Выбрать главу

Hij was nu uit zicht en kon door de Aiel niet worden gezien. Hij kon wegrijden. In elk geval nadat hij dit stel had verteld wat er van hen werd verwacht. Maar hij had de anderen in de val van de Shaido gestuurd; hij kon hen nu niet zomaar in de steek laten. Talmanes van Huis Delovinde – zijn koin toonde drie gele sterren op een blauw veld en zijn vaandel een zwarte vos – was zelfs nog kleiner dan Daerid. Hij was hoogstens een jaar of drie ouder dan Mart, maar voerde desondanks de Cairhienin aan, hoewel er oudere mannen met grijs haar onder waren. Zijn ogen waren even uitdruk kingsloos als die van Daerid en hij deed denken aan een zweep die elk moment kon knallen. Zijn wapenrusting en zwaard waren heel eenvoudig. Nadat hij zich aan Mart had voorgesteld, luisterde hij kalm naar diens plannen. Mart boog wat uit zijn zadel opzij om met zijn zwaardspeer lijnen in het zand te trekken. De andere Cairhiense heren kwamen op hun paarden om hen heen staan, keken toe, maar geen zo scherp als Talmanes, die de kaart bestudeerde en Mart van laarzen tot hoed opnam, zelfs de zwaardspeer. Toen Mart was uitgesproken, zei de man nog steeds niets, tot Mart blafte: ‘Nou, hoe zit het? Het kan mij niet schelen of je het doet of niet, maar je vrienden zullen binnen de kortste keren tot hun heupen in de Aiel staan.’

‘De Tyreners zijn geen vrienden van mij. En Daerid is... nuttig. Zeker geen vriend.’ De toekijkende Cairhiense heren grinnikten droog bij deze opmerking. ‘Maar ik zal de ene helft leiden, als jij de andere helft aanvoert.’

Talmanes trok een met staal beklede handschoen uit en stak vervolgens zijn hand uit. Maar heel even kon Mart er alleen maar naar staren. Aanvoeren? Hij? Ik ben een gokker, geen krijgsman. Een minnaar.

Herinneringen aan oeroude veldslagen wervelden rond in zijn hoofd, maar hij onderdrukte ze. Hij hoefde alleen maar weg te rij den. Maar dan zou Talmanes misschien Estean en Daerid en de anderen aan het spit laten rijgen. Het spit dat Mart had klaargezet. Des ondanks was hij echt verbaasd toen hij de hand van de ander aanpakte en zei: ‘Zorg ervoor dat je er bent wanneer je er moet zijn.’ Bij wijze van antwoord begon Talmanes snel namen op te noemen. Heren en jonge heren stuurden hun paarden naar Mart, ieder gevolgd door een banierdrager en misschien een tiental krijgslieden tot hij zo’n vierhonderd Cairhienin verzameld had. Talmanes had daar na niets meer te zeggen en leidde de overgeblevenen in een lichte wolk van stof in een draf naar het westen.

‘Blijf bij elkaar,’ gebood Mart zijn helft. ‘Val aan, wanneer ik zeg aanvallen, draaf snel door wanneer ik dat beveel, maak geen onnodige geluiden.’ Er klonk uiteraard gekraak van zadels en hoefge klepper toen ze hem volgden, maar ze hielden gelukkig hun mond en stelden geen vragen.

Een laatste blik op de andere wirwar van kleurrijke banieren en koins die na een bocht in het dal verdwenen. Hoe was hij hierin verzeild geraakt? Het was allemaal zo eenvoudig begonnen. Enkel waar schuwen en er dan vandoor gaan. Iedere stap erna leek zo klein en zo noodzakelijk. En het gevolg was dat hij nu tot aan zijn middel in de modder stak en geen enkele andere keus had dan door te gaan. Hij hoopte dat Talmanes volgens afspraak zou verschijnen. De man had zelfs niet eens gevraagd wie hij was.

Het heuveldal boog en splitste zich toen hij naar het noorden reed, maar hij had een goed richtingsgevoel. Hij wist bijvoorbeeld precies waar het veilige zuiden lag, maar daar reed hij nu niet heen. Er vormden zich donkere wolken boven de stad, de eerste dikke zwarte wolken die hij sinds lang had gezien. De regen zou de droogte verdrij ven – goed voor de boeren die er nog waren – en het stof doen neerslaan – goed voor de ruiters, zodat ze zich niet te vroeg aan kondigden. Misschien zouden de Aiel het opgeven als het regende en naar huis gaan. De wind wakkerde aan en bracht wonderlijk genoeg ook iets van koelte.

De geluiden van strijd dreven over de heuveltoppen, schreeuwende mannen, krijsende mannen. Het was begonnen. Mart wendde Pips, hief zijn zwaardspeer en zwaaide die links en rechts. Hij was bijna verrast toen de Cairhienin aan weerszijden een lange rij vormden in de richting van de helling. Het gebaar was als vanzelf gekomen, stamde uit een andere tijd en plaats, maar ja, de ze mannen hadden al eerder strijd meegemaakt. Hij zette Pips tussen de spaarzame bomen aan tot een langzame draf en zijn medestrijders bleven naast hem. De teugels ritselden kalm.

Zijn eerste gedachte op de heuveltop was er een van opluchting, toen hij Talmanes en zijn mannen op de top tegenover hem zag opdoemen. Zijn tweede was dat hij wilde vloeken.

