‘Te veel lieden hebben nu in de een of andere vorm een stukje van de Voorspelling van Rhuidean vernomen,’ vervolgde ze beheerster, en het klonk net alsof ze al iets van die voorspelling had gehoord voordat ze zelf een Wijze was geworden, ‘maar het is verdraaid. Ze weten dat jij ons zult vernietigen...’ Een diepe ademtocht lang verloor ze haar beheersing. ‘Velen nemen aan dat je ons allen in einde loze dansen van de speer zult doden, een offer om de zonde goed te maken. Anderen geloven dat de ontmoediging zelf een proef is, om alles tot de harde kern af te schaven voor de Laatste Slag. Ik heb zelfs enkelen horen zeggen dat de Aiel nu jouw droom zijn en dat wij, als je uit dit leven ontwaakt, niet langer zullen bestaan.’ Dat was een reeks grimmige overtuigingen. Het was al erg genoeg dat hij het voor hun zo schandelijke verleden had onthuld. Het was een wonder dat ze hem niet allemaal in de steek hadden gelaten. Of gek waren geworden. ‘Wat geloven de Wijzen?’ vroeg hij even kalm als zij.
‘Dat wat moet zijn, zal zijn. We zullen redden wat gered kan worden, Rhand Altor. Op meer mogen we niet hopen.’ Wij. Ze rekende zichzelf ook tot de Wijzen, net zoals Egwene en Elayne zich Aes Sedai vonden. ‘Nou ja,’ zei hij luchtig, ‘ik neem aan dat Sorilea in ieder geval vindt dat ik een draai om m’n oren moet heb ben. Bair waarschijnlijk ook. Melaine zeker.’
‘Plus nog andere dingen,’ mompelde ze. Tot zijn teleurstelling schoof ze een stukje bij hem vandaan, hoewel ze zijn jas bleef vasthouden. ‘Ze nemen veel dingen aan waarvan ik hoop dat ze ze niet zullen uit voeren.’
Hij moest onwillekeurig grinniken. Dus zij vond een draai om zijn oren niet nodig. Dat was na vanmorgen een plezierige verandering. De kring van Hadnan Kaderes karavaan stond op zowat een span afstand van zijn tent, in een breed dal tussen twee heuvels, waar de Steenhonden de wacht hielden. De Duistervriend met zijn haakneus, gekleed in een te krappe roomkleurige jas, keek op en depte zijn gezicht met de overbekende grote lap, terwijl Rhand met zijn hollende begeleiders en banier langsreed. Moiraine was er ook en bekeek de wagen waarin de ter’angreaalpoort onder het zeil achter de bok lag vastgebonden. Ze keek zelfs niet om tot Kadere haar aansprak. Aan zijn gebaren te zien stelde hij nadrukkelijk voor of ze misschien geen zin had met Rhand mee te rijden. Het was overduidelijk dat hij dat graag wilde en dat was niet verwonderlijk. Hij mocht zichzelf gelukwensen dat hij zo lang verborgen had kunnen houden dat hij een Duistervriend was, maar hoe langer hij in het gezelschap verkeerde van een Aes Sedai, hoe groter het gevaar op ontdekking was. Het was inderdaad verrassend, vond Rhand, dat de man er nog steeds was. Minstens de helft van de voerlui die met hem de Woestenij waren in getrokken, was na hun tocht over de Drakenmuur weggeglipt en vervangen door Cairhiense vluchtelingen die door Rhand zelf waren uitgekozen om ervoor te zorgen dat het geen soortgenoten van Kadere waren. Elke ochtend verwachtte hij dat de kerel verdwenen zou zijn, zeker na Isendres ontsnapping. De Speervrouwen hadden alle wagens bijna uit elkaar gehaald bij hun speurtocht naar de vrouw, terwijl Kadere drie lappen nat had gezweet. Rhand zou er niet om treuren als Kadere ook ’s nachts weg zou sluipen. De bewakers hadden bevelen dat ze hem moesten laten gaan, zolang hij de voor Moiraine waardevolle wagens maar niet meenam. Het werd met de dag duidelijker dat ze de lading heel kostbaar vond en Rhand wilde niet meemaken dat ze die kwijtraakte.
Hij keek om, maar Asmodean keek recht voor zich uit en negeerde de karavaan geheel. Hij beweerde dat hij na zijn gevangenname door Rhand niet meer met Kadere had gesproken en Rhand dacht dat het waar was. De koopman liet in ieder geval zijn wagens nooit in de steek en was altijd in het zicht van de Aielbewakers, tenzij hij in zijn eigen wagen bleef.
Aan de andere kant van de karavaan trok Rhand onbewust half en half de teugels aan. Moiraine zou hem toch zeker wel begeleiden naar Cairhien? Ze had hem overladen met feiten en er leek altijd wel iets te zijn wat ze wilde aanvullen, en zeker deze keer kon hij haar aan wezigheid en raad best gebruiken. Ze keek hem echter lang aan en wendde zich toen weer naar de wagen.
