Egwene en Aviendha waren tijdens het lopen even stil als Sulin, waar hij hen dankbaar voor was. Natuurlijk werd minstens een deel van hun zwijgen veroorzaakt doordat ze allerlei heuvels op en af liepen en hun nek niet wilden breken. Maar Aviendha mopperde zo nu en dan boos iets wat hij amper kon verstaan, over een rok of zo. Maar geen van beiden maakten hem belachelijk, doordat hij overduidelijk had ingebonden. Hoewel dat best later nog kon gebeuren. Vrouwen leken het leuk te vinden de speld er nog eens in te steken op het moment dat je dacht dat het gevaar was geweken. De hemel ging langzaam over in grijs en bij het in zicht komen van de houten toren boven de bomen, verbrak hij zelf de stilte. ‘Ik had niet gedacht dat jij hieraan deel zou nemen, Aviendha. Ik meen dat je een keer hebt verteld dat Wijzen nooit aan veldslagen meedoen.’ Hij was er eigenlijk heel zeker van. Een Wijze kon dwars door een veldslag heen lopen, zonder dat haar een haar werd gekrenkt, elke veste of post binnenstappen, zelfs een stam die in bloedvete leefde met haar stam, maar ze nam geen deel aan de strijd, zeker niet door te geleiden. Tot hij in de Woestenij was gekomen, hadden de meeste Aiel niet eens echt geweten dat sommige Wijzen konden geleiden, hoewel de geruchten gingen dat ze over vreemde kundigheden leken te beschikken en soms over iets anders wat volgens de Aiel dicht bij geleiden kwam.
‘Ik ben nog geen Wijze,’ antwoordde ze opgewekt en gaf een ruk aan haar sjaal. ‘Als een Aes Sedai als Egwene dit kan doen, kan ik het ook. Ik heb het vanmorgen geregeld toen je nog sliep, maar ik liep er al aan te denken nadat je het Egwene had gevraagd.’ Het was nu zo licht dat hij Egwene zag blozen. Toen ze hem zag kijken, struikelde ze zomaar en moest hij haar bij de arm grijpen om een val te voorkomen. Ze vermeed het hem aan te kijken en rukte zich los. Misschien hoefde hij zich toch niet te hoeden voor latere speldenprikken. Ze liepen tussen het schaarse geboomte de heuvel op naar de toren.
‘Hebben ze niet geprobeerd je tegen te houden? Amys, bedoel ik, Bair of Melaine?’ Hij wist dat ze het niet hadden gedaan, anders zou ze niet hier zijn geweest.
Aviendha schudde haar hoofd en keek toen peinzend. ‘Ze hebben heel lang met Sorilea staan praten en me toen verteld dat ik moest doen wat ik dacht te moeten doen. Gewoonlijk zeggen ze tegen mij wat zij vinden.’ Ze nam hem van terzijde op en voegde eraan toe: ‘Ik hoorde Melaine zeggen dat je in alles verandering brengt.’
‘Inderdaad,’ zei hij, terwijl hij zijn voet op de onderste sport van de eerste ladder zette. ‘Het Licht sta me bij, dat doe ik inderdaad.’ Het uitzicht vanaf de vlonder was zelfs met het blote oog indruk wekkend. Het landschap strekte zich in spaarzaam beboste heuvels onder hem uit. De bomen droegen nog zoveel loof dat hij de naar Cairhien oprukkende Aiel niet kon zien – de meesten zouden al op de aangewezen stellingen staan – maar de dageraad zette de stad zelf in een goudgeel licht. Een vlugge blik door een van de kijkglazen liet zien dat er rust heerste op de schijnbaar levenloze kale heuvels langs de rivier. Dat zou heel spoedig veranderen. Daar lagen de Shaido, al hielden ze zich nu verborgen. Ze zouden zich niet verborgen blijven houden als hij ging geleiden... Maar wat? Lotsvuur? Nee, dat niet. Wat hij ook ging doen, het moest de Shaido zo zenuwachtig moge lijk maken voor zijn Aiel aanvielen.
Egwene en Aviendha hadden om beurten door de andere lange buis gekeken, af en toe onderbroken door wat opmerkingen, maar ze stonden nu gewoon zachtjes te praten. Ten slotte knikten ze elkaar in stemmend toe, schoven dichter naar de rand en bleven met hun handen op de ruw geschaafde balken strak naar Cairhien staan kijken. Opeens kreeg hij overal kippenvel. Eén van hen geleidde, misschien wel beiden.
