Выбрать главу

‘Waarom moeten we halt houden? Ik weet dat de Drakenheer heeft gezegd ons achteraf te houden, Mart, maar mijn ziel mag branden, er steekt geen eer in rustig af te wachten en de Aiel al het vechten voor hun rekening te laten nemen. Waarom moeten we opgezadeld worden met hen na te jagen als ze de rijen hebben verbroken? Bo vendien is mijn vader in de stad en...’ Hij zweeg toen Mart hem fel aanstaarde.

Mart schudde het hoofd en waaide zich met zijn hoed koelte toe. De zotten waren niet eens op de plek waar ze hoorden te zijn. Maar de kans was ook klein dat hij hen kon laten omdraaien. Als Melanril dat zou doen – Mart keek hem aan en betwijfelde dat, zelfs met een verzonnen bevel van de Drakenheer – hadden ze nog geen enkele kans. Hij zat in het volle zicht van de Aielverkenners te paard. Als de colonne om zou keren, zouden de Shaido weten dat ze ontdekt waren en heel waarschijnlijk de aanval inzetten als de Tyreense en Cairhiense piekeniers warrig door elkaar trokken. Ze zouden net zo zeker in de pan worden gehakt als wanneer ze zonder enig vermoeden verder zouden rijden. ‘Waar is Weiramon?’

‘De Heer Draak heeft hem naar Tyr teruggestuurd,’ gaf Melanril langzaam ten antwoord. ‘Om de Illiaanse zeeschuimers en de struikro vers op de Vlakte van Maredo aan te pakken. Hij wilde liever niet gaan, natuurlijk, zelfs niet voor zo’n verantwoordelijke taak, maar... Vergeef me, heer Mart, maar als de Heer Draak u gestuurd heeft, hoe komt het dan dat u niet weet...’

Mart onderbrak hem. ‘Ik ben geen heer. En als je twijfels hebt over wat Rhand wel of niet aan zijn mensen laat weten, vraag het hem zelf.’ Dat zou de man doen inbinden. Bloedvuur, die man zou de Draak van zijn leven geen vragen meer stellen. Weiramon was een dwaas, maar was tenminste wel zo oud dat hij eerder een veldslag had meegemaakt. Afgezien van Estean, die als een zak knollen op zijn paard zat, had dit hele stelletje niet meer meegemaakt dan een paar gevechten in een taveerne. En misschien wat tweegevechten geleverd. Dat zou hen op dit moment weinig helpen. ‘Wel, luister alle maal goed naar me. Als jullie door dat dal tussen die twee heuvels achter me rijden, zullen de Aiel als een lawine op jullie neerstorten.’ Het was of hij hun had verteld dat ze naar een bal gingen met vrouwen die smachtend uitzagen naar de komst van de jonge heren. Er werd gretig gegrijnsd en ze lieten hun paarden ronddansen, waarbij ze elkaar op de schouder sloegen, pochend op het aantal dat ze per soonlijk zouden doden. Estean was de enige die niet meedeed. Hij zuchtte en voelde of zijn zwaard los in de schede stak. ‘Zit niet naar boven te staren!’ snauwde Mart. Dwazen. Binnen de kortste keren zouden ze een stormaanval inzetten. ‘Blijf mij aankijken. Mij!’

Door zijn vrienden onder de Tyreense jonge heren werden ze weer kalm. Melanril en de anderen in hun mooie, smetteloze wapenrusting fronsten het voorhoofd van ongeduld en begrepen niet waarom ze van Mart niet met het afslachten van die wilden mochten beginnen. Als hij niet de vriend van de Drakenheer was geweest, zouden ze zowel over hem als Pips heen zijn gereden.