Fronsend spoorde hij de schimmel aan. Hij kon er maar beter goed aan denken dat ze ook nog andere schapen te scheren had. Hij begon er te veel op te vertrouwen. Hij kon beter even behoedzaam voor haar zijn als voor Asmodean. Vertrouw niemand, dacht hij grimmig. Heel even wist hij niet of dit zijn gedachte was of die van Lews Therin, maar hij besloot ten slot te dat het er niet toe deed. Iedereen had zijn eigen doel, zijn eigen verlangen. Het was het beste niemand volledig te vertrouwen, alleen zichzelf. Toch vroeg hij zich af in hoeverre hij zichzelf vertrouwde nu er een andere man in zijn gedachten doordrong. Aasgieren vulden de hemel boven Cairhien in rondcirkelende lagen van zwarte vleugels. Op de grond fladderden ze rond tussen zwermen zoemende vliegen, schor krijsend naar de glimmend zwarte ra ven die hun het recht op de lijken betwistten. Waar de Aiel de kale heuvels overtrokken en de lichamen van hun gevallenen verzamel den, vlogen de vogels vadsig met krijsende bezwaren op, maar daalden meteen weer neer zodra de mensen enkele stappen verder waren. De gieren, raven en vliegen konden het zonlicht niet verduisteren, maar die indruk maakte het wel.
Met een opstandige maag, proberend niets te zien, spoorde Rhand Jeade’en aan sneller te gaan, tot Aviendha zich weer steviger aan hem vastklemde en de Speervrouwen moesten rennen. Niemand maakte bezwaar en hij nam aan dat dat niet alleen kwam doordat Aiel uren achter elkaar konden rennen. Zelfs Asmodean zag wit rond zijn ogen. Het gezicht van Pevin veranderde geen tel, maar de wapperende, kleurige banier boven hem leek de plek te bespotten. Het gebied voor hem was weinig beter. Rhand herinnerde zich Voor poort als een bruisende bijenkorf, een verwarrende doolhof van straten vol lawaai en kleur. Nu was het aan drie zijden een stille, dikke laag as rond de vierkante grijze muren van Cairhien. Verkoolde balken lagen kriskras op stenen funderingen. Op een enkele plaats stond nog een roetzwarte schoorsteen, die soms gevaarlijk schuin hing. Hier en daar lag zomaar een onbeschadigde stoel in de smerige straat, een snel bijeengeknoopte bundel achtergelaten door een vluchteling, een lappenpop. Ze benadrukten de verlatenheid.
Zuchtjes wind lieten de banieren rimpelen op de stadstorens en langs de muren; daar zag hij een rood met gouden draak op wit en elders witte Tyreense maansikkels op rood en goud. De middelste Jangai poort stond open; drie hoge vierkante doorgangen in de grijze steen, bewaakt door Tyreense krijgslieden met kamhelmen. Enkele waren te paard, maar de meeste te voet, en de vele kleurige banen op de brede mouwen toonden aan dat ze onder bevel stonden van verschillende heren.
Hij wist niet wat men in de stad had gehoord van de gewonnen veld slag en van de reddende Aielse bondgenoten, maar de komst van zo’n vijfhonderd Far Dareis Mai schiep enige onrust. Handen schoven on zeker naar gevesten, speren en lange schilden of naar een lans. Enkele krijgslieden maakten reeds aanstalten om de poorten te sluiten, hun officier met drie witte pluimen op zijn helm aankijkend. Deze aarzelde, richtte zich in zijn stijgbeugels op en zette zijn hand boven zijn ogen tegen de zon om de vuurrode banier te zien. Nog meer om Rhand goed te bekijken.
Opeens liet de officier zich zakken en zei iets waardoor twee ruiters door de poort de stad in galoppeerden. Meteen daarna gebaarde hij zijn mannen opzij te gaan terwijl hij riep: ‘Opzij voor de Heer Draak Rhand Altor! Het Licht verlichte de Heer Draak! Alle eer aan de Her rezen Draak.’
De soldaten leken nog wat verontrust door de Speervrouwen, maar ze vormden twee rijen aan weerszijden van de poort en maakten een diepe buiging terwijl Rhand langsreed. Achter hem snoof Aviendha luid en deed dat nogmaals na Rhands lach. Ze begreep het niet en hij was niet van plan het uit te leggen. Hij vond het heel vermakelijk dat, wanneer hij door Tyreners of Cairhienin of ieder ander naast zijn laarzen dreigde te gaan lopen, hij minstens op haar en de Speervrouwen kon rekenen om hem weer met beide voeten op de grond te laten belanden. En op Egwene. En op Moiraine. En wat dit betrof ook op Nynaeve en Elayne, als hij een van de twee ooit nog zou ontmoeten. Nu hij erover nadacht: dat hele stel leek dat hun belang rijkste werk te vinden.