Выбрать главу

Zonder zijn ogen van de oprukkende Aiel af te nemen, trok hij behoedzaam Pips verder terug in het dunne struikgewas. Als ze hem zagen en sneller zouden gaan lopen, wilde hij dat weten. De mensen beweerden dat Aiel een ruiter konden inhalen en hij wilde zeker een mooie voorsprong hebben als ze dat gingen proberen. Pas toen de bomen hem voor hun ogen verborgen, liep hij snel weg en leidde Pips de tegenoverliggende heuvel op voordat hij in het zadel klom. Een man kon niet voorzichtig genoeg zijn, als hij vandaag op deze velden in leven wilde blijven. In zichzelf mompelend, de hoed diep omlaag getrokken voor de schaduw en de speer met de zwarte schacht over de zadelboog, reed hij naar het westen. Opnieuw. De dag was zo goed begonnen. Ruim twee uur voor het eerste och tendlicht was Melindhra vertrokken naar een of andere bijeenkomst van de Speervrouwen. Ze dacht dat hij sliep en had niet een keer naar hem gekeken toen ze naar buiten sloop. Ze mompelde zachtjes iets over Rhand Altor, eer en ‘Far Dareis Mai voor alles’. Het klonk of ze ruzie met zichzelf had, maar eerlijk gezegd gaf hij er niet om of ze Rhand wilde inmaken of laten sudderen. Ze was de tent nog niet uit of hij begon zijn zadeltassen vol te proppen. Niemand had bij het opzadelen op hem gelet, ook niet toen hij heimelijk naar het zuiden wegreed. Een goed begin. Hij had alleen geen rekening gehouden met de talloze colonnes Taardad, Tomanelle en andere bloed stammen die naar het zuiden optrokken. Het was een schrale troost dat ze vrijwel geheel het plan volgden dat hij zo loslippig aan Lan had verteld. Hij wilde naar het zuiden en die Aiel hadden hem in de richting van de Alquin gedwongen. In de richting waar het gevecht zou worden geleverd.

Ongeveer twee span verder stuurde hij Pips behoedzaam een heuvel op en hield in, verborgen tussen de bomen. Deze heuvel was hoger dan de andere en hij had een goed uitzicht. Ditmaal zag hij geen enkele Aiel, maar de colonne die zich over de bodem van een kronkelig dal slingerde, was bijna even erg. Tyreense ruiterij reed voorop achter een groepje kleurrijke banieren van heren. Achter hen, in het stof, volgde een dichte ritselende slang van Tyreense piekeniers. Daar na kwam er even niets en toen zag hij de Cairhiense ruiters en hun ontelbare banieren, vaandels en koins. De Cairhienin schoten zon der enige orde in het rond; de heren reden heen en weer om zo nu en dan iets tegen iemand te zeggen. Gelukkig hadden ze wel aan beide zijden soldaten op hun flanken. In ieder geval had hij, zodra ze langs waren gereden, vrije baan naar het zuiden. En ik stop pas als ik halverwege die bloedrivier de Erinin ben!

Een korte verholen beweging viel hem opeens op, ruim voor de colonne onder hem. Hij zou het niet hebben gezien als hij niet zo hoog had gestaan. Niemand van de ruiters kon het zijn opgevallen. Hij trok zijn kleine kijkglas uit de zadeltas – Kin Tovere hield van dobbelen – en keek strak naar wat hem was opgevallen, zachtjes door zijn tanden fluitend. Aiel. Minstens evenveel als de colonne onder hem en als die niet van Couladin waren, dan waren ze van plan voor een verrassend naamdaggeschenk te zorgen, want ze hielden zich on der dorre struiken en bladeren verborgen.

Heel even roffelden zijn vingers op zijn dij. Binnen afzienbare tijd zouden daar beneden enkele lijken liggen. En daar zouden maar weinig Aiel bij zijn. Ik heb er niets mee te maken. Ik sta hierbuiten en hoor hier niet. Ik ben op weg naar het zuiden.

Hij zou even wachten en dan op pad gaan, wanneer zij het te druk hadden om hem op te merken.

Die kerel Weiramon – hij had de vorige dag de naam van die grijs baard gehoord – was volslagen dwaas. Geen voorruiters en geen ver kenners, bloedvuur, anders zou hij weten wat hem te wachten stond. Maar door de ligging van deze heuvels en de bochten in het dal konden de Aiel de colonne ook niet zien, alleen het opstijgende dunne stof. Ze hadden vrijwel zeker verkenners uitgezet, ze zouden daar niet stom toevallig in hinderlaag liggen.

Verstrooid ‘Dans met Jak met de zeis’ fluitend, zette hij het kijkglas weer aan het oog en bestudeerde de heuveltoppen. Ja. De aanvoer der van de Aiel had enkele mannen op een plaats gezet waar ze een waarschuwing konden doorgeven vlak voor de colonne de plek des onheils zou oprijden. Maar zelfs zij konden onmogelijk alles al zien. Over enkele tellen zouden de eerste Tyreners in zicht komen, maar pas dan...

