Выбрать главу

‘Gedaan? We hebben gewonnen?’

‘Je hebt gewonnen. Volledig.’

Rhand tuurde naar de mannen die verbonden werden, naar de gewonden die wachtten om verbonden te worden, naar hen die dik in het verband wegliepen. Naar de rijen die bijna onbeweeglijk stillagen. Naar Moiraine, die nog steeds langs die rijen liep en slechts hier en daar vermoeid stilstond om te helen. Dit zouden er natuurlijk maar enkelen zijn. Ze waren waarschijnlijk de hele dag door binnengekomen en weer vertrokken als ze dat konden. Als ze dat kon den. Er zou hier geen enkele dode zijn. Alleen een gewonnen veld slag stemt minder droef dan een verloren veldslag. Hij leek dat eerder te hebben gezegd, heel lang geleden. Misschien had hij het ergens gelezen. Nee. Er waren zoveel levenden voor wie hij verantwoordelijk was dat hij zich geen zorgen over de doden kon maken. Maar hoe veel gezichten ken ik, zoals dat van Jolin? Ik zal Ilyena nooit vergeten, ook al staat de hele wereld in brand!

Fronsend bracht hij zijn hand naar zijn hoofd. De gedachten leken over elkaar heen te schuiven, van verschillende plekken te komen. Hij was zo moe dat hij amper kon denken. Hij moest echter nadenken, had gedachten nodig die nét buiten zijn bereik wegglipten. Hij liet de Ware Bron en de leegte los en klapte in elkaar toen saidin hem op dat ogenblik bijna eronder kreeg. Hij had nauwelijks tijd zijn fout te beseffen. Nu de Kracht was verdwenen, sloegen uitputting en pijn fel toe.

Hij was zich bewust van opkijkende gezichten terwijl hij uit zijn zadel viel, van bewegende monden, van uitgestoken handen die hem wilden vasthouden en tegen de val beschermen.

‘Moiraine!’ schreeuwde Lan met een stem die hol klonk in Rhands oren. ‘Hij bloedt verschrikkelijk!’

Sulin hield zijn hoofd in haar armen. ‘Hou vol, Rhand Altor,’ zei ze fel. ‘Hou vol!’

Asmodean zei niets, maar zijn gezicht was bleek. Rhand voelde een druppeltje saidin uit de man in hem stromen. De duisternis viel in.

45

Na de storm

Het was halverwege de ochtend en Mart zat op een uitstekend rots blok onder aan een helling. Hij kromp ineen terwijl hij zijn breed gerande hoed wat omlaag trok tegen de zon. Gedeeltelijk daarom, tenminste. Er was nog iets anders wat hij niet wilde zien, hoewel sneden en blauwe plekken hem eraan herinnerden, vooral de inkeping over zijn slaap waar de hoed tegenaan drukte. Een smeerseltje uit de zadeltas van Daerid had het bloeden gestelpt, niet alleen daar, ook op andere plekken, maar toch deed alles nog zeer en de meeste wonden staken van de pijn. Dat laatste zou nog erger worden. De hitte van de dag begon zich net goed vast te zetten, maar het zweet pa relde al op zijn gezicht en maakte zijn onderkleren en hemd klam. Wat leeg vroeg hij zich af of het in Cairhien ooit herfst zou worden. Nou ja, het ongemak voorkwam tenminste dat hij zijn vermoeidheid al te zeer voelde. Zelfs in de nacht zou hij nu in een donzen bed wakker blijven en alle dekens op de grond gooien. In geen geval wilde hij in de buurt van zijn eigen tent komen.

Dat was een prachtig: ‘Ik heb geen keus’. Bijna gedood. Ik zweet als een os. Ik kan geen gemakkelijke plek vinden om even lekker te gaan liggen en ik durf niet pronken te worden. Bloed en bloedvuur!

Hij hield op met het voelen aan de scheur dwars over de voorkant van zijn jas – een duimpje dieper en die speer zou recht in zijn hart zijn gegaan. Licht, wat was die man goed geweest! – en bande dat deel uit zijn gedachten. Niet dat het gemakkelijk was met alles wat er om hem heen gaande was.

