Выбрать главу

Voor hij iets kon doen – niet dat hij wist wat; hij wist niets van Heling – gingen Egwenes ogen open en stond ze op. Ze wisselde met Aviendha enkele woorden die de wind van hem wegvoerde, zelfs voor zijn met saidin versterkte gehoor. Toen ging Aviendha op Egwenes plek zitten en zocht met haar hoofd steun tegen de opstaande balk. De zwarte wolken rond de stad bleven hun bliksems afschieten, maar er waren nu veel meer wilde bliksemschichten dan enkele doel treffende inslagen.

Dus zij wisselden elkaar af en gunden elkaar rust. Het zou fijn zijn geweest als hij dat ook had gekund, maar het speet hem niet dat hij Asmodean had gezegd in de tent te blijven. Hij zou hem met het geleiden niet hebben vertrouwd. Zeker nu niet. Niemand kon zeggen wat de Verzaker zou doen als hij Rhand zo verzwakt zag. Enigszins wankelend draaide Rhand zijn kijkglas rond voor een blik op de heuvels buiten de stad. Er was nu zeker leven te zien. En dood. Overal waar hij keek, werd gevochten. Aiel tegen Aiel, hier een duizendtal, daar vijfduizend. Ze zwermden over de boomloze heuvels en stonden te dicht bij elkaar om iets te kunnen doen. Hij kon de colonne van ruiters en piekeniers niet meer zien. Hij had ze driemaal gezien en eenmaal hadden ze het opgenomen tegen Aiel die in getal tweemaal zo sterk waren. Hij wist zeker dat ze daar nog ergens zaten. Hij had maar weinig hoop dat Melanril had besloten zijn bevelen op dit late tijdstip op te volgen. Die man te kiezen omdat hij zijn verlegenheid had laten blijken bij Weiramons gedrag, was fout geweest, maar hij had weinig tijd gehad en hij moest Weiramon zien te lozen. Daar kon hij nu niets meer aan doen. Misschien dat een Cairhienin de leiding had moeten nemen. Maar of de Tyreners na een rechtstreeks bevel van hem een Cairhienin wilden volgen...

Een krioelende massa vlak onder de hoge grijze stadswallen trok zijn aandacht. Hoge met ijzer beslagen poorten stonden wijd open. Aielmannen streden bijna op het open veld tegen ruiters en lansdragers, terwijl burgers de poorten probeerden te sluiten, het opnieuw pro beerden en faalden vanwege de druk van de lichamen. Paarden met lege zadels en onbeweeglijk op de grond liggende geharnaste mannen een halve span buiten de poort gaven aan vanwaar de uitval was teruggeslagen. Pijlen en kopgrote brokken puin regenden van de muren omlaag – zelfs speren flitsten af en toe naar beneden met genoeg kracht om twee of drie man eraan te rijgen, hoewel hij nog steeds niet goed zag waar die eigenlijk vandaan kwamen – maar de Aiel klommen over hun doden heen en rukten steeds meer op om zich een weg naar binnen te vechten. Een snel overzicht toonde hem nog twee andere colonnes Aiel die naar de poorten draafden, misschien wel drieduizend man. Hij twijfelde er niet aan dat dat ook Couladins mannen waren.

Hij besefte dat hij zijn tanden op elkaar klemde. Als de Shaido in Cairhien wisten door te dringen, zou hij ze nooit naar het noorden kunnen drijven. Hij zou ze straat voor straat moeten wegvagen en de prijs aan levens zou het aantal reeds gedoden verwaarloosbaar klein maken. De stad zelf zou als een puinhoop eindigen, zoals Eianrod of Taien. Cairhienin en Shaido krioelden als mieren in een kom door elkaar heen. Hij moest iets doen.

