Выбрать главу

Mart gromde. Couladin, op weg naar het oosten. Als hij ook maar ergens een plek wist om opzij te stappen, dan zou die vent regelrecht op Rhand botsen. Misschien was dat zijn bedoeling wel. Mart besefte dat hij laaiend was en dat had niets te maken met Couladins wens Rhand te doden. Het stamhoofd van de Shaido, of wat hij dan ook was, kon zich Mart misschien nog een beetje herinneren als ie mand bij Rhand, maar door Couladin zat hij hier in het heetst van de strijd vast, moest hij proberen in leven te blijven en zich afvragen of het volgende ogenblik alles zou veranderen in een persoonlijke strijd tussen Rhand en Sammael, het soort tweegevecht waarbij ie dereen binnen een paar span de dood zou vinden. Als ik tenminste niet eerst een speer door mijn bast krijg.

En hij had evenveel keus als een geslachte gans die naast een keukendeur hing. Dat alles zou zonder Couladin niet zo zijn geweest.

Jammer dat niemand die man jaren geleden had gedood. Hij gaf er genoeg reden voor. De Aiel toonden hun boosheid zelden en wan neer dat wel het geval was, gebeurde het kil en strak. Couladin leek daarentegen twee- of driemaal per dag in vuur uit te barsten en verloor bij felle woede zijn kop even snel als een strootje brak. Het was een wonder dat hij nog in leven was en had het geluk van de Duistere zelf.

‘Nalesean en Estean,’ zei Mart kwaad, ‘wijk met jullie Tyreners ver uit naar het noorden en pak die kerels van achter aan. Wij zullen hun aandacht trekken, dus rij zo snel mogelijk en val als een instortende schuur op hen neer.’ Dus hij heeft het geluk van de Duistere, nietwaar? Bloed en as, ik hoop maar dat mijn geluk weer opleeft. ‘Talmanes, jij doet hetzelfde vanuit het zuiden. Vooruit, jullie twee. We hebben weinig tijd en we verspillen die nu.’ De twee Tyreners bogen haastig en renden naar hun paarden, hun helmen opzettend. De buiging van Talmanes was meer vormelijk. ‘Moge het Licht je zwaard begunstigen, Mart. Of misschien zou ik speer moeten zeggen.’ Toen was hij eveneens verdwenen. Opkijkend naar Mart toen het drietal de heuvel afreed, veegde Daerid met een vinger de regen uit zijn ogen. ‘Ditmaal blijf je dus bij de piekeniers. Je moet je boosheid op die Couladin niet de overhand laten krijgen. Een veldslag is niet de juiste plaats voor een tweege vecht.’

Mart kon nog net voorkomen dat zijn mond openviel. Een tweegevecht? Hij? Tegen Couladin? Dacht Daerid dat hij daarom bij het voetvolk bleef? Hij had hen gekozen omdat het achter de lansen veel veiliger was. Daarom deed hij het. De enige reden. ‘Maak je geen zorgen. Ik hou mezelf wel in bedwang.’ En hij had Daerid nog wel de verstandigste van het hele stel gevonden.

De Cairhienin knikte slechts. ‘Ik dacht dat ook. Je hebt het zo te zien al eerder meegemaakt, piekeniers in de knel en enkele aanvallen. Tal manes prijst iemand alleen als er twee manen aan de hemel staan, maar ik heb hem net hardop horen zeggen dat hij jou als aanvoer der overal zou volgen. Op een mooie dag wil ik jouw verhaal graag horen, man van Andor. Maar je bent jong – bij het Licht, ik wil niet onbeleefd zijn – en jonge mannen hebben vurig bloed.’

‘Dat zal op z’n minst door de regen wel worden afgekoeld.’ Bloed en as! Waren ze allemaal gek? Talmanes préés hem? Hij vroeg zich af wat ze zouden zeggen als ze hoorden dat hij slechts een gokker was die stukjes herinnering volgde van mannen die al duizend jaar en langer dood waren. Ze zouden strootjes trekken wie hem als eerste aan het spit mocht rijgen. Zeker de heren. Niemand vond het leuk belachelijk gemaakt te worden, maar de adel leek het helemaal niet te waarderen, misschien omdat ze het uit zichzelf al zo vaak waren. Hoe dan ook, hij was van plan vele spannen weg te zijn wanneer ze dat ontdekten. Vervloekte Couladin. Wat zou ik hem graag een speer door zijn strot willen rammen!