Het eerst merkte hij de opstekende wind in de richting van de stad op. Geen briesje, maar de eerste fikse wind die hij in dit land had gevoeld. Er begonnen zich kolkende wolken boven Cairhien te vormen, de dikste in het zuiden, die dikker en zwarter werden. Alleen daar, boven Cairhien en de Shaido. Voor zover hij kon zien, was de hemel overal elders strakblauw met slechts enkele hoge, dunne wolkenflar den. Maar het onweer donderde, lang en luid. Opeens sloeg een bliksem omlaag, een zigzaggende zilveren streep die op een heuveltop aan deze zijde van de stad insloeg. Voor de klap van die eerste in slag de toren bereikte, knetterden er nog twee bliksemschichten naar de aarde toe. Wilde lichtvorken dansten in de hemel, maar slechts een paar speren van flikkerend wit sloegen met de regelmaat van een hartslag omlaag. Opeens ontplofte de grond op de plaats waar de bliksem niet had ingeslagen en rees wel vijftig voet omhoog, toen ontplofte een andere plek, en weer een andere. Rhand had geen idee welke vrouw dat deed, maar ze leken zeker bereid de Shaido weg te vagen. Het werd tijd zijn aandeel te leveren of anders slechts toe te zien. Hij reikte naar de Ware Bron en greep saidin vast. Ijzig vuur schroeide de buitenkant van de leegte die om ringde wat Rhand Altor was. Kil negeerde hij de vettige vuiligheid die van de smet in hem doorsijpelde, en hij goochelde met woeste Krachtstromen die hem dreigden te overspoelen. Op die afstand waren zijn mogelijkheden beperkt. Feitelijk was het de uiterste grens van zijn bereik, met of zonder angreaal of sa’angreaal. Dat was waarschijnlijk ook de reden waarom de vrouwen slechts één bliksem en een uitbarsting tegelijk geleidden. Als hij al naar de grenzen reikte, dan moesten zij die al helemaal bereikt heb ben.
Er gleed een herinnering langs de leegheid. Niet van hem, maar van Lews Therin. Maar ditmaal vond hij het niet erg. Hetzelfde ogenblik geleidde hij en op bijna vijf span afstand omhulde een vuurbol de heuveltop, een schroeiende massa lichtgele vlammen. Toen die afnamen, kon hij ook zonder kijkglas zien dat de heuvel lager was en op de top zwart beroet, schijnbaar half weggesmolten. Samen met Egwene en Aviendha kon hij er misschien wel voor zorgen dat de stammen Couladin niet eens meer hoefden te bestrijden. Ilyena, mijn lief, vergeef me.
De leegte trilde; een oogwenk lang verkeerde Rhand op de rand van vernietiging. Golven van de Ene Kracht sloegen door hem heen in schuimende vrees; de smet leek rond zijn hart tot een stinkende steen te stollen.
Hij omvatte de leuning van de toren tot zijn knokkels zeer deden en dwong zichzelf kalm te worden, dwong de leegheid stand te houden.
Daarna weigerde hij naar zijn gedachten te luisteren. In plaats daar van schonk hij het geleiden alle aandacht, waarbij hij volgens een vast plan heuveltop na heuveltop verzengde.
Terwijl Mart zich tussen de overgebleven bomen op een heuveltop schuilhield, had hij onder zijn arm Pips’ neus omklemd, zodat de ruin niet zou hinniken nu ongeveer een duizend Aiel over de heuvels uit het zuiden op hem afkwamen. De zon piekte net boven de horizon uit en wierp langgerekte hoekige schaduwen over de voorste helft van de aanstormende massa. De warmte van de nacht begon reeds over te gaan in de hitte van de dag. De lucht zou schroeien als de zon redelijk hoog stond. Het eerste zweet brak hem uit. De Aiel hadden hem nog niet opgemerkt, maar hij twijfelde er eigenlijk niet aan dat dat wel zou gebeuren als hij nog veel langer bleef wachten. Het deed er amper iets toe dat het bijna zeker Rhands mannen waren – als Couladin mannen in het zuiden had, zou de dag heel boeiend worden voor hen die zo stom waren in het midden van de strijd te belanden. Het deed er weinig toe, omdat hij niet het gevaar wilde lopen dat ze hem zouden zien. Hij was die ochtend al veel te dicht langs een pijl gereden om zo zorgeloos te worden. Verstrooid voelde hij aan de nette scheur in de schouder van zijn jas. Een goed schot op een bewegend doel dat door de bomen slechts half zicht baar was. Hij had er nog meer bewondering voor op kunnen brengen als hij niet het doelwit was geweest.