende trek rond zijn samengeknepen lippen. Rang was voor hem zeker van groot belang. Mompelend in zijn ingevette baard been de hij naar de vuurkuil en plaatste zich achter Rhand. Totdat de starre blikken van de stamhoofden eindelijk door zijn schild braken. Bij de Aiel mocht op die plek alleen een goede verwant of genoot schapsbroeder staan, als de mogelijkheid bestond dat iemand een mes in zijn rug kon krijgen. Hij keek Jheran en Dhearic fronsend aan, alsof hij van hen verwachtte dat zij plaats zouden maken. Ten slotte gebaarde Bael naar de plek naast hem, aan de andere kant van de kaarten, tegenover Rhand, en na een korte pauze schreed Weiramon erheen. Hij ging stijf zitten met gekruiste benen en rechte rug, keek strak voor zich uit en leek op een man die een onrijpe pruim door had moeten slikken. De jongere Tyreners stonden bijna even star vlak achter hem, maar een van hen liet tenminste nog iets van verlegenheid blijken.
Rhand keek hem even aan maar zei niets, stopte zijn pijp en greep saidin lang genoeg beet om de tabak aan te steken. Hij moest iets aan Weiramon doen. De man vergrootte de oude problemen en schiep nieuwe. Er bewoog geen enkel spiertje op Rhuarcs gezicht, maar de gezichtsuitdrukkingen van de andere hoofden liepen uiteen van een zure afkeer bij Han tot Erims klare, kille bereidheid om hier en nu de speren te laten dansen. Misschien kon Rhand Weiramon kwijtraken en tegelijkertijd een van zijn andere zorgen oplossen. Op Rhands voorbeeld stopten Lan en de andere stamhoofden even eens hun pijp.
‘Ik vind dat slechts kleine wijzigingen nodig zijn,’ zei Bael, die met korte trekjes zijn pijp rookte en als gebruikelijk een felle blik aan Han ontlokte.
‘Betreffen die kleine veranderingen de Goshien of misschien ook een andere stam?’
Terwijl Rhand Weiramon uit zijn gedachten verbande, boog hij zich voorover om te luisteren naar hun besprekingen over wat door een betere kijk op het gebied aangepast moest worden. Nu en dan keek een Aiel even kort naar Natael. Een korte strakheid rond ogen of mond duidde aan dat de treurige muziek iets in hen beroerde. Zelfs de Tyreners glimlachten droevig. De geluiden spoelden echter over Rhand heen en raakten hem niet. Tranen waren een weelde die hij zich niet meer kon veroorloven, zelfs geen verborgen tranen.
43
Vandaag en hier
Ruim voor het eerste licht was Rhand al opgestaan en aangekleed. Hij had feitelijk niet geslapen en dat was niet door Aviendha gekomen, al had ze zich al uitgekleed voor de lampen uitgingen. Hij had er bijna weer een met geleiding aangestoken, omdat ze plagend had opgemerkt dat hij misschien wel, maar zij zeker niet in het donker kon zien. Hij had geen antwoord gegeven en had uren later amper gemerkt dat ze zich vóór hem had aangekleed en was weggegaan. Het was zelfs niet in hem opgekomen haar te vragen waar ze heen ging. De gedachten die hadden veroorzaakt dat hij voortdurend in het donker had liggen staren, speelden nog steeds door zijn hoofd. Vandaag zouden mensen sterven. Heel veel mensen, zelfs als alles volmaakt verliep. Hij kon niets meer doen waardoor dat zou veranderen. De dag van vandaag zou volgens het Patroon verlopen. Maar steeds weer overdacht hij de beslissingen die hij had genomen nadat hij naar de Woestenij was getrokken. Had hij iets anders kunnen doen, iets wat vandaag en deze plek hier had kunnen voorkomen? De volgende keer misschien. De lans met de kwast lag boven op zijn zwaardriem en het wapen in de schede vlak naast de dekens. Er zou een volgende keer komen, vervolgens nog een en nog een.
In de zwarte duisternis kwamen de stamhoofden bijeen voor enkele laatste woorden en om door te geven dat hun krijgers klaarstonden op de afgesproken plekken. Niet dat iets anders werd verwacht. Op alle steenharde gezichten waren toch enkele gevoelens zichtbaar. Het was een vreemde mengeling, een zweem van vurigheid in alle som berheid.
