Выбрать главу

‘Ik ben niet van plan dood te gaan,’ zei hij tegen haar, hoewel hij daar eerlijk gezegd niet helemaal van overtuigd was. De leegte en saidin waren natuurlijk verdwenen. Alleen de gedachte aan het kwijt raken, zoals het was gebeurd, deed hem huiveren. Het was puur geluk dat saidin zijn geest niet had verzengd in dat laatste ogenblik. De gedachte opnieuw naar de Bron te reiken deed hem al kreunen. Zon der de leegte als stootblok voelde hij alle pijn volledig, elke snee, elke schram. Hij was zo door en door moe dat hij meteen in slaap had kunnen vallen, als hij niet zoveel pijn had gehad. Het was maar goed dat het pijn deed, omdat hij zeker nog niet mocht slapen. Nog heel lang niet.

Hij liet een hand onder zijn jas glijden, voelde aan zijn zij en veegde toen heel zorgvuldig de vingers af aan zijn hemd, voor hij de hand weer uit zijn jas trok. Het was geen wonder dat de val die half genezen, nooit geheelde wond had doen openbarsten. Hij leek niet zo erg te bloeden, maar als de Speervrouwen of Egwene, laat staan Aviendha, dat zagen, zou hij slechts met de allergrootste moeite kunnen voorkomen dat ze hem naar Moiraine zouden slepen. Hij had nog veel te veel te doen – en als hij naast dat alles ook nog de Heling zou moeten doorstaan, zou dar werken als een knuppel tegen zijn slaap – en bovendien moesten er mensen veel erger gewond zijn dan hij, voor wie ze beter kon zorgen.

Grijnzend en een tweede kreun onderdrukkend stond hij op met een beetje hulp van Aviendha. Waarna hij prompt al zijn wonden vergat. Sulin zat vlakbij op de grond, terwijl Egwene een bloedende wond op haar hoofd verbond, woest in zichzelf mopperend omdat ze niet kon helen, maar de witharige vrouw was niet de enige gewonde en bij lange na niet degene met de ergste wonden. Overal legden in cadin’sor geklede vrouwen dekens over doden en verzorgden degenen die alleen brandwonden hadden opgelopen, als wonden veroorzaakt door bliksem tenminste zo heetten. Afgezien van het gemopper van Egwene en de gierende ademhaling van gewonde vrouwen was de heuveltop bijna stil.

De houten toren, totaal onherkenbaar, had de Speervrouwen bij zijn val niet gespaard. Er waren gebroken armen en benen, vlees was opengescheurd. Hij zag hoe over het gezicht van een Speervrouwe met blondrood haar, bijna dezelfde kleur als Elaynes haar, een deken werd getrokken. Het hoofd stond in een onnatuurlijke hoek en ver glaasde ogen staarden omhoog. Jolin. Een van de eersten die over de Drakenmuur was gekomen om Hij die komt met de dageraad te zoeken. Voor hem was ze naar de Steen van Tyr getrokken. Nu was ze dood. Voor hem. De Speervrouwen tegen pijn beschermen, dat heb je goed gedaan, dacht hij verbitterd. Heel goed gedaan.

Nog steeds kon hij de bliksem voelen, of liever het restant van hoe hij was gemaakt. Bijna zo als het nabeeld eerder in zijn ogen was gebrand, kon hij het weefsel opsporen, hoewel dat nu afzwakte. Tot zijn verrassing leidde het naar het westen, niet naar de tenten achter hem. Dus toch niet Asmodean.

‘Sammael.’ Hij wist het zeker. Sammael had die aanval in de Jangai pas bevolen. Sammael zat achter de zeeschuimers en de overvallen op Tyr en Sammael had dit gedaan. Zijn lippen trokken zich op tot een snauw en zijn stem was een schor gefluister. ‘Sammael!’ Hij besefte pas dat hij naar voren stapte toen Aviendha hem bij de arm greep.

Even later had Egwene de andere arm beet en het tweetal klemde zich aan hem vast, alsof ze hem ter plekke in de grond wilden plan ten. ‘Wees niet zo’n volslagen wolkop,’ zei Egwene. Ze schrok toen hij haar woest aankeek, maar ze liet hem niet los. Ze had de bruine sjaal weer om het hoofd, maar haar vingers hadden haar haren niet kunnen fatsoeneren en haar hemd en rok zaten nog onder het stof. ‘Waarom denk je dat die aanvaller heeft gewacht tot je doodmoe was? Als het hem niet lukte jou te doden en jij op hem afging, zou je een heel gemakkelijke prooi vormen. Je kunt amper rechtop staan!’ Aviendha was al evenmin bereid hem los te laten en beantwoordde zijn blik met evenveel kwaadheid. ‘Je bent hier nodig, Rhand Altor. Hier, car’a’carn. Vind je je eer door die man te doden of hier bij hen die je naar dit land hebt geleid?’

