Maar hij bleef kijken en de beboste toppen en heuvelkammen af zoeken. Ze boden zowel hem als Couladins Aielkrijgers beschutting, maar hij kon ze hier en daar zien. Ze waren niet allemaal betrokken bij uitgebroken veldslagen, maar letterlijk elke groep was groter dan de zijne, elke groep tussen hem en het veilige zuiden en hij wist ab soluut niet welke Aiel het waren tot het misschien te laat was. De Aiel leken het bij de eerste blik te weten, maar daar had hij niets aan. Ongeveer een span verder renden een paar honderd in cadin’sor geklede gestalten met z’n achten naast elkaar over een heuveltop naar het oosten, waar een handvol lederbladbomen de naam bos nauwelijks waarmaakte. Voordat de eerste renners weer omlaag konden springen, sloeg de bliksem op hen in, waardoor mannen en aarde weg werden geslagen als vijverwater door een steen. Pips trilde niet eens toen de donder Mart bereikte; de ruin was gewend geraakt aan inslagen dichtbij.
Sommige gevallen mannen krabbelden hinkend overeind en voegden zich bij degenen die waren blijven staan om de onbeweeglijke gestalten te onderzoeken. Amper tien man werden over schouders gelegd, voor ze allemaal van de hoogte wegsprongen, terug naar de plaats waar ze vandaan waren gekomen. Niemand bleef naar de krater staan kijken. Mart had gezien hoe ze dat lesje hadden geleerd: blijven wachten nodigde slechts een tweede zilveren schicht uit de wolken uit. Binnen enkele tellen waren ze uit het zicht verdwenen. Alleen de doden bleven achter.
Hij zwaaide het kijkglas naar het oosten. Daar zag hij enkele spannen verder zonlicht. De houten toren had boven de bomen zichtbaar moeten zijn, maar hij had die al een hele tijd niet meer kunnen vinden. Misschien keek hij de verkeerde kant op. Het deed er niet toe. Die bliksems moesten van Rhand komen en al het andere waar schijnljk ook. Als ik ver genoeg die kant op kan gaan Hij zou op dezelfde plek uitkomen vanwaar hij was vertrokken. Zelfs als hij door ta’veren niet werd teruggetrokken, zou hij het heel moei lijk krijgen om weer weg te komen als Moiraine ervan hoorde. Bo vendien diende hij nog aan Melindhra te denken. Hij had nog nooit van een vrouw gehoord die niet achterdochtig werd als een man heimelijk uit haar leven verdween.
Terwijl hij, op zoek naar de toren, het kijkglas langzaam rond liet gaan, laaiden opeens vlammen op tegen een helling met lederbladeren en papierbomen en werd iedere boom een vurige fakkel. Langzaam liet hij de in koper beslagen buis zakken; hij hoefde echt het vuur en de dikke grijze rook niet te zien die reeds een dikke pluim vormde in de lucht. Hij had geen aanwijzingen nodig om geleiding te herkennen wanneer hij het zag, niet na zoiets. Was Rhand einde lijk van het randje van krankzinnigheid gedonderd? Of voelde Aviendha niet meer de noodzaak vlak bij hem te blijven? Breng een geleidster nooit van haar stuk. Het lukte Mart maar zelden die regel op te volgen, maar hij probeerde het vol overtuiging. Bewaar die slimme opmerking maar voor een ander, bedacht hij grimmig. Hij probeerde gewoon niet aan de derde mogelijkheid te denken. Als Rhand niet krankzinnig was geworden en als Aviendha, Egwene of anders een van de Wijzen niet had besloten hem te lozen, bemoeide iemand anders zich vandaag met de gang van zaken. Bij hem was twee en twee nog geen vijf. Sammael. Nou, dat was dan de uitweg; een uitweg die nergens heen leidde. Bloedvuur, bloedvuur! Wat is er gebeurd met mijn...
Een gevallen tak knapte onder een laars achter hem en hij reageer de zonder nadenken, waarbij meer zijn knieën dan de teugel Pips deden ronddraaien en hij zijn zwaardspeer op de zadelboog liet uithalen.
Estean liet bijna zijn helm vallen en zijn ogen werden tweemaal zo groot toen het lange blad op een haartje na van zijn gespleten hoofd af was. De regen plakte zijn haren op zijn gezicht. Nalesean, even eens te voet, grijnsde, half van schrik en half uit vermaak over de verlegenheid van de jonge Tyrener. De stevige Nalesean met zijn vier kante gezicht was onderbevelhebber van de Tyreense ruiterij onder Melanril geweest. Talmanes en Daerid waren er eveneens, als gewoonlijk een stap achter hen, met dezelfde effen gezichten onder klokvormige helmen. Het viertal had hun paarden verderop onder de bomen achtergelaten.