Erim toonde in feite nog een lichte glimlach. ‘Een goede dag om het einde van de Shaido mee te maken,’ zei hij. Hij leek op zijn tenen rond te sluipen.
‘Als het Licht het wil,’ zei Bael, die met zijn hoofd het tentzeil raak te, ‘zullen we voor zonsondergang de speren wassen in het bloed van Couladin.’
‘Het brengt ongeluk te praten over wat komen gaat,’ mompelde Han. Natuurlijk was de zweem van vurigheid bij hem heel dun. ‘Het lot zal beslissen.’
Rhand knikte. ‘Het Licht geve dat het niet wil schijnen op al te veel doden onder ons.’ Inwendig had hij maar één zorg willen hebben, namelijk dat slechts enkele mannen zouden sterven, omdat het leven van mensen niet te vroeg mocht eindigen, maar er zouden nog vele dagen volgen. Hij zou iedere speer nodig hebben om aan deze zijde van de Drakenmuur de orde te herstellen. Dat was tussen hem en Couladin evenzeer een geschil als al het andere. ‘Het leven is als een droom,’ zei Rhuarc tegen hem, en Han en de anderen knikten instemmend. Het leven was slechts een droom en aan alle dromen kwam een eind. Aiel keken niet uit naar hun dood, maar vluchtten er ook niet bepaald voor weg. Toen ze vertrokken bleef Bael even staan. ‘Ben je zeker van de taak van de Far Dareis Mai? Sulin heeft met de Wijzen gepraat.’ Dus daarover had Melaine het met Bael gehad. Uit de manier waar op Rhuarc bleef staan luisteren, maakte Rhand op dat hij blijkbaar met Amys had gesproken.
‘Ieder ander doet zonder klagen wat van hem of haar verwacht wordt, Bael.’ Dat was niet eerlijk, maar dit was geen spelletje. ‘Als de Speervrouwen nader overleg wensen, kan Sulin mij aanspreken en hoeft ze niet naar de Wijzen te hollen.’
Als het geen Aiel waren geweest, zouden Rhuarc en Bael bij hun ver trek het hoofd hebben geschud. Rhand nam aan dat ze van hun vrouwen nog wei iets te horen zouden krijgen, maar daar zouden ze mee moeten leven. Als de Far Dareis Mai zijn eer hoog hielden, zou het ditmaal gebeuren op de wijze die hij wenste.
Tot Rhands verbazing verscheen Lan net op het moment dat hij naar buiten wilde stappen. Hij had zijn zwaardhandmantel om en de bewegingen vertroebelden Rhands zicht.
‘Is Moiraine hier?’ Rhand had eigenlijk gedacht dat Lan niet van haar zijde zou wijken.
‘Ze maakt zich grote zorgen in de tent. Ze kan onmogelijk iedereen helen, zelfs niet de heel erge gevallen.’ Zij had voor haar soort hulp gekozen. Ze kon de Kracht vandaag niet als wapen gebruiken, maar ze kon wel helen. ‘Niets doen maakt haar altijd boos.’
‘Het maakt ons allemaal boos,’ snauwde Rhand. Dat hij Egwene van haar had weggehaald, had haar ook van streek gemaakt. Voor zover hij wist, was Egwene in haar eentje niet zo goed in Heling, maar ze had Moiraine kunnen helpen. Nou ja, hij vond het nood zakelijk haar aan haar belofte te houden. ‘Zeg tegen Moiraine dat ze enkele geleidsters bij de Wijzen hulp kan vragen.’ Er waren echter maar weinig Wijzen die iets van Heling wisten. ‘Ze kan zich met hen verbinden en hun kracht gebruiken.’ Hij aarzelde. Had Moiraine het ooit met hem over binding gehad? ‘Je bent niet hierheen gelopen om me te zeggen dat Moiraine zit te mokken,’ zei hij geërgerd. Het was soms moeilijk om uit elkaar te houden wat van haar kwam, wat hij van Asmodean had opgestoken en wat er uit Lews Therin opborrelde.