‘Zijn ze nog steeds aan het praten?’ vroeg Rhand. ‘Bij het Licht, wat hebben ze allemaal te bespreken dat het zolang duurt? De stam hoofden komen zich bij mij aansluiten, niet bij hen!’ Ze keek hem zo effen aan dat het Moiraine deugd zou hebben gedaan. ‘De woorden van de Wijzen zijn voor de Wijzen, Rhand Altor.’ Aarzelend, alsof ze hem een gunst bewees, voegde ze eraan toe: ‘Egwene kan je er mogelijk iets over zeggen. Als ze klaar zijn.’ Haar toon gaf aan dat Egwene het misschien ook niet zou doen. Hij drong aan op meer, maar ze ging er niet op in en hij liet het er ten slotte bij. Misschien zou hij het nog vernemen voor hij erdoor werd overvallen, misschien ook niet, maar hoe dan ook, hij ging niet elk woord uit haar peuteren als zij het niet wilde zeggen. De Wijzen hoefden van de Aes Sedai niets te leren als het aankwam op het bewaren van hun geheimen en het zich erin hullen. Aviendha was de ze ene les heel bekwaam aan het leren.
Egwenes aanwezigheid bij de besprekingen van de Wijzen kwam als een verrassing, evenals de afwezigheid van Moiraine – hij zou heb ben gedacht dat ze zich er geheel in zou storten, trekkend aan alle koordjes van haar plannen – maar het bleek dat het eerste uit het tweede was voortgekomen. De Wijzen van de vier stammen hadden een van de Aes Sedai willen spreken die de car’a’carn volgden, en hoewel Moiraine na Rhand geheeld te hebben weer hersteld was, beweerde ze dat ze geen tijd had. In haar plaats was Egwene onder haar dekens vandaan getrokken.
Aviendha barstte in lachen uit. Ze was net buiten geweest toen Sorilea en Bair Egwene bijna uit haar tent hadden meegesleurd, die haar kleren aantrok terwijl ze haar voortjoegen. ‘Ik heb haar toegeroepen dat ze kuilen in de grond moest graven, ditmaal met haar tanden, alsof ze bij haar misdaad betrapt was, en ze was zo slaperig dat ze me geloofde. Ze begon fel tegen te stribbelen dat ze dat niet zou doen, zo fel dat Sorilea wilde weten wat ze had gedaan dat ze zoiets meen de te verdienen. Je had het gezicht van Egwene moeten zien!’ Ze lach te zo hard dat ze bijna omviel.
Asmodean keek achterdochtig naar haar, maar waarom hij dat deed, denkend aan wat en wie hij was, begreep Rhand totaal niet. Rhand bleef echter geduldig wachten tot ze weer lucht had gekregen. Voor Aielhumor was dit nog matig te noemen. Meer iets wat hij van Mart had verwacht dan van een vrouw, maar toch nog mild. Toen ze weer recht zat, haar ogen afvegend, zei hij: ‘En hoe staat het nu met de Shaido? Of zijn hun Wijzen ook bij die besloten bijeen komst.’
Nog steeds in haar beker wijn giechelend gaf ze antwoord. Voor zo ver zij had opgevangen was het met de Shaido afgelopen en hoefde er verder geen aandacht aan hen te worden geschonken. Duizenden waren gevangengenomen, nog steeds werden er zo nu en dan gevangenen binnengebracht en afgezien van enkele kleine schermutse lingen hier en daar was de strijd gestreden. Hoe meer hij echter van haar hoorde, hoe minder hij vond dat alles was afgehandeld. Door dat de vier stammen het grootste deel van Hans strijdmacht hadden beziggehouden, was het merendeel van Couladins volk de Gaelin in goede orde overgestoken. Ze hadden zelfs de meeste Cairhiense gevangenen die ze bij zich hadden, mee kunnen voeren. Nog erger, ze hadden de stenen bruggen achter zich vernietigd. Zij maakte er zich niet zo bezorgd over, maar hij wel. Er bevonden zich nu tienduizenden Shaido ten noorden van de rivier en er bestond geen enkele kans hen aan te pakken tot de bruggen waren vervangen en zelfs een houten overspanning zou tijd kosten. Tijd die hij niet had.
Helemaal aan het eind, toen het leek dat er over de Shaido niets meer viel te zeggen, kwam ze nog met iets naar voren waardoor hij zich geen zorgen over de Shaido meer hoefde te maken en over de ellen de die ze konden veroorzaken. Ze noemde het zomaar, terloops, als of ze het bijna vergeten was.
‘Heeft Mart Couladin gedood?’ vroeg hij ongelovig toen ze zweeg. ‘Mart?’
‘Dat zei ik toch!’ Ze zei het scherp maar het leek niet zo bedoeld. Ze gluurde hem over de rand van haar wijnbeker aan en leek meer belangstelling te hebben voor hoe hij dat nieuwtje verwerkte dan of hij haar geloofde.
