‘Ik kan rusten wanneer ik dood ben,’ zei hij en had het toen liever niet gezegd, omdat ze in elkaar dook alsof hij haar had geslagen. Dat hij in leven bleef was voor haar ter wille van de Aiel heel belangrijk en zo’n dreigement deed haar meer pijn dan een vuistslag. ‘Vertel me over Meilan, Natael.’
Aviendha bleef koppig zwijgen, maar als haar blikken er iets aan hadden kunnen doen, zou Asmodean ook met stomheid zijn geslagen. Er was ’s nachts een bode van Meilan gekomen, die bloemrijke betuigingen van lof en oneindige trouw had overgebracht. Bij zonsop gang was Meilan zelf verschenen, met de zes andere Tyreense hoog heren die in de stad waren en een kleine groep Tyreense soldaten die aan hun zwaardgevesten voelden en hun lansen vasthielden, alsof meer dan de helft erop rekende dat ze de Aiel, die hen zwijgend hadden ontvangen, moesten bevechten.
‘Het liep er bijna op uit,’ vertelde Asmodean. ‘Die Meilan is het niet gewend gedwarsboomd te worden, denk ik, en de anderen evenmin. Vooral die met dat grove gezicht – Torean? – en Simaan. Die laatste heeft ogen die even scherp zijn als zijn neus. Je weet dat ik gevaarlijk gezelschap gewend ben, maar op hun manier zijn deze mannen even gevaarlijk als ieder ander die ik heb gekend.’ Aviendha snoof luid. ‘Nou, waar ze ook aan gewend zijn, ze maak ten geen enkele kans bij Sorilea, Amys, Bair en Melaine aan de ene kant en Sulin met een duizendtal Far Dareis Mai aan de andere kant. Er waren ook enige Steenhonden bij,’ gaf ze toe. ‘Plus enkele Waterzoekers en een paar Roodschilden. Als je de car’a’carn écht dient, zoals je beweert, Jasin Natael, zou je even goed voor zijn rust zorgen als zij.’ ik volg de Herrezen Draak, jonge vrouwe. De car’a’carn laat ik aan jullie over.’
‘Ga verder, Natael,’ zei Rhand ongeduldig, wat hem enig gesnuif op leverde.
Ze had gelijk over de kansen van de Tyreners, hoewel de Speervrouwen en anderen die aan hun sluiers hadden gevoeld, hun miscchien meer zorgen hadden gebaard dan de Wijzen. In ieder geval was zelfs Aracome, een grijzende, slanke man met een onverstoor baar karakter, bijna in vuur en vlam geraakt tegen de tijd dat ze aan de teugels trokken en de paarden wendden, en zag Gueyam, zo kaal als een knikker en zo breed als een hoefsmid, krijtwit van woede. Maar ze hadden hun wapens niet getrokken. Asmodean wist niet of dat kwam omdat ze wisten dat ze in de minderheid waren of vanwege het besef dat Rhand, mochten ze naar hem doorbreken, hen waarschijnlijk niet echt welkom zou heten met het bloed van zijn bondgenoten aan hun wapens.
‘Meilans ogen rolden bijna uit hun kassen,’ besloot de man. ‘Maar voor hij wegreed, schreeuwde hij zijn verbondenheid en trouw jegens jou uit. Misschien dacht hij dat je dat zou opvangen. De anderen deden hem snel na, maar Meilan voegde er iets aan toe waar ze van opkeken. “Ik bied Cairhien als geschenk aan de Heer Draak aan,” zei hij. Daarna verkondigde hij dat hij een grote triomftocht voor jou zou regelen, als je zo ver was de stad te betreden.’
‘Er bestaat een oud spreekwoord in Tweewater,’ zei Rhand droogjes. ‘“Hoe luider iemand zijn eerlijkheid roemt, hoe strakker je de koorden van je beurs moet toeknopen.” En nog een: “De vos biedt de eend vaak zijn vijver aan.”’ Cairhien behoorde hem ook zonder Meilans geschenk al toe.
Er bestond bij hem geen enkele twijfel over Meilans trouw. Die duur de net zo lang tot hij betrapt zou worden op verraad van Rhand. Als, dat was de angel. Die zeven Tyreense hoogheren die nu in Cairhien zaten, waren degenen die met de grootste ijver geprobeerd hadden hem in Tyr te doden en daarom had hij hen naar het noorden gestuurd. Als hij iedere Tyreense edelman die plannen tegen hem beraamde, had laten doden, was er misschien niemand overgebleven. In die dagen had het hem een goede manier geleken hun plannetjes te verstoren door hun op te dragen de wetteloosheid, hongersnood en burgeroorlogen op ruim duizend span afstand van Tyr af te handelen, terwijl ze tevens goed werk deden waar dat nodig was. Natuurlijk had hij op die dag niet eens geweten dat er een Couladin bestond en nog minder dat die man hem naar Cairhien zou voeren.
In een verhaal is het altijd veel gemakkelijker, bedacht hij. In verhalen kwamen verrassingen maar beperkt voor, voordat de held alles wist wat nodig was. Zelf leek hij altijd maar een kwart van alles af te weten.