Een jonge Aielman kwam tussen de vrouwen aanhollen, de sjoefa op de schouders, de speren en het schild meezwaaiend met zijn stappen. Misschien vond hij het gek dat twee vrouwen Rhand vasthielden, maar hij liet er niets van merken. Hij bestudeerde de kapotte resten van de toren en bekeek de doden en gewonden met een lichte nieuws gierigheid, alsof hij zich afvroeg wat er gebeurd kon zijn en waar de dode vijanden lagen. Hij stak voor Rhands voeten de speren in de grond en zei: ‘Ik ben Seirin van de Shorarasibbe van de Tomanelle.’

‘Ik zie je, Seirin,’ antwoordde Rhand even vormelijk, wat al moeilijk genoeg was vanwege de twee vrouwen die hem vasthielden, alsof hij ervandoor wilde gaan.

‘Han van de Tomanelle geeft dit bericht aan de car’a’carn. De stammen in het oosten sluiten zich aaneen. Allevier. Han is van plan zich bij Dhearic aan te sluiten en hij heeft bericht naar Erim gestuurd het zelfde te doen.’

Rhand haalde beheerst adem en hoopte dat de vrouwen zoudendenken dat zijn grimas door het nieuws was veroorzaakt. Zijn zij stond in brand en hij kon voelen hoe het bloed langzaam zijn hemd door weekte. Nu was alles weg wat Couladin naar het noorden kon dwingen als de Shaido zich terugtrokken. Als zij zich tenminste terug trokken, want uit wat hij had gezien, had hij dat niet kunnen opmaken. Waarom sloten de Miagoma en de anderen zich aaneen? Als ze van plan waren het tegen hem op te nemen, hadden Han, Dhearic en Erim lang niet genoeg krijgers onder zich en als de Shaido het zo lang uithielden en de vier stammen doorbraken... Boven de heuvels kon hij zien dat het boven de stad was gaan regenen nu Egwene en Aviendha de wolken niet meer beheersten. Dat zou beide partijen hinderen. Tenzij de twee vrouwen zich beter voelden dan hij, zouden ze niet in staat zijn vanaf deze afstand de wolken opnieuw in hun macht te krijgen.

‘Zeg Han te doen wat hij moet doen om hen van ons af te houden.’ Zo jong als hij was – en wat dat betreft scheelde hij niet veel met Rhand – keek Seirin hem verbaasd aan. Natuurlijk. Han zou niet anders handelen en Seirin wist dat. Hij wachtte slechts lang genoeg om er zeker van te zijn dat Rhand er niets aan toe wilde voegen. Ver volgens ging hij er snel vandoor en rende even hard heuvelafwaarts als hij aan was komen rennen. Ongetwijfeld hoopte hij terug te zijn voor hij nog meer van de strijd moest missen dan hij al gedaan had. Wat dat betreft zou het daar in het oosten misschien al begonnen zijn.

‘Ik heb iemand nodig die Jeade’en voor me haalt,’ zei Rhand zodra Seirin was weggesprongen. Als hij zo ver probeerde te lopen, zou hij de vrouwen echt nodig hebben om hem overeind te houden. Zij tweeën leken in het geheel niet op elkaar, maar ze slaagden erin bijna hetzelfde wantrouwen op hun gezicht te tonen. Die frons moest iets zijn wat ieder meisje van haar moeder leerde. ‘Ik ga niet op Sammael af.’ Nog niet. ‘Maar ik moet dichter bij de stad zijn.’ Hij knik te in de richting van de omgevallen toren, het enige gebaar dat hij kon maken nu die twee aan zijn armen hingen. Baas Tovere was miscchien in staat de lenzen uit die kijkglazen te redden, maar bijna geen enkele balk van de toren was nog heel. Vandaag zouden ze niet meer alles vanuit de hoogte kunnen bekijken.

Egwene was echt onzeker, maar Aviendha wachtte geen moment voor ze een jonge Speervrouwe vroeg naar de gai’shain te gaan, ook om Mist te laten zadelen, iets waar hij niet op had gerekend. Egwene begon zich schoon te borstelen, binnensmonds mopperend over het stof. Aviendha had ergens een ivoren haarkam en een andere sjaal gevonden. Ondanks de val zagen ze er aanzienlijk minder onverzorgd uit dan hij. Hun gezichten stonden nog steeds vermoeid, maar zo lang ze konden geleiden, zouden ze nuttig zijn. Dat deed hem even stoppen. Kon hij alleen nog maar aan iemand denken in termen van nut? Hij zou ze toch op een veilige plek kunnen laten, zoals boven op die toren? Niet dat de toren achteraf bezien erg veilig was gebleken, maar ditmaal zou hij de zaken beter in de hand houden.