Voor het eerst kon het de Tyreners en Cairhienin niet schelen dat ze in alle richtingen de tenten van de Aiel konden zien. Er waren zelfs Aiel hier midden in het kamp. Het was een even groot wonder dat Tyreners en Cairhienin de rokerige kampvuurtjes deelden. Niet dat er iemand aan het eten was. De ketels waren er nog niet boven gehangen, hoewel hij kon ruiken dat er ergens vlees lag te verbranden. In plaats daarvan waren de meesten zo dronken als ze maar konden worden door de wijn, brandewijn of Aielse oosquay en vierden lachend feest. Niet ver van zijn plek danste een tiental Verdedigers in bezwete opgerolde hemdsmouwen op het geklap van wel tienmaal zoveel toeschouwers. In een rij, de armen om eikaars schouders geslagen, maakten ze zulke snelle passen dat het een wonder was dat niemand struikelde of iemand de man naast hem een schop verkocht. Voor weer een andere kring kijkers in de buurt van een tien voet ho gestok die in de grond was gestoken – Mart wendde snel zijn ogen af – sprongen even zoveel Aielmannen op en neer. Mart veronder stelde dat het een dans was; een andere Aiel bespeelde de dubbelfluit. Ze sprongen zo hoog mogelijk op, zwaaiden een voet zelfs nog hoger, kwamen dan weer op die voet neer en sprongen meteen weer omhoog, sneller en sneller, waarbij ze soms op het hoogste punt rond tolden als horizontale tollen, of een koprol en een rugrol maakten. Zeven of acht Tyreners en Cairhienin zaten hun botten te koesteren die ze bij hun poging hadden gebroken, maar juichten en lachten voortdurend als idioten, waarbij ze een stenen kruik met het een of ander aan elkaar doorgaven. Op andere plekken waren mannen aan het dansen en misschien zingen. Het was in al die herrie moeilijk te bepalen. Zonder zich te verroeren kon hij wel tien fluiten horen, om maar te zwijgen over wel tweemaal zoveel tinnen fluitjes. Een brood magere Cairhienin in een gerafelde jas blies op iets wat half een fluit leek en half een hoorn, met wat vreemde onderdelen eraan geknut seld. Er klonken talloze trommen, meestal potten waar met lepels op geslagen werd.

Kortom, het kampement was een ziedende ketel van dans, zang en gebrul. Hij herkende het, voornamelijk uit die herinneringen die hij nog steeds aan andere mensen kon toeschrijven, als hij erover na dacht. Een feest omdat men nog steeds in leven was. Wederom waren ze onder de neus van de Duistere doorgelopen en konden ze het navertellen. Wederom een dans op het scherp van de snede voorbij. Gisteren bijna dood, misschien morgen dood, maar vandaag in leven, een verrukkelijk leven. Hij had geen zin om iets te vieren. Wat voor zin had het in leven te zijn als dat inhield dat je in een kooi op gesloten zat?

Hij schudde het hoofd toen Daerid, Estean en een onbekende, zwaar gebouwde roodharige Aielman voorbijwankelden terwijl ze elkaar overeind hielden. Amper hoorbaar door het rumoer probeerden Daerid en Estean samen de grotere man de woorden bij te brengen van ‘Dans met Jak met de zeis’.

We bezingen de nacht, verdrinken de dag de meiden besteden ons geld met een lach en als het gedaan is, gaan we op reis voor een woeste dans met Jak met de zeis. De zongebruinde kerel had natuurlijk helemaal geen belangstelling om het te leren – die zou hij ook nooit krijgen, tenzij ze hem ervan overtuigden dat het een goed strijdlied was – maar hij luisterde en was niet de enige. Tegen de tijd dat het drietal in de ronddrentelen de massa was opgenomen, hadden ze een stoet van ruim twintig man achter zich aan gekregen, die met tinnen en gevlekte leren bekers zwaaiden en allemaal uit volle borst het wijsje meebrulden. Ze bezatten zich met wijn en bier of gaan met meisjes aan de zwier. Mijn eigen plezier, en altijd mijn wijs, is een woeste dans met Jak met de zeis.

Mart wenste dat hij niemand van hen het lied ooit had geleerd. Maar het zingen had hem afgeleid terwijl Daerid had voorkomen dat hij doodbloedde. Zijn smeersel had even gemeen gestoken als de snij wonden zelf en Daerid zou met zijn aanpak van naald en draad geen enkele naaister ooit jaloers maken. Maar het liedje had zich door dat eerste tiental als een lopend vuurtje verspreid. Tyreners en Cairhien in, zowel de ruiterij als het voetvolk, hadden het bij hun terugkomst vroeg in de dageraad uit volle borst gezongen. Terugkomst. Weer terug in hetzelfde dal waaruit ze waren weggere den, onder de puinhoop van de ineengestorte houten toren, zonder enige kans voor hem om weg te komen. Hij had aangeboden voor uit te rijden en Talmanes en Nalesean hadden bijna slaande ruzie gekregen over wie voor de begeleidende ruiters had mogen zorgen. Niet iedereen was beste maatjes met de ander geworden. En hij had er al helemaal geen zin in dat Moiraine hem nu vragen zou gaan stellen over waar hij was geweest en waarom, voortdurend tegen hem zou zeuren over ta’veren en plicht, over-het Patroon en Tarmon Gai’don, tot zijn hoofd zou tollen. Ongetwijfeld was ze nu bij Rhand, maar ze zou hem uiteindelijk zeker op komen zoeken. Hij wierp een blik op de heuvel, naar de wirwar van overal verspreide stammen tussen de afgebroken bomen. Die Cairhienin die de kijk glazen voor Rhand had gemaakt, liep er met zijn leerlingen tussen de rommel te zoeken. De Aiel hadden hun mond niet kunnen houden over wat daar was gebeurd. Het was duidelijk de allerhoogste tijd voor hem zijn biezen te pakken. Het vossenkopzegel bescherm de hem tegen geleidsters, maar hij had genoeg van Rhand opgestoken om te weten dat het bij een geleider anders werkte. Hij wilde liever niet uitproberen of het zegel hem tegen Sammael en zijn vriendjes zou beschermen.