‘Jij bent onze leider,’ liet Talmanes er meteen op volgen en zijn stem klonk wat rustiger maar even zeker. ‘Tot gisteren heb ik mannen uit andere naties gevolgd omdat ik dat moest. Jou wil ik volgen omdat ik dat wil. Mogelijk ben je in Andor geen heer, maar nu, zo zeg ik je, ben je er wel een en die man wil ik dienen.’ De Cairhienin en de Tyrener staarden elkaar aan, alsof ze geschrokken waren dat ze dezelfde gedachte hadden uitgesproken en knikten toen even kort en met tegenzin. Al mochten ze elkaar niet zo – en alleen een dwaas zou willen wedden van niet – op dit punt konden ze elkaar ontmoeten. Tot op zekere hoogte althans. ‘Ik zal mijn knecht sturen om je paard voor de intocht klaar te maken,’ zei Talmanes en fronste zijn wenkbrauwen amper toen Nalesean eraan toevoegde: ‘Die van mij kan daarbij helpen. We moeten trots op jouw krijgsros kunnen zijn. En bloedvuur, we hebben een banier nodig, jouw banier.’ De Cairhienin stond er instemmend hef tig bij te knikken.
Mart wist niet of hij nu uitzinnig moest lachen of gaan huilen. Die vervloekte herinneringen. Als die er niet waren geweest, zou hij zijn doorgereden. Als Rhand er niet was geweest, zou hij ze niet hebben gehad. Hij wist elke stap nog die hem hierheen had geleid; elke stap leek op dat moment noodzakelijk en leek tevens de laatste te zijn, maar toch had elke stap onvermijdelijk tot een volgende geleid. En aan het begin stond steeds Rhand. En dat vervloekte ta’veren. Hij kon maar niet begrijpen waarom een daad die absoluut noodzake lijk leek en bijna zo onschuldig als hij het maar kon maken, hem telkens weer dieper het moeras in leek te leiden. Melindhra kneep niet meer in zijn nek maar streelde hem. Het enige dat nodig was, zou... Hij wierp een blik op de heuveltop en daar stond ze. Moiraine, op haar mooi stappende merrie, samen met Lan, die op zijn zwarte hengst hoog boven haar uittorende. De zwaardhand boog zich naar haar toe, alsof hij wilde luisteren, en ze leken even ruzie te hebben hij ging heftig tegen haar in – maar even later wendde de Aes Sedai Aldieb en verdween uit zijn gezichtsveld op weg naar een andere heuvel. Lan bleef op Mandarb achter, het kampement beneden in zich opnemend. Mart opnemend.
Hij rilde. Couladins hoofd leek hem echt toe te grijnzen en hij kon de man bijna horen praten. Misschien heb je me gedood, maar je hebt je voet tot aan je laatste teen in de val gestoken. Ik ben dood, maar jij zult nooit vrij zijn.
‘Gewoon bloedfijn,’ mompelde hij en nam een lange, verstikkende teug van de sterke brandewijn. Talmanes en Nalesean veronderstelden dat hij het bedoelde zoals hij het zei en Melindhra lachte in stemmend.
Een stuk of vijftig Cairhienin en Tyreners waren samengestroomd om naar hem en de twee heren te kijken en ze vatten zijn drinken op als een verzoek hem een zelfverzonnen erezang toe te zingen.
We gooien de stenen hoe ze ook vallen;
vrijen met meisjes, we nemen ze allen
dan volgen wij jonge Mart op zijn wijs: voor een woeste dans met Jak met de zeis.
Met een gierend gelach dat maar niet ophield, zakte Mart op het rotsblok neer en begon de kan leeg te drinken. Er moest uit dit alles een uitweg zijn. Die moest gewoon bestaan.
Rhands ogen gingen langzaam open en staarden naar het tentdak. Hij lag naakt onder een deken. Hij schrok bijna dat hij nergens pijn voelde. Hij was wel zwakker dan hij zich herinnerde. En hij herin nerde het zich. Hij had dingen gezegd, dingen gedacht... Hij voelde zich koud worden.
Ik mag me niet door hem laten overheersen. Ik ben ik. Ikzelf!