Hij kon ze die aanval laten uitvoeren. Ze zouden in groepjes naar voren draven, de piekeniers en de Cairhiense ruiterij achterlaten, hoe wel de Cairhienin zich mogelijk erbij zouden aansluiten als die beseften wat er gaande was. En ze zouden allemaal sterven. Het zou verstandig zijn hen maar door te laten rijden, terwijl hij de andere kant opreed. De enige ellende was dat als deze idioten de Aiel hadden laten merken dat ze ontdekt waren, dat de Aiel dan op hun beurt misschien besloten iets slims te doen, zoals om hen heen trekken en die opgeblazen dwazen van opzij aanpakken. En als dat gebeurde, wist hij niet zeker of hij ertussenuit kon komen. ‘Wat de heer Draak wil dat jullie doen,’ vertelde hij, ‘is langzaam verder rijden, net alsof er binnen honderd span geen Aiel te bekennen is. Zodra de piekeniers door de laagte zijn getrokken, moeten ze een ruim vierkant vormen en maken jullie als de drommel dat je binnen dat vierkant komt.’

‘Erbinnen?’ wierp Melanril tegen. Er steeg een boos gemompel op van de andere jonge heren, met uitzondering van Estean, die diep na dacht. ‘Er zit geen eer in je te verstoppen achter die stinkende...’

‘Bloedvuur! Dat doe je!’ donderde Mart, die Pips vlak naast Melanrils paard trok. ‘Als die bloedkrijgers je niet doden, doet Rhand het, en wat hij overlaat, zal ik zelf in kleine worstjes hakken!’ Dit alles duurde veel te lang. De Aiel zouden zich al afvragen, waar ze het over hadden. ‘Als we geluk hebben, staan jullie klaar als de Aiel aan vallen. Als jullie bereden boogschutters hebben, gebruik ze dan. Voor de rest, hou de rijen gesloten. Jullie krijgen je bloedaanval nog wel en je zult zelf merken wanneer dat kan, maar als jullie te vroeg in beweging komen...’ Hij kon bijna voelen hoe de tijd hem ontglipte. Terwijl hij de voet van zijn speer als een lans in zijn stijgbeugel zet te, spoorde hij Pips aan langs de colonne terug te rijden. Toen hij omkeek, zag hij Melanril met de anderen praten en hem nakijken. Gelukkig kwamen ze niet in galop door het dal aanjagen. De bevelhebber van de piekeniers was een bleke, slanke Cairhienin, een halve kop kleiner dan Mart en gezeten op een grijze ruin die geschikter was voor een grazige weide. Maar Daerid had harde ogen, een neus die vaak was gebroken en drie witte littekens dwars over zijn gezicht, waarvan er een nog maar kortgeleden was geheeld. Hij nam zijn klokvormige helm af tijdens zijn gesprek met Mart. De voor kant van zijn hoofd was gladgeschoren. Hij was geen heer. Misschien had hij voor de burgeroorlogen waren begonnen in het leger gezeten. Ja, zijn mannen kenden de egelstelling. Hij had nog nooit te genover Aiel gestaan, maar wel tegenover struikrovers en Andoraanse ruiterij. Tussen de regels door vermoedde Mart dat hij ook tegen andere Cairhienin had gevochten, voor een van de Huizen die om de troon streden. Daerids woorden klonken niet gretig of weifelend, maar meer als de woorden van een man die een klus ging klaren.

De colonne zette zich in beweging, terwijl Mart Pips wendde en de andere kant opreed. Iedereen stapte zeker en ordelijk verder en een snelle blik achterom leerde hem dat de Tyreense ruiters niet sneller doorreden.

Hij liet Pips wat vlugger doorstappen, maar niet veel. Hij leek de Aielogen op zijn rug te voelen, hun vraag naar wat hij had gezegd en waar hij nu heen ging en met welk doel. Enkel een boodschapper die zijn bericht heeft afgeleverd en wegrijdt. Hoefje je geen zorgen over te maken.

Hij hoopte in ieder geval dat de Aiel dat dachten, maar zijn schouders ontspanden zich pas toen hij er zeker van was dat ze hem niet meer konden zien.

De Cairhienin stonden nog te wachten op de plaats waar hij hen had achtergelaten. Ze hadden ook nog steeds hun wachten op de flanken. Banieren en koins vormden een bos rond de groep heren, ruim een van de tien droeg zoiets, dacht hij. De meesten hadden kale borst platen en waar verguldsel of zilverwerk te zien was, was dat gedeukt alsof een dronken wapensmid erop losgelaten was. Sommige krijgs rossen leken op het paard van Lan. Maar konden ze doen wat nodig was? De gezichten die zich naar hem keerden, waren hard, hun ogen nog harder.