‘Er komen Aiel recht op ons af, Mart,’ zei Nalesean toen Mart de met raven getekende speer weer had opgericht. ‘Het Licht brande mijn ziel als het er minder zijn dan vijfduizend.’ Ook daarover moest hij grijnzen. ‘Ik denk niet dat ze weten dat wij hen hier opwachten.’ Estean knikte eenmaal. ‘Ze houden zich in de dalen en diepten. Houden zich verborgen voor...’ Hij wierp een blik op de wolken en hui verde. Hij was niet de enige die zich verontrust voelde over wat er uit de hemel kon vallen. Ook de andere drie keken omhoog. ‘Nou ja, het is wel duidelijk dat ze van plan zijn door het dal te trekken waar Daerids mannen staan.’ In feite klonk er iets van waardering door in zijn stem toen hij de piekeniers noemde. Met tegenzin, zeker, en niet zo’n grote achting, maar je kon moeilijk neerkijken op mannen die een paar keer je leven hadden gered. ‘Ze zullen ons op de nek zitten voor ze ons zien.’
‘Prachtig,’ verzuchtte Mart. ‘Bloedvuur, dat is gewoon prachtig.’
Hij had het scherp spottend bedoeld, maar natuurlijk misten Nalesean en Estean het fijne ervan. Ze zagen er gretig uit. Daerids gezicht vol littekens vertoonde echter evenveel uitdrukking als een gebarsten rots en Talmanes trok slechts even zijn wenkbrauwen op naar Mart en schudde daarna zijn hoofd. Die twee wisten wat strijd was. De eerste ontmoeting met de Shaido was op z’n best een muntje op z’n kant geweest, een munt die Mart zonder dwang nooit had op gepakt. Dat alle bliksems genoeg onrust onder de Aielkrijgers hadden veroorzaakt om hen de aftocht te laten blazen, veranderde daar niets aan. Daarna hadden ze nog tweemaal strijd moeten leveren, toen Mart ontdekte dat hij alleen de keus had om aan te pakken of aangepakt te worden en die twee veldslagen waren maar half zo goed afgelopen als de Tyreners geloofden. Een was onbeslist gebleven, maar alleen doordat het hem gelukt was de Shaido van zich af te schudden, nadat ze zich hadden teruggetrokken om zich opnieuw te groeperen. Ze waren tenminste niet teruggekomen, terwijl hij ieder een door de kronkelige dalen wegleidde. Hij vermoedde dat ze iets anders hadden gevonden wat hen bezighield; misschien nog meer bliksems, vuurbollen of het Licht mocht weten wat. Hij wist heel goed waardoor het was gelukt uit de laatste slag weg te komen en hun hachje nog net te redden. Een andere groep Aiel was op de achterhoede van vijandige Aiel gestoten, vlak voordat de piekeniers on der de voet zouden worden gelopen. De Shaido hadden besloten zich naar het noorden terug te trekken en de anderen – hij wist nog steeds niet wie – waren naar het westen afgezwaaid en hadden hem die velden gelaten. Nalesean en Estean beschouwden het als een pure over winning, maar Daerid en Talmanes wisten wel beter. ‘Hoelang nog?’ vroeg Mart.
Talmanes gaf hem antwoord. ‘De helft van een uur. Misschien wat meer, als het Licht ons genadig is.’ De Tyreners twijfelden; ze leken nog steeds niet te beseffen hoe snel de Aiel zich konden verplaatsen. Mart koesterde die dromen niet. Hij had het omliggende terrein reeds in zich opgenomen, maar hij keek opnieuw en zuchtte. Vanaf deze heuvel had je heel goed zicht en het enige redelijk grote bos binnen een halve span stond om hem en de vier anderen heen. De rest was wat laag struikgewas, amper tot het middel reikend, afgewisseld met een enkele lederblad, papierboom of eik. Die Aiel zouden zeker ver kenners naar deze plek sturen en zijn ruiters zouden geen enkele kans hebben uit het zicht te komen voor zij er waren. De piekeniers zouden open en bloot in het veld staan. Hij wist wat er gedaan moest worden – gepakt worden of zelf aanpakken – maar dat hield niet in dat hij het leuk vond.
Hij keek heel kort, maar voor hij iets kon zeggen, zei Daerid: ‘Mijn verkenners zeggen dat Couladin zelf bij dit stel zit. Hun aanvoerder heeft tenminste ontblote armen en die vertonen net zulke tekenen als de Drakenheer schijnt te dragen.’