Выбрать главу

De Speervrouwen sprongen overeind toen hij snel uit de tent dook om te verhullen hoe onvast hij nog op zijn benen stond. Hij wist niet zeker of dat ook gelukt was. Aviendha bleef vlak naast hem, alsof ze niet alleen van plan was hem op te vangen wanneer hij in elkaar zak te, maar alsof ze er volledig op rekende dat het zou gebeuren. Het deed zijn stemming geen goed dat Sulin, met haar hele hoofd in het verband, haar vragend aankeek – haar, niet hem – en wachtte op haar knikje voor ze de Speervrouwen beval zich voor vertrek klaar te houden.

Asmodean kwam op zijn muilpaard de heuvel op, Jeade’en aan de teugels meevoerend. Op de een of andere manier was het hem gelukt schone kleren aan te schieten, alle van donkergroene zijde. Met uit bundig veel kant uiteraard. De vergulde harp hing op zijn rug, maar hij had de speelmanmantel afgedankt en hij voerde ook niet langer de vuurrode banier met het oeroude teken van de Aes Sedai. Die eer was een Cairhiense vluchteling toegevallen die Pevin heette. Een man die geen enkel gevoel liet blijken in zijn verstelde boerenjas van grove, donkergrijze wol, rijdend op een bruin muildier dat al enkele jaren geleden geen wagen meer had mogen trekken maar in een wei land diende te grazen. Een lang litteken, nog steeds vurig, liep van zijn kaak over zijn smalle gezicht tot aan zijn dunne haar. Pevin had zijn vrouw en zijn zus aan de hongersnood verloren, zijn broer en een zoon aan de burgeroorlog. Hij had geen enkel idee van welk Huis de mannen waren die hen hadden gedood of wie zij hadden gesteund in de strijd om de Zonnetroon. Zijn vlucht naar Andor had hem een tweede zoon gekost, ditmaal door de handen van Andoraanse soldaten, en een tweede broer, die door bandieten was omgebracht. Zijn terugkeer had hem zijn laatste zoon gekost, gedood door een Shaidospeer, evenals zijn dochter, die was weggevoerd, ter wijl Pevin voor dood was achtergelaten. De man zei amper iets, maar voor zover Rhand het begreep, draaiden zijn gedachten slechts om drie zaken. De Draak was wedergeboren. De Laatste Slag kwam er aan. En als hij in de buurt van Rhand Altor bleef, was hij in staat zijn familie te wreken voor de wereld werd verwoest. Natuurlijk zou de wereld aan haar einde komen, maar dat deed er niet toe. Niets deed ertoe, zolang hij zijn wraak maar zou krijgen. Hij maakte van uit zijn zadel een stille buiging voor Rhand toen zijn merrie de heuveltop bereikte. Zijn gezicht vertoonde geen enkele uitdrukking en hij hield de banier doodstil en kaarsrecht.

Nadat Rhand Jeade’en had bestegen, trok hij Aviendha omhoog achter zich zonder haar de stijgbeugel te laten gebruiken, enkel om te tonen dat hij daartoe in staat was, en spoorde de appelschimmel aan tot een draf voor ze goed en wel zat. Ze sloeg beide armen om hem heen, half binnensmonds mopperend. Hij ving slechts enkele flarden op van haar huidige mening over Rhand Altor en over de car’a’carn. Ze maakte echter geen aanstalten hem los te laten, waarvoor hij haar dankbaar was. Het was niet alleen fijn haar tegen zich aan te voelen, maar haar steun kon hij best gebruiken. Toen hij haar had op getild, had hij halverwege niet zeker geweten of ze weer omlaag zou zakken of de paardenrug zou bereiken. Hij hoopte dat ze het niet had gemerkt. Hij hoopte dat dat niet de reden was dat ze hem zo stevig vasthield.