Asmodean aarzelde – het oude spreekwoord over het roemen van je eerlijkheid, kon ook op hem slaan, zoals hij ongetwijfeld goed besefte – maar toen Rhand er niets aan toevoegde, zei hij: ik denk dat hij koning van Cairhien wil zijn. Onderworpen aan jou, natuurlijk.’
‘Waarbij ik het liefst maar heel ver weg moet blijven.’ Meilan rekende er waarschijnlijk op dat Rhand naar Tyr en Callandor zou te rugkeren. Meilan zelf zou nooit bang voor te veel macht zijn. ‘Natuurlijk.’ Asmodeans stem klonk nog droger dan die van Rhand. ‘Tussen die twee bezoeken door kwam er nog een groep.’ Een tien tal Cairhiense heren en vrouwen, zonder hun gevolg, kwam gemanteld en met ondanks de warmte omhooggetrokken kappen langs. Overduidelijk bleek dat de Aiel de Cairhienin verachtten en het was even duidelijk dat het omgekeerde ook het geval was, maar ze waren er misschien even zenuwachtig over dat Meilan van hun komst zou horen als over een besluit van de Aiel hen om te brengen. ‘Toen ze mij zagen,’ zei Asmodean wrang, ‘leek de helft bereid mij te do den; zo bang waren ze dat ik een Tyrener was. Je hebt het aan je Far Dareis Mai te danken dat je nog steeds een bard hebt.’ Hoewel de groep veel kleiner was, konden de Cairhienin toch moeilijker afgewimpeld worden dan de Tyreners. Ze raakten steeds meer bezweet en werden steeds witter, maar bleven koppig een gesprek met de Drakenheer eisen. Toen hun eis niet werd ingewilligd, ver laagden ze zich zelfs door er openlijk om te smeken, waaruit viel op te maken hoe graag ze dat gesprek wilden. Asmodean vond de Aiel humor misschien hard of grof, maar hij grinnikte wel toen hij beschreef hoe de Cairhiense edelen in hun zijden jassen en fraaie rij kleding net deden alsof hij er niet was, terwijl ze neerknielden om de zoom van de wollen rokken van de Wijzen vast te grijpen. ‘Sorilea dreigde hen uit te kleden en naar de stad terug te laten slaan.’ Zijn gesmoorde lach ging over in ongeloof. ‘Ze bespraken het zelfs onder elkaar. Als ze door die eis tot jou hadden kunnen doordringen, hadden sommigen het volgens mij nog aanvaard ook!’
‘Sorilea had het moeten doen,’ bracht Aviendha naar voren, verrassend ermee instemmend. ‘Die eedbrekers hebben geen eer. Ten slot te heeft Melaine de Speervrouwen opgedragen hen als zakken over hun paarden te gooien en de dieren uit het kampement weg te jagen en hoe de eedbrekers te paard wilden blijven, mochten ze zelf uit zoeken.’
Asmodean knikte. ‘Maar ervoor hebben twee nog met mij gepraat, toen ze zeker wisten dat ik geen Tyreense spion was. Heer Dobraine en vrouwe Colavaere. Ze spraken zo vaag en met zoveel verborgen duidingen en onuitgesproken gedachten dat ik het niet zeker weet, maar het zou me niet verbazen als ze van plan zijn jou de Zon netroon aan te bieden. Zij zouden woordspelletjes kunnen spelen met enkele mensen die... ik vroeger heb gekend.’
Rhand lachte blaffend. ‘Misschien doen ze dat ook. Als ze dezelfde voorwaarden kunnen bedingen als Meilan.’ Hij had Moiraine niet nodig om hem te vertellen dat de Cairhienin het Spel der Huizen zelfs slapend nog speelden, en Asmodean niet om te weten dat ze dat zelfs met de Verzakers zouden proberen, hoogheren aan de ene kant en de Cairhienin ertegenover. Eén veldslag was achter de rug en de volgende brandde los, zij het iets anders van aard, maar even gevaarlijk. ‘In ieder geval heb ik de Zonnetroon bestemd voor iemand die er aanspraak op mag maken.’ Hij negeerde het vragende gezicht van Asmodean. Misschien had de man hem gisteravond geholpen en miscchien ook niet, maar hij vertrouwde hem maar half en wilde zijn plannen niet vertellen. Hoezeer Asmodeans toekomst ook met de zijne verbonden was, zijn trouw kwam alleen uit dwang voort en hij was nog steeds dezelfde man die zijn ziel aan de Schaduw had geschonken. ‘Dus Meilan wil me een grootse intocht bereiden als ik er klaar voor ben, nietwaar? Dan lijkt het me veel beter dat ik met eigen ogen de toestand opneem, voordat hij me verwacht.’ Opeens drong het tot hem door waarom Aviendha met alles instemde en zelfs met hen meepraatte. Zolang Rhand in de tent bleef, deed hij precies wat ze wilde. ‘Ga je mijn paard nog halen, Natael, of moet ik het zelf doen?’