‘Rhand Altor,’ zei hij hardop en huiverde, hoewel zijn jas klam was van het zweet. Heel even klonk die naam hem vreemd in de oren. ‘Ik ben Rhand Altor en ik moet... Ik moet kijken.’ Hij had sinds die morgen niet meer gegeten, maar de smet op saidin verdreef de honger wel. De leegte trilde voortdurend, en hij hield zich nog aan zijn nagels aan de Ware Bron vast. Het was of hij een stier bereed die gek was geworden van roodklaver, of hij naakt in een rivier van vuur zwom, overgaand in watervallen tussen scherpe ijs blokken. Maar wanneer hij niet op het randje verkeerde van bevuild te worden of leek te verdrinken, leek saidin de enige kracht te zijn die hem restte. Saidin was er, vijlde de randjes, probeerde zijn geest te slijpen of weg te rotten, maar was klaar voor gebruik. Met een beverige schok geleidde hij en hoog aan de hemel ontbrandde iets. Iets. Een bol van bulderende blauwe vlammen die met een hard vochtig licht de schaduwen verjoeg.
Overal om hem heen rezen de heuvels op, de bomen staken zwart af in het sterke schijnsel. Er bewoog niets. Een zuchtje wind voerde een zwak geluid met zich mee. Gejuich misschien, of gezang. Of wellicht verbeeldde hij zich van alles; het was zo ijl, verbeelding waarschijn lijk, en het stierf met de wind weg.
Opeens drong de aanwezigheid van honderden Speervrouwen tot hem door. Sommigen, waaronder Sulin, staarden hem aan, maar velen hadden hun ogen dichtgeknepen. Het duurde even voor hij besefte dat ze probeerden hun nachtzicht niet kwijt te raken. Hij frons te en keek zoekend rond. Egwene en Aviendha waren er niet meer. Het duurde nog langer voor hij eraan dacht zijn weefsel te ontbinden, waardoor de duisternis de nacht weer kon opeisen. Het was op het oog pikzwart.
‘Waar zijn ze?’ Hij was half geërgerd dat hij moest uitleggen wat hij bedoelde en zich even vaag bewust dat hij er geen reden voor had. ‘Ze zijn met zonsondergang naar Moiraine en de Wijzen gereden, car’a’carn,’ antwoordde Sulin, die wat dichter bij Jeade’en kwam staan. Haar korte witte haren glansden in het maanlicht. Nee, ze had een verband om het hoofd. Hoe had hij dat kunnen vergeten? ‘Een paar uur geleden. Ze weten dat vlees geen steen is. Zelfs de sterkste benen kunnen niet blijven rennen.’
Rhand fronste. Benen? Ze hadden een paard. Mist. De vrouw praat te onzin. ‘Ik moet ze vinden.’
‘Ze zijn bij Moiraine en de Wijzen, car’a’carn,’ zei ze langzaam. Hij meende bij haar ook een frons te zien, maar was er niet echt zeker van.
‘Niet die twee,’ mompelde hij. ‘Moet mijn mensen vinden. Ze zijn daarginds ergens, Sulin.’ Waarom bewoog de hengst niet. ‘Kun jij ze horen? Daarginds, in de nacht. Nog steeds aan het vechten. Ik moet ze helpen.’ Natuurlijk, hij moest zijn hakken gebruiken in de ribben van de appelschimmel. Maar toen hij het deed, stapte Jeade’en slechts opzij, terwijl Sulin het paard aan de halster vasthield. Hij herinner de zich niet dat ze de halster had vastgepakt.
‘De Wijzen moeten je nu spreken, Rhand Altor.’ Haar stem klonk anders, maar hij was te uitgeput om te horen hoe anders. ‘Kan het niet wachten?’ Hij moest de boodschapper gemist hebben. ‘Ik moet ze vinden, Sulin.’
Enaila leek aan de andere kant van het paardenhoofd op te duiken. ‘Je hebt je mensen gevonden, Rhand Altor.’
‘De Wijzen verwachten je,’ voegde Sulin eraan toe. Zij en Enaila wendden Jeade’en zonder op zijn toestemming te wachten. Om de een of andere reden groepten de Far Dareis Mai rond hem samen, toen ze een slingerend pad opgingen langs een heuvel en hun gezichten weerspiegelden het maanlicht terwijl ze van zo nabijnaar hem opkeken dat hun schouders de flanken van het paard raakten. ‘Wat ze ook willen,’ gromde hij, ‘ze kunnen het maar beter snel doen.’ Het was niet nodig dat ze de schimmel leidden, maar het kostte te veel moeite om er moeilijk over te doen. Hij draaide zich om, grommend door de pijn in zijn zij, maar de heuveltop was reeds door de nacht opgeslokt. ‘Ik moet nog een heleboel doen. Ik moet...’ Couladin. Sammael. De mannen die voor hem streden en stierven. ‘Ik moet ze vinden.’ Hij was zo moe, maar hij kon nog niet slapen. Het licht in het kampement van de Wijzen kwam van lampen op staken en kleine vuurtjes, waar ketels met kokend water door witgeklede mannen en vrouwen werden vervangen door nieuwe, volle ketels. Overal waren gai’shain druk bezig, die net als de Wijzen de gewonden verzorgden die in groten getale het kampement bevolk ten. Moiraine bewoog zich langzaam langs de lange rijen op de grond liggende krijgers en bleef slechts af en toe staan om haar handen op een Aiel te leggen die schokkend bewoog vanwege de stuipen van haar Heling. Ze wankelde wanneer ze zich oprichtte en Lan bleef vlak bij haar, alsof hij haar overeind wilde houden, of erop rekende dat hij dat moest doen. Sulin wisselde enkele woorden met Adelin en Enaila, zo zacht dat Rhand het niet verstond, waarna ze naar de Aes Sedai rende.