Geschokt merkte hij dat hij Pips had aangespoord naar beneden te galopperen. Licht-nog-aan-toe, wat ben ik aan het doen?

Nou ja, hij kon zich niet afzijdig houden en ze allemaal naar hun dood laten trekken als ganzen naar de slachter. Hij ging hen waarschuwen. Dat alleen zou hij doen. Hun zeggen wat voor hen lag, en dan zou hij weer verdwijnen.

De ruiters aan de flanken zagen hem uiteraard aankomen voor hij onder aan de heuvel was en hoorden het krijgshaftige geroffel van Pips’ hoeven. Twee of drie lieten hun lansen zakken. Mart vond het niet echt prettig dat er een lans van zo’n anderhalve voet staal naar hem wees, laat staan dat het er drie waren, maar het was ook duidelijk dat één man geen bedreiging vormde, zeker zo’n aanstormen de gek niet. Ze lieten hem doorrijden en terwijl hij langs de voorste Cairhiense heren heen reed, schreeuwde hij: ‘Halt houden! Nu! Bevel van de Drakenheer! Anders geleidt hij je kop in je buik en mag je je eigen voeten als ontbijt verorberen!’

Zijn hielen spoorden Pips aan en de ruin sprong verder. Hij keek slechts een keer over zijn schouder om te zien of ze deden wat hij zei. Dat deden ze, al was er enige verwarring merkbaar. De heuvels hielden hen nog steeds voor de Aiel verborgen en als het stof een maal was gezakt, zouden de Aiel absoluut niet weten waar ze zaten. Maar hij lag laag over de paardennek gebogen en galoppeerde langs het voetvolk verder. Als ik wacht tot Wetramon die bevelen doorgeeft, zal het te laat zijn. Dat is het enige.

Hij zou hen waarschuwen en dan vertrekken. Het voetvolk trok in groepen van zo’n tweehonderd piekeniers op, met een officier te paard voor ieder blok en misschien vijftig boog schutters of kruisboogschutters erachter. De meesten keken hem nieuwsgierig aan toen hij langsdraafde en Pips’ hoeven wolkjes stof deden opdwarrelen, maar niemand verbrak de rijen. Enkele rossen van de officieren dansten opzij, alsof de ruiters wilden zien waarom hij zo’n haast had, maar niemand reed gelukkig van zijn plek weg.

Goede krijgstucht. Dat zouden ze nodig hebben. De Verdedigers van de Steen vormden de achterhoede van de Tyreners. Ze droegen borstkurassen, bolle, zwart en goud gestreepte mouwen en pluimen in verschillende kleuren op de helmkammen, waar aan de officieren en onderofficieren herkend konden worden. De anderen waren op dezelfde manier geharnast, maar toonden de kleuren van verschillende heren op hun mouwen. De in zijde gestoken heren zelf reden helemaal vooraan met versierde kurassen en grote witte pluimen terwijl achter hen hun banieren in de opstekende bries wapperden.

Hij trok zo fors de teugels aan dat Pips steigerde. Mart schreeuwde: ‘Halt! In naam van de Heer Draak!’

Het leek hem de snelste manier om hen te laten stoppen, maar heel even dacht hij dat ze van plan waren dwars door hem heen te rijden. Bijna op hetzelfde ogenblik hief een jonge heer die hij zich nog van Rhands tent herinnerde, zijn hand op en toen trokken allen de teugels aan in een stortvloed van geschreeuwde bevelen die in de colonne verder werden doorgegeven. Weiramon was er niet bij; bijna elke heer was amper tien jaar ouder dan Mart. ‘Wat heeft dit te betekenen?’ wilde de man van de opgestoken hand weten. Donkere ogen fonkelden hoogmoedig langs een scherpe neus, de kin zo hoog geheven dat zijn puntbaardje een dolk leek te vormen. Het zweet dat langs zijn gezicht druppelde, bedierf het amper. ‘De Drakenheer heeft me zelf dit bevel gegeven. Wie ben jij, dat je...’ Hij zweeg abrupt toen een andere man die Mart kende, aan zijn mouw trok en hem fel iets toefluisterde. Estean, met zijn aardappel gezicht, zag er onder zijn helm zowel afgetobd als verhit uit – de Aiel hadden hem helemaal uitgewrongen over de toestand in de stad, had Mart gehoord – maar in Tyr had hij met Mart aan de kaartta fel gezeten. Hij wist precies wie Mart was. Alleen Esteans borstplaat vertoonde scheurtjes in het fraaie verguldsel. Geen van de anderen had meer gedaan dan wat pralend rondgereden. Nog niet. De kin van de steekneus zakte al luisterend omlaag en toen Estean zweeg, klonk zijn stem meer bescheiden. ‘Ik wilde u niet beledigen... eh... heer Mart. Ik heet Melanril van Huis Asegora. Hoe kan ik de Drakenheer dienen?’ Er klonk tenminste eindelijk wat bescheidenheid en echte aarzeling in zijn stem door en Estean onderbrak hem gehaast.