Hij frommelde zijn hand onder de deken en vond het gladde, ronde litteken in zijn zij, kwetsbaar nog, maar dicht. ‘Heling van Moiraine Sedai,’ zei Aviendha en hij schrok. Hij had haar niet gezien. Ze zat in kleermakerszit op een dikke laag tapijten bij de vuurkuil en nipte wat aan een zilveren beker met lui paarden erop. Asmodean lag languit op de kussens met de vele kwasten, zijn kin op de armen. Ze schenen beiden niet geslapen te heb ben en vertoonden donkere kringen onder de ogen. ‘Dat had eigenlijk niet nodig moeten zijn,’ vervolgde Aviendha koeltjes. Moe of niet, ieder haartje leek op zijn plaats te zitten en haar nette kleren vormden een scherpe tegenstelling met het donkere ver kreukelde fluweel van Asmodeans kledij. Nu en dan draaide ze zon der het te beseffen aan de ivoren armband met rozen en doorns die hij haar had gegeven. Ze droeg eveneens de zilveren halsketting van sneeuwvlokken. Ze had hem nog steeds niet verteld van wie ze die had gekregen, hoewel het haar had geamuseerd toen het tot haar doordrong hoe graag hij dat wilde weten. Op dit ogenblik leek ze zeker niet vermaakt. ‘Moiraine Sedai stortte zelf bijna in toen ze de gewonden had geheeld. Aan’allein heeft haar naar haar tent terug moeten brengen. En dat kwam door jou, Rhand Altor. Jou te helen heeft haar van haar laatste kracht beroofd.’
‘De Aes Sedai loopt alweer rond,’ bracht Asmodean naar voren, een geeuw onderdrukkend. Hij negeerde Aviendha’s felle blik. ‘Ze is sinds zonsopgang al tweemaal hier geweest, hoewel ze had gezegd dat je beter zou worden. Daar leek ze gisteren echter niet zo zeker van te zijn. Ik evenmin.’ Hij trok zijn vergulde harp naar zich toe, rommelde er wat mee en sprak verstrooid verder. ‘Ik heb natuurlijk voor jou gedaan wat ik kon – mijn leven en lot zijn met die van jou ver bonden – maar ik heb andere talenten dan Heling, begrijp je?’ Hij ontlokte enkele tonen aan de snaren om dat te onderstrepen. ‘Ik begrijp dat een man zichzelf kan doden of stillen door te doen wat jij hebt gedaan. Sterk zijn met de Kracht is nutteloos als het lichaam uitgeput is. Dan kan saidin gemakkelijk je dood betekenen. Zoiets heb ik tenminste gehoord.’
‘Ben je klaar met je wijze woorden, Jasin Natael?’ Aviendha’s stem klonk op zijn minst nog ijziger en ze wachtte niet eens op zijn antwoord, voor ze haar blik van blauwgroen ijs weer op Rhand richt te. Waardoor het leek of Nataels woorden zijn schuld waren. ‘Een man mag zich soms als een dwaas gedragen en dat is al erg genoeg, maar een stamhoofd dient meer te zijn dan een man en het hoofd der hoofden nog veel meer. Je had niet het recht jezelf tot op het randje van de dood te wagen. Egwene en ik hebben geprobeerd je mee te nemen, toen wij zo moe waren dat we niet verder konden, maar jij wilde niet luisteren. Misschien ben je echt zoveel sterker dan Egwene beweert, maar je bent nog steeds van vlees en bloed. Jij bent de car’a’carn, geen nieuwe Seia Doon op zoek naar eer. Je hebt toh jegens de Aiel, Rhand Altor, en dood kun je niet aan die verplichting voldoen. Je kunt niet alles in je eentje.’
Heel even kon hij haar alleen maar aangapen. Hij had amper iets kunnen doen, had de strijd aan anderen overgelaten, omdat dat veel praktischer was, terwijl hij wat aanrommelde en probeerde nuttig te zijn. Hij had Sammael niet eens tegen kunnen houden toen die vol komen ongehinderd toesloeg. En zij beweerde dat hij te veel had gedaan.
‘Ik zal proberen eraan te denken,’ zei hij ten slotte. Desondanks leek ze bereid hem nog langer de les te lezen. ‘Welk nieuws heb je van de Miagoma en de andere drie stammen?’ vroeg hij, zowel uit nieuws gierigheid als om haar af te leiden. Vrouwen leken zelden bereid te zwijgen voordat ze je volkomen de grond in hadden gestampt, ten zij je hen kon afleiden.
Het hielp. Ze was natuurlijk vol van wat ze wist en even bereid hem wat bij te brengen als hem uit te schelden. De zachte harptonen van Asmodean – eindelijk iets plezierigs, zelfs lief landelijk – vormden een vreemde achtergrond voor haar verhaal.
De Miagoma, Shiande, Daryne en Codarra hadden op een paar span naar het westen vlak bij elkaar hun kamp opgeslagen. Er stroomden voortdurend mannen en Speervrouwen tussen de kampementen heen en weer, waaronder die van Rhand, maar alleen tussen de krijgsge nootschappen en Indirian; de andere stamhoofden hadden nog geen voet verzet. Er bestond nu geen enkele twijfel dat ze zich uiteinde lijk bij Rhand zouden aansluiten, maar pas wanneer de Wijzen waren uitgepraat.