Hij haalde diep adem en geleidde. De twee vrouwen hadden de voor waarden geschapen door de stormwolken bijeen te drijven; hij hoef de hun weefsels niet te kunnen zien om er zijn voordeel mee te doen. Felle zilverblauwe bliksems sloegen op de Aiel in, eenmaal, twee maal, opnieuw en opnieuw, zo snel als een man kon toeslaan. Rhands hoofd rukte zich omhoog en zijn ogen knipperden, weg van de brandende strepen die in zijn gezichtsveld omlaagschoten. Toen hij weer door de lange buis keek, lagen de Shaido als gemaaide gerst in het rond, overal waar de bliksems waren ingeslagen. Mannen en paarden dichter bij de poort waren eveneens getroffen en sommige bewogen helemaal niet, maar de niet-gewonden sleepten de gewonden mee en de poorten begonnen zich te sluiten.

Hoeveel mannen kunnen niet meer binnen komen? Hoeveel mannen van mij heb ik gedood?

De kille waarheid was dat het er niet toe deed. Het moest gedaan worden en het was gebeurd. En dat was maar goed ook. In de verte voelde hij zijn knieën beven. Hij zou zich moeten aanpassen als hij de rest van de dag nog door moest. Hij kon zich niet overal mee bemoeien; hij moest zich richten op die plekken waar hij in het bijzonder nodig was, waar hij het verschil uitmaakte tussen...

Hoewel de stormwolken alleen boven de stad en de heuvels in het zuiden bij elkaar gedreven waren, was er opeens sprake van inslaande bliksem uit de heldere, wolkeloze hemel boven de toren. Die sloeg met een donderende klap tussen de verzamelde Speervrouwen beneden hem in.

Door de tintelende lucht voelde Rhand hoe de haren hem te berge rezen en hij kon slechts rondstaren. Hij kon die bliksem op een andere manier voelen, het weven van saidin voelen die hem had gevormd. Dus Asmodean daar in de tenten was ook in verleiding gebracht.

Maar hij had geen tijd om verder na te denken. Als snelle slagen op een reusachtige trommel sloeg weerlicht na weerlicht flitsend neer op de Speervrouwen tot de laatste schicht de onderkant van de toren trof. Die spatte uiteen in duizenden splinters zo dik als armen en benen.

Toen de toren langzaam over begon te hellen, wierp Rhand zich op Egwene en Aviendha. Op de een of andere manier lukte het hem beiden met een arm op te scheppen en de andere arm rond een op staande balk te slaan die nu aan de bovenkant van de vlonder zat. Ze staarden hem met grote ogen aan, hun monden sperden zich open, maar er was voor praten even weinig tijd als voor denken. De verbrijzelde houten toren viel om en klapte door de takken van de bomen omlaag. Heel even meende hij dat ze de val zouden breken.

Met een klap knapte de opstaande balk af. De grond kwam omhoog en sloeg in een oogwenk alle adem uit zijn longen voor de vrouwen op hem neerploften. Duisternis rolde over hem heen. Langzaam kwam hij bij bewustzijn. Het eerst zijn gehoor. ‘... heeft ons als een rotsblok opgegraven en midden in de nacht de heuvel af laten rollen.’ Het was Aviendha’s stem, zacht, alsof ze alleen voor haar eigen oren sprak. Er bewoog iets over zijn gezicht. ‘Je hebt van ons weggenomen wat we zijn, wat we waren. Je moet ons in ruil daarvoor iets teruggeven, iets wat zal zijn. We hebben je nodig.’ Het bewegende ding ging langzamer, raakte hem zachter aan. ‘Ik heb je nodig. Niet voor mezelf, begrijp me goed. Voor Elayne. Wat er nu tussen haar en mij is, is tussen haar en mij, maar ik zal je aan haar overhandigen. Dat zal ik doen. Als je doodgaat, draag ik je lijk naar haar toe. Als je doodgaat...’

Zijn ogen schoten open en heel even staarden ze elkaar recht in het gezicht. Haar haren zaten volkomen in de war, haar hoofdsjaal was weg en een lichtpaarse bult ontsierde haar kaak. Met een schok zat ze rechtop, vouwde een vochtige doek vol bloed op en begon zijn voorhoofd te deppen met aanzienlijk meer kracht dan eerst.