Asmodean sloeg enkele tonen aan die strijdlustig klonken; de harp leek een weerkaatsing van trommels en hoorns. ‘In enkele opzichten is hij een even verrassende jongeman als jij bent. Ik zie werkelijk uit naar de dag dat ik die derde jongen uit je dorp ontmoet, die Perijn.’ Rhand schudde zijn hoofd. Dus Mart was uiteindelijk toch niet aan die aantrekkingskracht tussen ta’veren en ta’veren ontkomen. Of miscchien had het Patroon hem gevangen en kwam het doordat Mart zelf ta’veren was. Hoe dan ook, hij vermoedde dat Mart momenteel niet al te gelukkig was. Hij had de les nog niet geleerd die Rhand nu wel kende. Probeer weg te vluchten en het Patroon trekt je terug, vaak ruw. Als je echter de richting bewandelde die het Rad voor je weefde, dan lukte het je misschien een enkele keer je leven ietwat te beheersen. Soms. Als je geluk had, misschien wel meer dan waar je op rekende, tenminste op de lange duur. Maar er waren dringender zaken af te handelen dan Mart of de Shaidostam.
Een blik door de open voorhang vertelde hem dat de zon al vrij hoog stond, al zag hij verder alleen twee Speervrouwen die net buiten de tent zaten neergehurkt met hun speren dwars over hun knieën. Een nacht en het grootste deel van de ochtend waren verstreken toen hij bewusteloos lag. Sammael had ofwel niet geprobeerd hem te vinden of het was hem niet gelukt.
Hij paste terdege op die naam te gebruiken, zelfs voor hemzelf, of schoon een andere naam nu ergens in zijn gedachten rondzweefde. Tel Janin Aellinsar. Geen enkel geschrift vermeldde die naam, geen enkel papier in de librije van Tar Valon. Moiraine had hem alles verteld wat de Aes Sedai van de Verzakers wisten en dat was weinig meer dan wat in de dorpsverhalen werd overgeleverd. Zelfs Asmodean noemde hem altijd Sammael, zij het om een andere reden. Lang voor het einde van de Oorlog van de Schaduw hadden de Verzakers de namen aangenomen die de mensen hun hadden gegeven, alsof het een uiterlijk teken was van hun wedergeboorte in de Schaduw. De echte naam van Asmodean – Joar Addam Nessosin – deed de man ineenkrimpen en hij beweerde die in de loop van drieduizend jaren te zijn vergeten.
Misschien bestond er eigenlijk geen reden te verheimelijken wat er in zijn hoofd omging – misschien was het slechts een poging de werkelijkheid voor zichzelf te ontkennen – maar Sammael bleef bestaan. En als Sammael zou hij volledig boeten voor iedere Speervrouwe die hij had gedood. De Speervrouwen die Rhand niet had kunnen red den.
Zelfs toen hij zich dit voornam, moest hij grijnzen. Hij had een begin gemaakt door Weiramon naar Tyr terug te sturen – als het Licht het wilde, wisten tot dusverre alleen Weiramon en hij ervan – maar hij kon geen jacht op Sammael gaan maken, hoe graag hij het ook wilde of bezwoer. Nog niet. Er moest eerst hier in Cairhien nog van alles geregeld worden. Misschien meende Aviendha dat hij ji’e’toh niet begreep, en misschien was dat ook zo, maar hij kende zijn plicht en hij had er een in Cairhien. Bovendien bestonden er manieren om zijn verplichtingen hier met Weiramons opdracht te verbinden. Hij ging rechtop zitten – en trachtte zich zo goed en keurig mogelijk te bedekken, hoeveel inspanning dat ook kostte met die ene deken en vroeg zich af waar zijn kleren waren. Hij zag alleen zijn laarzen vlak achter Aviendha staan. Zij wist het waarschijnlijk. Mogelijk hadden de gai’shain hem uitgekleed, maar het had net zo goed Aviendha kunnen zijn. ‘Ik moet naar de stad. Natael, laat Jeade’en zadelen en voorleiden.’
‘Morgen misschien,’ maakte Aviendha hem ferm duidelijk, Asmodean bij de mouw grijpend toen die wilde opstaan. ‘Moiraine Sedai heeft gezegd dat je rust nodig had, zeker nog...’
‘Vandaag, Aviendha. Nu. Ik weet niet waarom Meilan, als hij nog in leven is, niet hier is, maar ik ga dat uitzoeken. Natael, mijn paard?’ Ze keek halsstarrig, maar Asmodean trok zijn arm los, streek het verkreukelde fluweel glad en zei: ‘Meilan is hier geweest. Samen met anderen.’
‘Hij mocht het niet horen,’ begon de Aielse boos, maar kneep toen haar lippen stijf op elkaar en besloot met: ‘Hij heeft rust nodig.’ Dus de Wijzen meenden dat ze zaken voor hem konden verzwijgen. Nou, hij was niet zo zwak als zij meenden. Hij probeerde op te staan met de deken strak om zich heen, maar veranderde de beweging in een andere houding toen zijn benen weigerden mee te werken. Misschien was hij inderdaad zwak. Maar hij was niet van plan zich daar door tegen te laten houden.