Ondanks de vele gewonden waren niet alle Wijzen met de verzorging bezig. In een grote open tent opzij zaten er wel twintig in een kring te luisteren naar een Wijze in hun midden. Toen zij ging zit ten, nam een andere haar plaats in. Buiten de vergadertent knielden de gai’shain neer, maar geen enkele Wijze leek belangstelling voor de wijn te hebben, alleen voor wat er in de tent werd gezegd. Rhand meende dat Amys nu het woord voerde.
Tot zijn verbazing hield Asmodean zich eveneens met de gewonden bezig. De waterzakken over zijn schouders leken heel vreemd bij zijn donkere fluwelen jas met witte kant. Toen hij zich oprichtte na een man te drinken hebben gegeven die afgezien van al het verband tot aan zijn middel ontbloot was, zag hij Rhand en aarzelde. Even later gaf hij de waterzakken aan een gai’shain en baande zich tussen de Speervrouwen door een weg naar Rhand. Ze negeerden hem – ze leken of naar Adelin en Enaila te kijken, die met Moiraine praatten, of Rhand in het oog te houden – en zijn gezicht stond strak toen hij de gesloten kring van vrouwen rond Jeade’en bereikte. Ze weken langzaam uiteen en gunden hem nog net een plekje bij Rhands stijgbeugel.
‘Ik wist zeker dat je veilig was. Ik wist het zeker.’ Aan zijn stem te horen was dat niet helemaal het geval geweest. Toen Rhand niets terugzei, trok Asmodean verontrust zijn schouders op. ‘Moiraine stond erop dat ik water ronddeelde. Een wilskrachtige vrouw, dat ze de bard van de Drakenheer niet toestaat...’ Zijn stem stierf weg en hij likte snel zijn lippen af. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Sammael,’ zei Rhand, maar niet als antwoord. Hij sprak slechts de gedachten uit die door de leegte dreven. ‘Ik herinner me hem toen hij voor het eerst de Verrader van Hoop werd genoemd. Nadat hij de Poorten van Hevan had verraden en de Schaduw in de Rorn M’doi en het hart van Satelle neer had laten dalen. Die dag leek een einde aan alle hoop te maken. Culan Cuhan weende. Is er wat mis?’ Het gezicht van Asmodean was even wit geworden als Sulins haar; verstomd schudde hij zijn hoofd. Rhand tuurde naar de vergader tent. Wie er nu ook aan het woord was, hij kende haar niet. ‘Wachten ze daar op me? Dan hoor ik daar te zijn.’
‘Ze zullen jou en geen enkele man verwelkomen,’ zei Lan, die naast een opverende Asmodean kwam staan. Rhand had de zwaardhand ook niet zien aankomen, maar hij wendde alleen zijn hoofd. ‘Ze heb ben een bijeenkomst met de Wijzen van de Miagoma, Codarra, Shian de en Daryne.’
‘De stammen sluiten zich bij me aan,’ zei Rhand op vlakke toon. Maar ze hadden wel zo lang gewacht dat deze dag nog bloediger was geworden. In verhalen ging het nooit zo.
‘Dat schijnt zo. Maar de vier stamhoofden zullen pas met je praten als de Wijzen de afspraken hebben geregeld,’ voegde Lan er droogjes aan toe. ‘Kom mee. Moiraine kan je er meer over vertellen dan ik.’ Rhand schudde het hoofd. ‘Gedaan is gedaan. Ik hoor de bijzon derheden later wel. Als Han ze niet meer van onze rug hoeft weg te houden, heb ik hem nodig. Sulin, stuur een boodschapper. Han...’
‘Het is gedaan, Rhand,’ zei de zwaardhand doordringend. ‘Alles. Er zitten nog maar een paar Shaido ten zuiden van de stad. Duizenden zijn er gevangengenomen en bijna alle overigen steken de Gaelin over. Je zou ongeveer een uur geleden dat bericht al hebben ontvangen als iemand had geweten waar je was. Je bleef niet op dezelfde plaats. Kom mee en laat Moiraine het vertellen.’