De vuurrode banier met de zwart-witte schijf wapperde achter Pevin aan, terwijl ze zigzaggend de heuvel afreden, de ondiepe dalen in. Als gewoonlijk besteedden de Aiel weinig aandacht aan de groep toen ze langsreden, hoewel de banier zijn aanwezigheid even goed aanduidde als de begeleidende groep van enkele honderden Far Dareis Mai, die Jeade’en en de muildieren met gemak bijhielden. Ze hielden zich in de kampementen op de omringende heuvels met hun eigen zaken bezig en keken soms op, eigenlijk alleen vanwege de stampende hoeven. Hij was geschokt toen hij hoorde dat er een kleine twintigduizend gevangenen waren gemaakt onder de volgelingen van Couladin voor zijn vertrek uit Emondsveld zou hij nooit geloofd hebben dat er zoveel mensen op één plaats bij elkaar konden zijn – maar ze in het echt te zien, betekende een veel grotere schok. In groepen van veertig of vijftig leken het verspreide kolen op de hellingen; zowel mannen als vrouwen zaten naakt in de zon en elk groepje stond zo mogelijk onder toezicht van een gai’shain. Eigenlijk besteedde niemand anders veel aandacht aan hen, hoewel zo nu en dan een in cadin’sor gekleed persoon naar een groepje toe liep en een man of een vrouw een boodschap liet doen. De aangesprokene ging er dan on bewaakt op een holletje vandoor en Rhand zag verschillende gevan genen naar hun eigen groep terugkeren. Verder bleven ze kalm, bijna verveeld kijken, alsof ze geen enkele reden hadden elders te zijn en ook eigenlijk geen enkel verlangen daartoe bezaten. Misschien zouden ze de witte kledij even kalm aantrekken. Maar on willekeurig herinnerde hij zich met hoeveel gemak deze zelfde mensen hun eigen wetten en gewoonten hadden geschonden. Couladin was mogelijk met die schending begonnen of had het bevolen, maar zij hadden hem gehoorzaam gevolgd.

Gefronst naar de gevangenen kijkend – twintigduizend, en er zouden er nog meer komen, en dat terwijl hij er eigenlijk geen enkel ver trouwen in had dat ze zich als gai’shain zouden gedragen – duurde het even voor het tot hem doordrong dat sommige Aiel iets opvallends droegen. Speervrouwen en Aielmannen die de speer droegen, hadden altijd alleen de sjoefa om het hoofd en zeker nooit in een tint die niet wegviel tegen de kleur van de rotsen of opging in de scha duwen, maar nu zag hij mannen met een smalle, scharlakenrode haar band. Ongeveer een op de vier of vijf had een reep stof rond de slapen geknoopt, met daarop een geborduurde of geverfde cirkel, twee aaneengesloten traandruppels, zwart en wit. Misschien wel het vreemdst van alles: de gai’shain droegen ze ook. De meeste hadden hun kap opgeslagen, maar ieder die blootshoofds rondliep, droeg er een. En de algai’d’siswai in hun cadin’sor zagen het en deden niets, of ze nu een hoofdband droegen of niet. Gai’shain werden geacht nooit iets te dragen dat degenen met de speren aanhadden. Nooit, ik weet het niet,’ zei Aviendha kortaf tegen zijn rug als antwoord op zijn vraag wat dat betekende. Hij probeerde wat rechter te gaan zitten; ze leek hem echt veel steviger vast te houden dan eigenlijk nodig was. Even later vertelde ze verder, zo zacht dat hij zich moest in spannen om het te kunnen verstaan. ‘Bair heeft gedreigd me te slaan als ik het durfde te vermelden en Sorilea sloeg me met een stok op m’n schouders, maar ik denk dat het degenen zijn die ons siswai’a man vinden.’

Rhand wilde al vragen wat dat betekende – hij kende slechts enkele woorden uit de Oude Spraak – toen de betekenis naar boven kwam drijven in zijn gedachten. Siswai’aman. Letterlijk: de speer van de Draak.

‘Soms is het moeilijk het verschil te zien tussen jezelf en je vijand,’ grinnikte Asmodean. ‘Ze willen de wereld bezitten, maar het lijkt er op dat je reeds een volk bezit.’

Rhand keek om en bleef kijken tot Asmodeans geamuseerdheid ver dween en hij, schouderophalend en niet op zijn gemak, zich af liet zakken tot naast Pevin met de banier. De ellende was dat het woord ‘bezit’ inhield – meer dan dat inhield. Ook dat kwam uit Lews Ther ins herinneringen. Het leek onmogelijk mensen te bezitten, maar als dat wel het geval was, dan wees hij het af. Ik wil ze eigenlijk alleen gebruiken, dacht hij verbitterd. ‘Ik zie dat jij er niet in gelooft,’ zei hij over zijn schouder. Geen enkele Speervrouwe had zo’n ding omgebonden.

Aviendha aarzelde voor ze zei: ik weet niet wat ik geloof.’ Ze sprak even rustig als ervoor, maar het klonk boos en onzeker. ‘Er bestaan vele overtuigingen en de Wijzen zwijgen vaak, alsof ze de waarheid niet kennen. Sommigen beweren dat ze door jou te volgen, boeten voor de zonde van onze voorouders... voor ons falen jegens de Aes Sedai.’

De hapering in haar stem schokte hem. Hij had er nooit aan gedacht dat ze mogelijk even bezorgd was als elke andere Aiel over wat hij over hun verleden had onthuld. Beschaamd zou toch een beter woord zijn dan bezorgd; schande was van belang binnen ji’e’toh. Ze schaamden zich over wat ze waren geweest – volgelingen van de Weg van het Blad – en tegelijkertijd waren ze beschaamd dat ze hun belofte daartoe niet waren nagekomen.