Hij spoorde Pips aan en reed naar de heuvel tegenover hem, naar de mannen die onder hem wachtten. Daerid klom op zijn eigen paard en voegde zich bij hem, en hij knik te terwijl Mart zijn plan ontvouwde. De boogschutters op de hellingen, waar ze de flanken konden dekken, maar ze moesten plat liggen, verborgen door de struiken tot het laatste ogenblik. Een man op de heuveltop om aan te geven wanneer de Aiel in zicht kwamen. En de piekeniers moesten meteen wegstappen bij dat teken en recht op de naderende vijand afgaan. ‘Zodra wij de Shaido zien, trekken we ons zo snel mogelijk terug, bijna tot die laagte tussen die twee heuvels daar, en daar draaien we ons dan om voor het gevecht. Ze zullen denken dat we willen vluchten, zien dat we dat niet kunnen en als een everzwijn aan jachthonden aan hun genade zijn over geleverd. Als ze zien dat we de helft van hun aantal hebben en alleen vechten omdat we moeten, zullen ze aannemen dat ze ons op kunnen rollen. Laten we er in ieder geval voor zorgen dat we hun aandacht vasthouden tot de ruiterij van achter ingrijpt...’ De Cairhienin grinnikte. ‘We gebruiken hun eigen strijdplan tegen hen.’

‘Dus kunnen we maar beter zorgen dat we hun bloedaandacht vast houden.’ Marts stem klonk even droog als hijzelf nat was. ‘Om daar voor te zorgen... om er zeker van te zijn dat zij geen omtrekkende beweging maken, wil ik dat we een strijdkreet laten horen zodra we ons omkeren. “Bescherm de Drakenheer.”’ Ditmaal lachte Daerid hardop.

Dat zou de Shaido naar hen toe brengen, zeker als Couladin hun aanvoerder was. Als Couladin echt hun hoofdman was, als hij dacht dat Rhand zich bij de piekeniers bevond en als de krijgslieden stand konden houden tot de ruiters kwamen... Heel veel ‘alsen’. Mart kon de dobbelstenen in zijn hoofd weer horen rollen. Dit was de grootste gok die hij ooit in zijn leven had gewaagd. Hij vroeg zich af hoe ver de nacht nog van hen af was; een man moest er ’s nachts toch vandoor kunnen gaan. Hij had liever gehad dat die dobbelstenen weg waren of anders stillagen en hun ogen toonden, zodat hij het wist. Bars de regen in kijkend, spoorde hij Pips aan en reed de heuvel af.

Jeade’en bleef op een heuvelkam staan, waar een tiental bomen een mager bomengroepje vormde en Rhand kromp wat in elkaar vanwege de pijn in zijn zij. De maansikkel, hoog aan de hemel, gaf bleek licht, maar zelfs voor zijn door saidin verbeterde ogen was alles op meer dan honderd pas afstand niet meer dan een vage schaduw. De nacht omhulde de omliggende heuvels geheel en hij was zich slechts nu en dan bewust van Sulin, die zich vlak bij hem ophield, en de Speervrouwen om hem heen. Maar hij leek zijn ogen slechts half open te kunnen houden. Er leek zand in te zitten en hij dacht dat de knagende pijn in zijn zij het enige was dat hem wakker hield. Hij dacht er niet vaak aan. Denken was niet alleen ver weg, het was ook traag. Had Sammael nu tweemaal een aanslag op zijn leven gedaan, of drie maal? Meer? Het leek hem toch dat een man zich het aantal aanslagen op zijn leven behoorde te herinneren. Nee, niet doden. Uitdagen.

Ben je nog steeds jaloers op me, Tel Janin? Wanneer heb ik je ooit gekleineerd of je een vinger minder gegeven dan waar je recht op had?

Heen en weer zwaaiend haalde Rhand een hand door zijn haar. Er was iets vreemds aan die gedachte, maar hij kon niet bedenken wat. Sammael... Nee. Hem kon hij afhandelen, wanneer... als... Deed er niet toe. Later. Vandaag leidde Sammael hem slechts af van wat belangrijk was. Misschien was hij wel weg.

De vage gedachte kwam op dat er geen aanval meer geweest was na... Ja, na wat? Hij herinnerde zich de laatste zet van Sammael met iets heel naars te hebben beantwoord, maar hij wist niet meer met wat. Geen lotsvuur. Moet dat niet gebruiken. Bedreigt het weefsel van het Patroon. Zelfs niet voor Ilyena? Ik zou de wereld verzengen en mijn ziel als lont willen gebruiken om haar weer te horen lachen. Hij dreef weer weg, weg van wat belangrijk was. Hoelang het ook geleden was dat de zon was ondergegaan, die was gedoofd boven de strijd en de lengende schaduwen hadden geleide lijk het goudrode licht waarin mensen doodden en stierven, over weldigd. Nu voerden geurige winden nog steeds ver geschreeuw en gegil aan. Zeker, het kwam door Couladin, maar als je tot de kern doordrong, kwam het door hemzelf. Heel even wist hij zijn naam niet meer.