Daerid had een egel gevormd, stekelige bossen van pieken, vier man achter elkaar, afgewisseld door boogschutters rond een lege, vier kante ruimte. De lange pieken maakte het de Shaido moeilijk dichterbij te komen, hoe hard ze ook aan kwamen rennen, en bogen en kruisbogen schoten verwoed en snel hun pijlen af op de Aiel, die het zelfde deden. Aan beide kanten vielen mannen neer, maar de piekeniers sloten zich gewoon weer aaneen wanneer iemand neerviel, waardoor het vierkant nog kleiner en stekeliger werd. Natuurlijk zouden de Shaido hun aanval niet willen afbreken. De Verdedigers en misschien de helft van de Tyreense heren met hun volgelingen waren tussen de piekeniers afgestegen. De helft. Dat was de reden waarom hij had willen vloeken. De anderen sprongen rond tussen de Aiel, slaand en stekend met zwaarden en speren, in groepjes van vijf of tien, of alleen. Tientallen onbereden paarden vertelden hoe slecht het deze groep verging. Melanril stond erbuiten, met alleen zijn banierdrager, rondzwaaiend met zijn wapen. Twee Aiel schoten op hem af en sneden de pezen van zijn paard door. Het viel en het hoofd schoot omhoog – Mart was er zeker van dat het gilde, maar dat geluid ging in de herrie verloren – en toen verdween Me lanril achter de in cadin’sor geklede figuurtjes met toestekende speren. De banierdrager hield het slechts enkele tellen langer vol. Opgeruimd staat netjes, dacht Mart grimmig. Rechtop staand in de stijgbeugels hief hij zijn zwaardspeer en zwaaide die toen naar voren met de schreeuw: ‘Los! Los caba’drin!’

Hij zou de woorden hebben onderdrukt als hij het had gekund, maar niet vanwege de Oude Spraak. Het was daar beneden in het dal een ziedende heksenketel. Of één Cairhienin het bevel van ‘ruiters naar voren’ in de Oude Spraak begreep, wist hij niet, maar ze begrepen zijn gebaar, zeker toen hij zich in het zadel terug liet vallen en Pips aanspoorde. Eigenlijk wilde hij helemaal niet, maar hij zag geen andere mogelijkheid. Hij had die mannen daar beneden hierheen gestuurd – sommigen hadden kunnen ontkomen als hij hun had gezegd te vluchten. Hij had geen keus.

Met zwaaiende koins en banieren denderden de Cairhienin samen met hem de heuvel af, strijdkreten brullend. Ongetwijfeld om hem na te bootsen, hoewel hij alleen maar vloekte: ‘Bloedvuur! Bloed- en bloedvuur!’ Aan de andere kant van het dal snelde Talmanes even hard naar beneden.

De Shaido waren er zo zeker van geweest dat ze alle natlanders in gesloten hadden dat ze de anderen pas zagen toen die van achter aan beide kanten op hen in reden. Toen begonnen de bliksems in te slaan. En daarna werd het echt eng.

44

Minder droef

Door alle inspanningen plakte Rhands hemd aan zijn huid, maar hij hield zijn jas aan vanwege de harde wind die naar Cairhien blies. De zon, stond nog ruim voor het hoogste punt; desondanks had hij het gevoel dat hij de hele ochtend had gerend en daarna met een knuppel was afgeranseld. Gehuld in de leegte was hij zich slechts vaag bewust van zijn uitputting, voelde hij heel veraf de pijn in zijn armen, zijn schouders en onder in zijn rug, en het kloppen rond het kwets bare litteken in zijn zij. Dat hij zich toch van dat alles bewust was, maakte hem veel duidelijk. Met de Kracht in hem kon hij op honderd pas afstand de blaadjes aan de bomen voelen, maar iets lichamelijks voelde hij alsof het een ander overkwam. Hij was al een hele tijd bezig met saidin door de angreaal in zijn zak aan te trekken, door het stenen beeldje van de kleine dikke man. Toch vergde het werken met de Kracht, het weven van de stromen op vele spannen afstand, een grote inspanning en slechts de ranzige draden in de aangetrokken vloed weerhielden hem ervan om meer aan te trekken of om alles aan te trekken. Zo zoet smaakte de Kracht, besmet of niet. Na uren onafgebroken te hebben geleid, was hij door en door vermoeid. Tegelijk moest hij saidin zelf nog steviger bevechten, meer van zijn eigen krachten gebruiken om te voorkomen dat zijn geest op die plek tot as verteerde. Het was zelfs nog moei lijker de vernietiging door saidin weg te houden, moeilijker weer stand te bieden aan het verlangen meer aan te trekken, moeilijker om alles te doen met wat hij aantrok. Een nare omlaag kringelende spiraal en het zou nog uren duren voor de slag was beslist. Terwijl hij het zweet uit zijn ogen veegde, greep hij de houten leuning van de toren beet. Hij balanceerde op het randje, terwijl hij toch sterker was dan Egwene of Aviendha. De Aielse stond naar Cairhien en de stormwolken te turen en boog zich af en toe naar het kijkglas om er doorheen te kijken. Egwene zat in kleermakerszit tegen een rechte paal geleund en had haar ogen gesloten. Ze zagen er beiden even afgemat uit als hij zich voelde.